De theologie gevierendeeld: voorstellen voor vernieuwing ontbreken

Een bespreking van De theologie gevierendeeld:

De theologie gevierendeeld – Vier spanningsvelden voor de theologiebeoefening in Nederland. Stephan van Erp en Harm Goris (Red.). Uitgever: Valkhof Pers. Verschenen: 2013.

Van Erp en Goris redigeerden een bundeling van acht bijdragen over vier spanningsvelden die bepalend lijken te zijn voor de huidige theologiebeoefening in Nederland. Het boekje is uitgegeven in de annalen van het Thijmgenootschap (jaargang 101, aflevering 1). Het is het bestuur van de afdeling Katholieke Theologie van het Thijmgenootschap die de vier spanningsvelden die worden besproken in het boekje heeft gedefinieerd: (1) de relatie van de theologie tot de geesteswetenschappen, (2) de plaats van de dogmatiek in het theologisch curriculum, (3) het beeld van de theologie in de media, en (4) de aansluiting van de opleidingen bij de beroepsmarkt van de zorg. In de periode 2010-2012 is een aantal studiebijeenkomsten belegd waarin theologen hun visie op een van de spanningsvelden gaven. Hun bijdragen zijn in de vorm van hoofdstukken opgenomen in De theologie gevierendeeld, dat vooral kijkt naar de katholieke theologiebeoefening in Nederland.

Aanleiding voor het schrijven van dit boekje is de observatie dat de beoefening van universitaire katholieke theologie sterk aan het veranderen is. Aan welke krachten zijn de katholieke Nederlandse theologieopleidingen onderhevig en hoe bepalen deze de toekomst van de theologiebeoefening in ons land? Doel van het boekje is dat de acht bijdragen belangrijke aanzetten en concrete voorstellen bieden “… voor de hervorming en vernieuwing van deze theologiebeoefening in Nederland” (p. 16).

Aan het slot van deze bespreking volgt per spanningsveld een indruk van wat de verschillende auteurs erover schrijven. Maar nu eerst een aantal overwegingen van mijn kant naar aanleiding van het lezen van het boekje.

De theologie gevierendeeld laat de lezer kennismaken met een variëteit aan thema’s die het actuele (katholieke) theologische bedrijf bezighoudt. De verschillende hoofdstukken lezen vlot. Het boekje is aan te bevelen aan iedereen die graag op de hoogte komt of op de hoogte blijft van de (katholieke) theologie beoefening in Nederland. Het boekje heeft echter ook zijn beperkingen. De belangrijkste daarvan is wat mij betreft de keuze voor de vier genoemde spanningsvelden. Er zijn verschillende andere spanningsvelden, uitdagingen, acute thema´s te noemen waar de hedendaagse theologie(opleiding) zich voor geplaatst weet. De vier spanningsvelden in De theologie gevierendeeld zijn gekozen door het bestuur van de afdeling Katholieke Theologie van het Thijmgenootschap. Er wordt echter onvoldoende verantwoord waarom deze vier spanningsvelden zo bepalend zouden zijn. Ontwikkelingen in de samenleving als secularisering, toenemende multireligiositeit, toenemende aandacht voor spiritualiteit, maar ook toenemende pluriformiteit binnen de kerk komen wel her en der aan bod maar ik had verwacht dat bijvoorbeeld deze thema’s systematischer zouden worden doordacht.

Wat verder opvalt is dat de hoofdstukken qua aard sterk van elkaar verschillen. De twee hoofdstukken over de relatie van de theologie tot de geesteswetenschappen bevatten voorzichtige, genuanceerde en zorgvuldige argumentaties. Hetzelfde geldt voor de hoofdstukken over het spanningsveld t.a.v. de dogmatiek. De hoofdstukken over theologie en de media, het derde spanningsveld, zijn op dit punt teleurstellend. Daar is nauwelijks sprake van een argumentatie maar slechts een beschrijving van enkele tendensen zonder conclusies te trekken voor de actuele theologiebeoefening. De hoofdstukken over de geestelijke verzorging, tot slot, zijn dan weer zeer uitgesproken in evaluatieve zin, getuige de volgende citaten: “het vak gaat ‘naar de bliksem’ wanneer niet snel een aantal zaken wordt opgepakt” en “de zichtbaarheid, toegankelijkheid en professionaliteit van geestelijk verzorgers laat veel te wensen over”.

De theologie gevierendeeld concentreert zich op de katholieke theologiebeoefening in Nederland. Af en toe komt ook de protestantse theologiebeoefening ter sprake (zeker in het deel over geestelijke verzorging). Voor een heel aantal thema’s is duidelijk dat deze parallellen kennen in de protestantse theologie(opleidingen). Dat geldt in ieder geval voor actuele uitdagingen voor de dogmatiek en de verhouding tussen religie en media. Het zou interessant zijn om rond een aantal spanningsvelden een serie opstellen te laten maken met het oog op de protestantse theologiebeoefening: zijn er inderdaad zoveel parallellen, waar liggen er breuklijnen en vooral: liggen er fundamenteel mogelijk andere spanningsvelden?

De theologie gevierendeeld beoogt belangrijke aanzetten en concrete voorstellen te geven voor de hervorming en vernieuwing van de (katholieke) theologiebeoefening in Nederland. Ik betwijfel of het boekje daarin geslaagd is. Dat komt vooral doordat de implicaties van de verschillende bijdragen niet ver genoeg worden doordacht: het ontbreekt aan aanwijzingen voor aanpassing van curricula en beroepsbeelden voor opleidingen; eveneens vind je nergens voorstellen voor vernieuwing of actualisering van bijvoorbeeld onderzoeksprogramma´s. Het meest concrete voorstel komt van Frans Vosman die pleit voor het terugbrengen van het diverse opleidingsaanbod voor het werkveld van geestelijk verzorgers naar twee levenskrachtige opleidingen, namelijk twee tweejarige masters “die voorbereiden op de laatmoderne werkelijkheid”. Dat De theologie gevierendeeld juist op dit punt niet aan de verwachtingen voldoet is een gemiste kans.

De vier spanningsvelden van De theologie gevierendeeld in vogelvlucht:

(1) de relatie van de theologie tot de geesteswetenschappen
Willem Frijhoff gaat in zijn bijdrage in op de spanning tussen enerzijds theologie als groepsbepaald gelovig spreken over God en anderzijds theologie als autonoom proces van wetenschapsvorming, als discipline. Deze (eeuwenoude) spanning werpt de vraag op of een opleiding theologie geheel zelfstandig voor beroep, zorg en wetenschap zou moeten opleiden of zich juist moet focussen op de core business, namelijk samen met verwante wetenschappen het godsgeloof, en de culturele dimensies van geloof in de wereld te bestuderen. Een definitief antwoord biedt Frijhoff niet, wel de oproep aan de theologie om zich van andere geesteswetenschappen te onderscheiden en die andere geesteswetenschappen tot kritische zelfreflectie te brengen.
Adelbert Denaux stelt in het volgende hoofdstuk geneigd te zijn bevestigend te antwoorden op de vraag of theologie thuis hoort in de geesteswetenschappen. Theologie en geesteswetenschappen gaan namelijk uit van dezelfde benadering van de werkelijkheid, namelijk van het onderscheid en de samenhang tussen materie en geest. Bovendien deelt theologie fundamenteel dezelfde hermeneutische benadering van het object dat ze bestudeert. Een integratie van de theologie als departement in de faculteit geesteswetenschappen is in zekere mate wenselijk, echter in de praktijk zal het snel leiden tot verschraling of ontmanteling van het theologisch onderzoek en onderricht. Daarom is het pleidooi van Denaux uiteindelijk om toch vrijplaatsen te behouden, faculteiten met een relatieve zelfstandigheid waar theologie beoefend kan worden.

(2) de plaats van de dogmatiek in het theologisch curriculum
Stephan van Erp gaat in op drie typen uitdagingen voor de dogmatiek: (1) uitdagingen van de systematische theologie zelf die betrekking hebben op de vraag naar de wetenschappelijkheid van de dogmatiek; (2) uitdagingen van de ontwikkelingen in de geesteswetenschappen die de vraag oproepen welke rol de dogmatiek heeft tussen andere wetenschappelijke disciplines; en (3) uitdagingen van de seculiere cultuur die te maken hebben met onbegrip en onverstaanbaarheid in die cultuur enerzijds en het verband tussen geloof en diezelfde cultuur als studieobject anderzijds. Als antwoord op die uitdagingen schetst Van Erp karakteristieken van een hedendaagse dogmatiek waarin behalve voor autoriteitsvragen en de waarheidsvraag ook aandacht is voor interdisciplinariteit voor actuele, hedendaagse godsvragen in verbinding met levend geloof.
Herwi Rikhof verdedigt in een volgende bijdrage de stelling dat de dogmatiek een centrale rol in kerk en theologie kan en moet spelen. Reden daarvoor is dat in de dogmatiek het karakteristieke element van het christendom expliciet en fundamenteel ter sprake komt. “Een theologie waarin de dogmatiek en haar kerninzichten niet centraal staan, is uiteindelijk geen christelijke theologie” (p. 79). Een christelijke theologie met daarin de dogmatiek centraal is volgens Rikhof ook een kerkelijke theologie. De taak van dogmatici is ook om te reflecteren op leergezag en ontwikkelingen daarin.

(3) het beeld van de theologie in de media
Hans Geybels beschrijft tendensen met betrekking tot religie in de media. Hij stelt vast dat de kerk voor de algemene media van belang is omdat ze voor en tot vele mensen spreekt. Vooral dat laatste is belangrijk stelt Geybels: “slechts in de mate dat het kerkelijk nieuws ook algemeen nieuws is, haalt het de algemene media. De nieuwswaarde van het kerkelijke nieuws wordt met dezelfde parameters gemeten als al het overige nieuws” (p. 111). Verder signaleert hij dat het doorgaans moet gaan om nieuws door en voor mensen: persoonlijkheden, meer dan zaken, staan centraal in berichtgeving. Dat heeft met een andere factor te maken, namelijk dat de doorsneelezer niet alleen geïnformeerd maar ook geraakt wil worden. Met nieuws dat een gezicht krijgt lukt dat beter. De auteur illustreert een en ander met voorbeelden uit m.n. de krantenwereld en radio/tv in Vlaanderen.
Het kortste hoofdstuk in De theologie gevierendeeld is van de hand van Leo Fijen die vier ‘terreinen van aandacht’ voor theologie in de media beschrijft: (1) de bijdrage van theologie/theologen in het maatschappelijke debat, (2) de bijdrage van theologie/theologen tijdens scharniermomenten van het leven, (3) de betekenis van theologie voor de behoefte aan verhalen, (4) de bijdrage van theologie/theologen aan de vitaliteit van het lokale geloofsleven, juist nu de katholieke kerk zo met zichzelf bezig is en parochies in de overleefstand zitten.

(4) de aansluiting van de opleidingen bij de beroepsmarkt van de zorg
Frans Vosman spreekt in zijn bijdrage de twijfel uit of de zorg over de toekomst voor het vak van geestelijk verzorger voldoende wordt doordacht. De typisch Nederlandse situatie van geestelijke verzorging is volgens Vosman snel en ingrijpend veranderd en bestaande modellen van geestelijke verzorging voldoen niet meer. Zijn urgente vraag is: “… wordt er wel over de problemen van nu nagedacht, zitten de betrokkenen wel samen?” (p. 120). Zijn antwoord is: nee, nog onvoldoende. Geestelijk verzorgers hebben een probleem om hun eigen werk te legitimeren naar andere betrokkenen in instellingen en samenleving en het vak gaat volgens Vos “naar de bliksem” wanneer niet snel een aantal zaken wordt opgepakt. Een van die zaken betreft de inrichting van opleidingen voor geestelijk verzorger in Nederland: het is niet zeker dat deze zijn voorbereid op de werkelijkheid van de instituties waarbinnen de geestelijk verzorgers werkzaam zijn: “Vaak staat de eigen denominatie heel centraal en niet de ontvangende institutie, vaak is het psychologisch-pastoraal model sterk aanwezig, en vrijwel steeds ligt de nadruk op het woord” (p. 129). Vosman pleit voor een herbezinning op de opleidingen die moet leiden tot een ander conceptueel raamwerk voor geestelijke verzorging. En hij pleit voor het terugbrengen van het diverse opleidingsaanbod naar twee levenskrachtige opleidingen, tweejarige masters die voorbereiden op de laatmoderne werkelijkheid.
Christa Anbeek, Jaap Schuurmans en Ger Palmboom constateren in de laatste bijdrage van het boekje dat de zichtbaarheid, toegankelijkheid en professionaliteit van geestelijk verzorgers veel te wensen over laat. Daar zijn vijf oorzaken voor: geestelijk verzorgers profileren hun specifieke expertise onvoldoende; traditionele geestelijk verzorgers werken langs de lijnen van verschillende denominaties, hetgeen steeds minder aansluit op de levensbeschouwelijke werkelijkheid in onze samenleving; de financieringsmogelijkheden voor hulp bij levensvragen in de extramurale zorg zijn zeer beperkt; levensvragen worden door hulpverleners en hulpvragers onvoldoende als zodanig onderkend; vanuit de geestelijke verzorging is soms te weinig bereidheid en competentie om binnen een eerstelijns teamverband te werken. Vervolgens bespreken zij de opzet, werkwijze, doel en voorlopige resultaten van het onderzoeksproject ´Geestelijke verzorging in de eerstelijns gezondheidszorg´ van de Universiteit voor Humanistiek.

Jos de Kock

Universitair Docent Educatie en Catechetiek Protestantse Theologische Universiteit (PThU) http://www.pthu.nl
Medewerker Onderzoekscentrum voor Jeugd, Kerk en Cultuur (OJKC)
http://www.ojkc.nl

Advertenties

Genade

Genade is het kernwoord

Christelijk Weekblad legde een tijdje terug een selectie uit de oude catechismusvragen aan mij voor, met de mogelijkheid een vraag gemotiveerd over te slaan en een nieuwe vraag erbij te stellen. Hieronder mijn antwoorden die verschenen in het artikel Genade is het kernwoord in Christelijk Weekblad van 5 juli 2013 (p. 12). Zie ook www.christelijkweekblad.nl

Wat is uw enige troost, beide in het leven en sterven?

De grond voor alle troost is genade. God is de bron van alle troost omdat hij een genadig God is. Een mens kan niet leven zonder genade, het leven is genade, een geschenk, een creatie van God. Mijn enige troost is dat door het werk van Jezus Christus mijn leven veilig is bij God. Zo veilig zelfs dat mijn sterven niet het einde van leven is. Dat is troost, dat is genade, dat is God: elke dag overwint Hij mijn tekort, mijn gemis, mijn zonde, mijn einde.

Wat gelooft gij van de heilige algemene Christelijke Kerk?

De Kerk is God met ons. In Jezus Christus was God onder ons, in de gestalte van een mens. De Kerk is de gemeenschap van gelovigen die geroepen is in navolging van Christus God present te stellen in deze wereld. De Kerk is God met ons herbergt een spanning. In de Kerk gaat het over Niemand minder dan God Zelf; en in de Kerk gaat het met niemand anders dan mensen. Zonder genade houd je die spanning niet lang uit. De Kerk is daarmee ook een gestalte van Gods genade.

Wat is afgoderij?

Afgoderij is niet van genade willen leven. ‘Genade zij u ’ is de groet die bij het begin van elke kerkdienst klinkt. Afgoderij betekent dat je je leven niet afhankelijk maakt van een genadig God maar van een ongenadige kopie. Afgoderij is een keuze, een wilsbesluit. Je wordt er niet door overvallen maar het is een handeling: je wendt je af van God en wendt je toe naar iets of iemand anders. ‘Kiest nu heden wie u dienen zult’ is daarbij de onderliggende vraag. Het geloof brengt de groet te binnen: ‘Genade zij u ’. Afgoderij is denken ‘die hoef ik niet’.

Wat is dan een Christen nodig te geloven?

Een christen gelooft dat God bestaat en alles maakt. Een wat plat geformuleerde tegenhanger voor een evenzo platte tijdsgeest: ‘De mens bestaat en alles gaat zoals het gaat’. Dat God bestaat is de grond onder het christelijk geloof. Het is tegelijkertijd een fors statement in een tijd waarin juist het bestaan van God wordt betwijfeld of ontkend. God bestaat, en God maakt. God is een scheppend, een creatief God. Hij maakt alles. Hij maakte de wereld, het leven, de werkelijkheid. God maakt ook in de betekenis van vernieuwen: hij maakt heel, hij verlost en herschept. Hij werkt aan een volmaakte nieuwe hemel en aarde. En alles betekent ook dat God niet alleen het grote maar ook het kleine maakt. Niet alleen die grote wereld maar ook mijn kleine bestaan. Ook mijn geloof is uiteindelijk een genadige gift van God.

Maar wat baat het u nu, dat gij dit alles gelooft?

Door het geloof ben ik zalig. En daar laat ik het maar bij. Het probleem met deze vraag is wat het woord ‘baten’ tegenwoordig allemaal oproept. Het plaatst het geloof in het kader van de opbrengsten. In een tijd die de geest ademt van opbrengstgericht werken en opbrengstgericht onderwijs zou ik niet graag willen praten over opbrengstgericht geloof. Beter lijkt me te mediteren over wat het betekent zalig te wezen.

Mist u nog een vraag?

De vraag die ik zou willen toevoegen is deze:

Is het noodzakelijk mijn geloof te oefenen in een geloofsgemeenschap?

Ja, dat is noodzakelijk. Het geloof wordt geboren in een gemeenschap van mensen. Geloof is een genadige gift van God, maar hoe kan het je ooit gegeven worden als niemand het je laat zien? Een hoogst individuele godsdienstoefening volstaat, wanneer ik het van generlei waarde acht dat het geloof in leven blijft in een volgende generatie. Maar precies dit is inherent aan geloof: dat God zich wil verbinden met íedereen, ook met ons kroost. En daarom zoekt de gelovige de gemeenschap van gelovigen op. Niet in de eerste plaats voor zichzelf, maar voor de ander. Dat is noodzakelijke genade.