De christelijke school en de kerk: een discussiestuk

De afgelopen jaren neemt het publieke en politieke debat over de onderwijsvrijheid toe. Binnen de christelijke gemeenschap is er überhaupt debat over de aard, positie en de toekomst van wat heet christelijke organisaties, of het nu gaat om christelijke school- en zorgorganisaties of politieke partijen.

Als de vrijheid van onderwijs onderwerp van discussie is, speelt vanuit de christelijke gemeenschap vaak de volgende redenering mee: het moet mogelijk zijn (dat is een recht, een vrijheid) dat kinderen en jongeren godsdienstig gevormd worden op een school, in het verlengde van de godsdienstige opvoeding thuis, en vaak ook in het verlengde van de geloofsgemeenschap of kerk. In hoeverre doet die wens recht aan de realiteit van de godsdienstige ontwikkeling en vorming van jongeren van vandaag?

Alle vorming, ook de levensbeschouwelijke en godsdienstige vorming, van kinderen en jongeren kent een eerste, oorspronkelijke verantwoordelijkheid bij ouders en de (geloofs)gemeenschap om hen heen. De stichting en instandhouding van christelijke scholen is een manier om die gemeenschap van een ondersteunende structuur te voorzien. Maar is deze structuur niet gebaseerd op oude organisatieprincipes die moeilijk meer passen bij deze tijd?

Gemeenschappen, ook geloofsgemeenschappen, van vandaag de dag vinden steeds minder hun basis in institutionele structuren. De nu opgroeiende generatie laat zich veel minder gelegen liggen aan institutionele verbanden en begeeft zich in godsdienstig opzicht steeds meer in informele, op elkaar opvolgende tijdelijke verbanden. De-institutionalisering en het vinden van een eigen identiteit in vloeibare, informele en soms digitale gemeenschappen zijn belangrijke kenmerken van deze tijd die de christelijke school voor de vraag stelt waartoe zij dient met het oog op kinderen en jongeren uit christelijke geloofsgemeenschappen.

Helemaal in lijn met wat genoemd wordt de individuele keuzemaatschappij is er een grote variatie aan overwegingen die een rol spelen bij christelijke ouders bij het kiezen van een school voor hun kroost. De band tussen de geloofsgemeenschap en de (christelijke) school is betrekkelijk los geworden en is soms actief doorgesneden. De christelijke school is minder dan vroeger een vanzelfsprekend en sterk onderdeel van wat je de geloofsgemeenschap zou kunnen noemen. Het is op zichzelf de vraag of de school er feitelijk nog onderdeel van is. Tegen deze achtergrond zou het oogmerk van de christelijke school de ontmoeting met diversiteit moeten zijn. Diversiteit binnen en buiten de eigen geloofstraditie.

Ontmoeting met (religieuze en culturele) diversiteit staat niet haaks op een christelijke vorming in het verlengde van de gezinsopvoeding en die van bijvoorbeeld de kerkelijke gemeente;  deze ligt daar juist in besloten. Van de school moet dan veel minder verwacht worden in te wijden in een particuliere geloofsgemeenschap. Veel meer is de rol van de school om op een veilige manier de ontmoeting met de ander te faciliteren. Daarbij geldt overigens wel dat de ontmoeting met andersdenkenden en andersgelovigen de constructie van de eigen (in de geloofsgemeenschap en traditie) gevormde identiteit verder op weg helpt en zeker niet in de weg staat.

Tegelijkertijd geldt voor kerken en geloofsgemeenschappen, en daarbij de ouders voorop, dat zij grotere voortrekkers moeten worden van de godsdienstige opvoeding van een nieuwe generatie. Deze tijd vraagt daarbij wel om een ander organisatieprincipe dan het principe van de institutionele structuren, en vraagt dus ook een andere verhouding tot de christelijke school. Het is aan ouders en geloofsgemeenschappen om daar op nieuwe manieren gestalte aan te geven. En het is aan de christelijke school haar beleid en (godsdienst)pedagogiek daar op af te stemmen.

Advertenties