Belijdenis doen: waarvoor, waarover, voor wie?

OnderWeg-mockup-nummer-4Dit artikel is gepubliceerd in OnderWeg, 2015, jaargang 1, nummer 4, pp. 8-11. OnderWeg is een tweewekelijks kerkelijk magazine voor gemeenteleden binnen de Nederlands Gereformeerde Kerken (NGK) en de Gereformeerde Kerken (vrijgemaakt) (GKv).

Het artikel is onderdeel van een themanummer van OnderWeg dat geheel is gewijd aan de thematiek van belijdenis doen. Bij het artikel in OnderWeg zijn tevens cijfers gepubliceerd over de ontwikkeling in het aantal mensen dat belijdenis deed in de NGK en GKv tussen 1984 en 2013. Verder wordt een aantal webtips en leestips gegeven. Voor het lezen van het hele nummer en toegang tot het cijfermateriaal: zie http://www.onderwegonline.nl

Waar is het goed voor, belijdenis doen? Waar gaat het eigenlijk over? En voor wie is het bedoeld? Een praktische analyse van deze vragen.

De vragen die ik hierboven stelde, weerspiegelen uiteenlopende ervaringen met de praktijk van belijdenis doen. Wat ik bijvoorbeeld meer dan eens van predikanten hoor, is dat het animo voor belijdenis doen afneemt. Dat heeft natuurlijk te maken met de terugloop van het aantal kerkgangers in het algemeen en jonge kerkgangers in het bijzonder, maar los daarvan is de indruk van predikanten dat er ook minder belang wordt gehecht aan de openbare belijdenis van het geloof. Belijdenis doen: waar is het goed voor?
Een andere ervaring die ik tegenkom, is dat zich soms geheel onverwacht een hele groep jonge mensen aanmeldt voor het doen van belijdenis. De predikant denkt: jullie?! En bekomen van de eerste verbazing wordt de belijdeniscatechese opgestart. Belijdenis doen: voor wie is het eigenlijk?
Tot slot kom ik predikanten tegen die geconfronteerd worden met vragen als: Waar moet ik het over hebben in de belijdeniscatechese? Welke onderwerpen breng ik ter sprake? Wat mag niet gemist worden? Wat zijn de wezenlijke vragen die ik moet agenderen? Oftewel: belijdenis doen: waar gaat het over?

Waar is het goed voor?
In 2011 organiseerden de jongerenorganisaties HGJB en JOP een symposium over belijdenis doen. De achtergrond was de terugloop van het aantal belijdenissen in de protestantse kerken. Centraal stond de vraag of de openbare geloofsbelijdenis een achterhaald fenomeen is.
Die vraag is sindsdien niet minder actueel geworden. Vaak wordt daarbij genoemd dat jongeren zich tegenwoordig maar moeilijk verbinden aan een geloofsgemeenschap. Maar is dat inderdaad waar belijdenis doen over gaat en waar het goed voor is?
De kerkorde van de Protestantse Kerk in Nederland noemt vier motieven om belijdenis te doen. Je doet het om de doop te ontvangen of te beamen, om van de Heer te getuigen, om medeverantwoordelijkheid te dragen in de gemeente van Christus en om te blijven bij de gemeenschap van Woord en sacramenten.
Dat is dus meer dan een persoonlijke geloofsbelijdenis van de Drie-enige God en een belofte om van Hem te getuigen. Je spreekt ook de intentie uit om verantwoordelijkheid te dragen in Gods koninkrijk en de christelijke gemeente en je doet een belofte van trouw aan de persoonlijke en gezamenlijke godsdienstoefening. Verder herinnert het mensen die als kind gedoopt zijn aan hun doop en daagt het hen uit om die te beamen. Je bent niet in de eerste plaats een individu, maar onderdeel van het lichaam van Christus, delend in het verbond. Ons geloof is een gemeenschappelijk geloof en een geloof dat in de gemeenschap betekenis krijgt en zeggingskracht heeft. De beaming van de doop geeft daar uitdrukking aan.
De vraag waar openbare geloofsbelijdenis goed voor is, kan dus beantwoord worden met vier kernwoorden: doop (ontvangen of beamen), getuigenis, verantwoordelijkheid en trouw. Overigens speelt in een deel van de kerkelijke praktijk ook de toelating tot het heilig avondmaal als motief mee.

Deze vier kernwoorden zijn terug te horen in de persoonlijke motivaties van belijdeniscatechisanten. Hieronder geef ik er vier die meer dan eens te horen zijn:
• ‘Ik wil belijdenis doen omdat ik mijn doop als kind wil beantwoorden. Mijn ouders kozen ervoor om mij bij God te brengen en in de doop koos God ervoor om mijn Vader te zijn. Nu is het moment dat ik zelf graag ja wil zeggen tegen God, zodat het echt mijn eigen keuze is.’
• ‘Ik wil belijdenis doen om aan de gemeente en iedereen die het maar wil horen te laten zien dat ik geloof in God. Ik wil het niet voor mezelf houden, maar er openlijk voor uitkomen.’
• ‘Ik wil belijdenis doen omdat ik zo dankbaar ben voor wat ik allemaal heb ontvangen in onze kerk. Natuurlijk mijn ouders, maar ook de mensen van de crèche, de leiding van de club. Ze hebben altijd zo veel gedaan voor ons als jongeren. Ik wil nu graag zelf verantwoordelijkheid nemen in de kerk, omdat ik heb ervaren hoe belangrijk dat voor me is geweest.’
• ‘Ik wil belijdenis doen omdat ik het gevoel heb ik dat ik echt niets anders wil dan te geloven en bij de kerk te horen. Ik heb best vaak momenten gehad dat ik er niets van wilde weten of dat het op een laag pitje stond. Maar nu wil ik ervoor gaan.’

Waar gaat het over?
De woorden doop, getuigenis, verantwoordelijkheid en trouw geven direct ook een antwoord op de vraag waar belijdenis doen en belijdeniscatechese over gaan. Welke inhouden zouden centraal moeten staan in de belijdeniscatechese?
• De doop: Welke kracht gaat uit van de doop in mijn leven? Wat betekent het om te leven uit Gods beloften? En om te leven naar zijn geboden?
• Getuigen: Wat is dat? Waarom zou ik het doen? Hoe doe ik dat al en hoe kan ik dat gaan doen?
• Verantwoordelijkheid dragen: Wat zijn mijn gaven die betekenis hebben voor de opbouw van de gemeente van Christus? Hoe kunnen deze ingezet worden en hoe doe ik dat al? Wat heeft mijn gemeente nodig?
• Trouw zijn: Hoe kan ik een nieuwe schakel zijn in de geloofstraditie van mijn gemeente? Wat betekent trouw concreet voor mij? Waarom is dat belangrijk? Hoe houd ik dat vol?

Hieruit blijkt wel dat de verbinding aan de geloofsgemeenschap inderdaad een belangrijk aspect van belijdenis doen is. Daarbij kan het gaan om een verbinding aan het geloof van de geloofsgemeenschap (dat houdt verband met doop en getuigenis) en een verbinding aan de geloofspraktijken van de geloofsgemeenschap (dat houdt verband met verantwoordelijkheid en trouw). Hoe kan in dat licht de moeite die vooral jongeren hebben om zich te verbinden aan de geloofsgemeenschap begrepen worden?
Vaak wordt gezegd dat de afnemende betrokkenheid van jongeren bij instituten als de kerk de oorzaak is van de terugloop in het aantal belijdenissen. Ongebondenheid, individualiteit en lossere vormen van gemeenschap passen meer bij jongeren van nu. Dat is een fenomeen dat ook opgaat voor politieke partijen en vakbonden. Ik denk dat dat een belangrijk punt is, maar het is niet het hele verhaal. Het afzien van belijdenis doen zegt namelijk ook iets over de betekenis die jongeren geven aan geloven en geloofspraktijken.
Moeite of schroom om je te verbinden aan een geloofsgemeenschap kan te maken hebben met de doop: de dooppraktijken in de gemeente, de geldende dooptheologie, de wijze waarop in de geloofsgemeenschap wordt aangekeken tegen geloven als gave en geloven als persoonlijke keuze enzovoort. Iemand zegt bijvoorbeeld: ‘Officieel belijdenis doen is toch niet iets wat in de Bijbel staat? Dopen wel, maar dat word je bij ons al als kind. Ik vind het allemaal ingewikkeld, ik heb er niet veel mee.’
De moeite of schroom kan ook te maken hebben met het getuigenis. Wat is eigenlijk het getuigenis in de plaatselijke gemeente waartoe ik behoor? Is dat wel een getuigenis? Is dat ook mijn getuigenis? En hoe radicaal mag of moet het zijn? Jongeren hebben een goede antenne als het gaat om integriteit. ‘Moet je eens kijken wat een rommeltje de mensen er hier van maken. Ik weet niet of ik in deze kerk wel verder wil.’
Moeite of schroom kan tot slot ook betrekking hebben op de geloofspraktijken van de gemeenschap. Wil ik wel verantwoordelijkheid dragen voor praktijken waar ik niet helemaal achter kan staan? Wordt er in de gemeente eigenlijk wel een beroep gedaan op mijn gaven of doet men dat liever niet? Kan ik het wel waarmaken om trouw te beloven? Of nog een gedachte: belijdenis doen als toegangspoortje tot het avondmaal, dat is toch te zot voor woorden? Is het geloof niet voldoende om avondmaal te vieren? Moet je eerst verplicht belijdenis doen?
Dit zijn een heleboel vragen. Maar die komen niet zozeer op uit een streven naar ongebondenheid. Ze komen juist voort uit het actieve zoeken van jongeren naar de betekenis van het geloof en de geloofspraktijken in hun kerken. Zo bezien is de kritische vraag aan kerken: biedt belijdenis doen voldoende ruimte voor persoonlijke en soms kritische geloofsgetuigenissen? Of is belijdenis doen vooral een inwijding in de status quo? Want zo kan het gaan functioneren. Het wordt dan een fase waar aan de ene kant je loyaliteit aan de geloofsgemeenschap nog eens extra wordt gevraagd en aan de andere kant alle kritische vragen ten aanzien van kerk en geloven op zijn best netjes worden aangehoord en op zijn slechtst worden genegeerd.
Dat brengt ons bij de vraag: voor wie is het eigenlijk, belijdenis doen? Is het voor de (jonge) gemeenteleden die netjes in de pas lopen? Of is het voor de ‘out of the box’-types? Voor wie?

Voor wie is het eigenlijk?
Soms meldt zich een hele groep jonge mensen aan voor het doen van belijdenis. Jongeren van wie je denkt: Hoe kan dat nou? Zij waren toch niet allemaal zo serieus bezig met het geloof? En ze lieten zich toch niet al te vaak zien in de kerkdiensten?
Toch komen ze. Om belijdenis te doen. Omdat ze kennelijk ruimte ervaren om er te zijn, met hun vragen en hun overtuigingen, en vooral met elkaar. Want deze jongeren voelen zich als vriendengroep zeer verbonden met elkaar. Ze vormen met elkaar een gemeenschap, die hun veiligheid biedt om persoonlijke, soms kritische vragen en getuigenissen in te brengen. Met deze groep staan zij in de grotere geloofsgemeenschap, waar van alles van te denken en op aan te merken is. Alleen zo, als groep, kan kennelijk de stap naar belijdeniscatechese gemaakt worden.
Het lijkt mij hierom de belangrijkste uitdaging voor kerken om rondom belijdenis doen het idee van ‘inwijding’ in balans te houden met de individuele zoektocht en het individuele getuigenis van (jonge) mensen. Belijdenis doen heeft aan de ene kant alles te maken met het onderdeel worden van een kerk, een geloofsgemeenschap, inclusief het kennisnemen van de gebruiken en de verwachtingen. Aan de andere kant heeft belijdenis doen ook alles te maken met een persoonlijke weg en een persoonlijk getuigenis, inclusief de ‘aanklacht’ tegen gebruiken en praktijken die niet passen bij de roeping van de christelijke gemeente en inclusief andere, soms conflicterende verwachtingen ten aanzien van de geloofsgemeenschap. De uitdaging is om ook die laatste kant voluit te honoreren bij belijdenis doen. Belijdeniscatechisanten zijn een belangrijke spiegel voor de gemeente. Wordt er ook op deze manier uitgezien naar hen die belijdenis willen doen?
Om die spiegelfunctie een kans te bieden, kunnen vriendengroepen of andere kleine groepen binnen de geloofsgemeenschap behulpzaam zijn. Het stimuleren, aanmoedigen en ondersteunen van kleine gemeenschappen binnen de kerk is dus van vitaal belang. Het kan de veiligheid bieden die mensen nodig hebben voor hun persoonlijke zoektocht.
Belijdenis doen is zowel een inwijding als een persoonlijke zoektocht. En in die combinatie is belijdenis doen altijd een praktijk waarbij het geloven en de geloofspraktijken van de gemeente niet alleen worden uitgelegd en doorgegeven, maar ook worden vernieuwd en gerevitaliseerd door de kritische inbreng van individuele belijdeniscatechisanten serieus te nemen.

Jos de Kock is godsdienstpedagoog en werkzaam als universitair docent educatie en catechetiek aan de Protestantse Theologische Universiteit.

Advertenties