Onderzoek naar catechese – bericht voor de synode van de Protestantse Kerk

Komende zaterdag, 12 november 2011, buigt de synode van de Protestantse Kerk zich over de tweede voortgangsrapportage van de beraadsgroep voor de catechese

Het rapport ademt (hernieuwd) elan en enthousiasme voor catechese in de kerk. Dat mag dan ook wel, na een tijdperk waarin vooral over een crisis in de catechese werd gesproken. Het rapport verwoordt niet slechts een visie op catechese maar doet ook handreikingen aan opleiders en toerusters van catecheten en geeft een overzicht van de grote inzet van de uitvoeringsorganisaties JOP en HGJB op het gebied van catechese.

Wat verder opvalt in het rapport (hoewel: enigszins verstopt in Bijlage B.4.) is dat catechese als discipline ook impulsen krijgt in het academische onderzoek en onderwijs. En inderdaad: juist deze week werd bekend dat nog voor de kerst twee nieuwe promotieonderzoeken naar catechese en geloofsleren aan de PThU zullen starten. Gisteren had ik een aftrapbijeenkomst met beide promovendi, Hans Meerveld en Wielie Elhorst. Beiden gaan enthousiast aan de slag om meer inzicht te krijgen in de complexe relatie tussen verschillende vormen van catechesepraktijken enerzijds en de leeruitkomsten bij jongeren anderzijds. Daarbij wordt niet alleen gekeken naar de rol die catecheten daarbij spelen maar ook de rol die ouders daarin hebben. Het starten van beide promotieonderzoeken betekent een belangrijke nieuwe impuls aan het onderzoeksprogramma catechese dat ik aan de PThU ontwikkel.

Goed onderzoek kan een spiegel zijn die helpt de catechesepraktijk verder te ontwikkelen. Zo was ik afgelopen week op een congres van de Religious Education Association (REA) over de implicaties van breinonderzoek voor geloofsleren en geloofseducatie. Daar heb ik met het oog op de catechesepraktijk (opnieuw) twee dingen ‘in de spiegel gezien’. In de eerste plaats dat het belangrijk is rekening te houden met dat jongens zich in de tienerjaren anders ontwikkelen dan meiden. Jongens zijn in die leeftijdsfase door de bank benomen eerder visueel en fysiek ingesteld. Meiden zijn in hun tienerjaren gemiddeld genomen eerder talig ontwikkeld. Iedereen die met jongeren omgaat weet dat natuurlijk wel, maar in hoeverre handelen we er in de catechesepraktijk ook naar?

In de tweede plaats liep ik opnieuw tegen het belang van ‘embodiment’ aan. Geloven kent niet alleen rationele en cognitieve dimensies maar ook lichamelijke dimensies en het ligt besloten in handelingen en ervaringen. In dat verband kunnen rituelen en ruimte voor expressie belangrijke elementen in de catechese zijn.

Kort voor het REA congres besprak ik de voortgangsrapportage met studenten in de PThU mastermodule ‘leerprocessen in de gemeente’. Met name keken we naar hoofdstuk 4 uit het rapport over doel en visie van de catechese. Van die bespreking is mij vooral een ding bijgebleven. De voortgangsrapportage benadrukt het geheel van de gemeente als leeromgeving waarbinnen catechese verankerd ligt. Studenten merkten echter terecht op dat in toenemende mate die kerkelijke gemeente niet meer de natuurlijke leeromgeving voor jongeren is. Vraagt deze doelgroep jongeren dan niet om een andere visie op catechese? Een goede vraag. Op dit punt moedigt de voortgangsrapportage terecht onderzoek aan naar “… vormen van leren buiten de institutionele vormen; hierbij is te denken aan de leercomponent binnen spontane activiteiten van jongeren zelf, diaconale reizen, festivals en andere netwerken (fysiek en digitaal).” (p. 38).

Hopelijk zal de synode zaterdag het elan en enthousiasme van de voortgangsrapportage overnemen. Misschien is er zelfs wel een synodelid dat het belang van jongens-meisjes differentiatie, het belang van rituelen en expressie bij geloofsleren en de aandacht voor geloofsleren buiten de kerk voor het voetlicht wil brengen. Dat zou de bespreking helemaal compleet maken.

Advertenties