In elke monnik, missionaris en leider schuilt een opvoeder

Keer op keer steekt de discussie de kop op hoe de kerk in Nederland zich vandaag en morgen staande moet houden. Moet de kerk het missionarissenpad op of moet zij kiezen voor het monnikenbestaan? Is de kerk gediend met goed leiderschap of is dienstbaarheid voldoende? Moet een krimpende kerk naar eenheid zoeken of moet zij de veelheid aan afsplitsingen, bewegingen en particuliere initiatieven vrolijk vieren?

Velen die iets met een kerk hebben, er ook het goede mee voor hebben, staan graag bij dit soort vragen stil. Dat is niet verwonderlijk want het gaat tenslotte om de toekomst van de kerk. En of die toekomst nu in mensenhanden ligt of niet: als kerkmens voel je je verantwoordelijk om zuinig om te springen met alles wat je gegeven is met en in een kerk. Uiteindelijk is de wens, het verlangen zo u wilt, dat onder al deze vragen ligt eenzelfde: het zou zo mooi zijn als een volgende generatie, liefst samen met mij, ook nog kan genieten van waar de kerk voor staat: het Evangelie, Gods Woord zelf.

Dit perspectief op een volgende generatie en op wat daarbij van waarde is, is een toekomstperspectief: hét perspectief bij uitstek in het nadenken over opvoeding en onderwijs, hét centrale perspectief ook in het nadenken over geloofsopvoeding en godsdienstige/religieuze vorming. Het is daarom zo opmerkelijk dat deze, wat ik noem, godsdienstpedagogische perspectieven nauwelijks betrokken worden in discussies over wat dan heet ‘de toekomst van de kerk’.

Ik pleit daarom voor meer aandacht voor dit godsdienstpedagogische perspectief. Tijdens de mondiale ontmoeting van onderzoekers en professionals in het veld van kerkelijk jeugdwerk (zie http://www.iasym.net) in de eerste week van dit jaar ging veel meer dan de jaren daarvoor de aandacht uit naar de rol van ouders in youthministry. Daaraan ligt het besef ten grondslag dat het dáar gebeurt: in de wieg, op schoot en zo verder. Aandacht en ondersteuning voor de primaire opvoeders in de geloofsgemeenschap is van wezenlijk belang. Niet omdat dat het enigie nodige is om de toekomst van de kerk veilig te stellen, maar wel omdat opvoeders een wezenlijke rol spelen in het inwijden van nieuwe generaties in de geloofsgemeenschap. Ik zeg dus: niet de monniken of de missionarissen, niet de leiders of de dienstbaren, maar de opvoeders mogen wel wat aandacht krijgen.

Ondertussen is het natuurlijk wel zo dat kerken steeds minder kunnen bogen op ouder-kind relaties. Óf de kinderen zijn er niet meer, óf de ouders zijn er niet meer. Maar daarmee zijn pedagogische relaties niet verdwenen. In elke monnik, missionaris of dienstbaar leider schuilt namelijk een opvoeder. En in elke zelfbedachte doelgroep schuilt een ´kind van de gemeente´. Het perspectief van inwijding, opvoeding en educatie is er niet minder wezenlijk door geworden. Het moet wel weer (her)ontdekt worden en op nieuwe manieren gestalte krijgen. Daar ga ik voor.

Advertenties