veel te doen om belijdenis doen

Op donderdag 4 juni 2015 houdt de HGJB een symposium over belijdenis doen onder de titel “Te jong om ja te zeggen?”. Ik mag daar als een van de sprekers een bijdrage aan leveren. Achtergrond voor mijn bijdrage vormt het artikel in Onderweg van een aantal weken terug: Belijdenis doen: waarvoor, waarover, voor wie? In EO Visie en in ND verschijnen deze week interviews over het thema belijdenis doen. De vraag naar de ‘ideale leeftijd’ komt in beide aan bod. Hieronder het interview in EO Visie. En via deze link is het interview in ND te lezen.eo visie

Advertenties

Belijdenis doen: waarvoor, waarover, voor wie?

OnderWeg-mockup-nummer-4Dit artikel is gepubliceerd in OnderWeg, 2015, jaargang 1, nummer 4, pp. 8-11. OnderWeg is een tweewekelijks kerkelijk magazine voor gemeenteleden binnen de Nederlands Gereformeerde Kerken (NGK) en de Gereformeerde Kerken (vrijgemaakt) (GKv).

Het artikel is onderdeel van een themanummer van OnderWeg dat geheel is gewijd aan de thematiek van belijdenis doen. Bij het artikel in OnderWeg zijn tevens cijfers gepubliceerd over de ontwikkeling in het aantal mensen dat belijdenis deed in de NGK en GKv tussen 1984 en 2013. Verder wordt een aantal webtips en leestips gegeven. Voor het lezen van het hele nummer en toegang tot het cijfermateriaal: zie http://www.onderwegonline.nl

Waar is het goed voor, belijdenis doen? Waar gaat het eigenlijk over? En voor wie is het bedoeld? Een praktische analyse van deze vragen.

De vragen die ik hierboven stelde, weerspiegelen uiteenlopende ervaringen met de praktijk van belijdenis doen. Wat ik bijvoorbeeld meer dan eens van predikanten hoor, is dat het animo voor belijdenis doen afneemt. Dat heeft natuurlijk te maken met de terugloop van het aantal kerkgangers in het algemeen en jonge kerkgangers in het bijzonder, maar los daarvan is de indruk van predikanten dat er ook minder belang wordt gehecht aan de openbare belijdenis van het geloof. Belijdenis doen: waar is het goed voor?
Een andere ervaring die ik tegenkom, is dat zich soms geheel onverwacht een hele groep jonge mensen aanmeldt voor het doen van belijdenis. De predikant denkt: jullie?! En bekomen van de eerste verbazing wordt de belijdeniscatechese opgestart. Belijdenis doen: voor wie is het eigenlijk?
Tot slot kom ik predikanten tegen die geconfronteerd worden met vragen als: Waar moet ik het over hebben in de belijdeniscatechese? Welke onderwerpen breng ik ter sprake? Wat mag niet gemist worden? Wat zijn de wezenlijke vragen die ik moet agenderen? Oftewel: belijdenis doen: waar gaat het over?

Waar is het goed voor?
In 2011 organiseerden de jongerenorganisaties HGJB en JOP een symposium over belijdenis doen. De achtergrond was de terugloop van het aantal belijdenissen in de protestantse kerken. Centraal stond de vraag of de openbare geloofsbelijdenis een achterhaald fenomeen is.
Die vraag is sindsdien niet minder actueel geworden. Vaak wordt daarbij genoemd dat jongeren zich tegenwoordig maar moeilijk verbinden aan een geloofsgemeenschap. Maar is dat inderdaad waar belijdenis doen over gaat en waar het goed voor is?
De kerkorde van de Protestantse Kerk in Nederland noemt vier motieven om belijdenis te doen. Je doet het om de doop te ontvangen of te beamen, om van de Heer te getuigen, om medeverantwoordelijkheid te dragen in de gemeente van Christus en om te blijven bij de gemeenschap van Woord en sacramenten.
Dat is dus meer dan een persoonlijke geloofsbelijdenis van de Drie-enige God en een belofte om van Hem te getuigen. Je spreekt ook de intentie uit om verantwoordelijkheid te dragen in Gods koninkrijk en de christelijke gemeente en je doet een belofte van trouw aan de persoonlijke en gezamenlijke godsdienstoefening. Verder herinnert het mensen die als kind gedoopt zijn aan hun doop en daagt het hen uit om die te beamen. Je bent niet in de eerste plaats een individu, maar onderdeel van het lichaam van Christus, delend in het verbond. Ons geloof is een gemeenschappelijk geloof en een geloof dat in de gemeenschap betekenis krijgt en zeggingskracht heeft. De beaming van de doop geeft daar uitdrukking aan.
De vraag waar openbare geloofsbelijdenis goed voor is, kan dus beantwoord worden met vier kernwoorden: doop (ontvangen of beamen), getuigenis, verantwoordelijkheid en trouw. Overigens speelt in een deel van de kerkelijke praktijk ook de toelating tot het heilig avondmaal als motief mee.

Deze vier kernwoorden zijn terug te horen in de persoonlijke motivaties van belijdeniscatechisanten. Hieronder geef ik er vier die meer dan eens te horen zijn:
• ‘Ik wil belijdenis doen omdat ik mijn doop als kind wil beantwoorden. Mijn ouders kozen ervoor om mij bij God te brengen en in de doop koos God ervoor om mijn Vader te zijn. Nu is het moment dat ik zelf graag ja wil zeggen tegen God, zodat het echt mijn eigen keuze is.’
• ‘Ik wil belijdenis doen om aan de gemeente en iedereen die het maar wil horen te laten zien dat ik geloof in God. Ik wil het niet voor mezelf houden, maar er openlijk voor uitkomen.’
• ‘Ik wil belijdenis doen omdat ik zo dankbaar ben voor wat ik allemaal heb ontvangen in onze kerk. Natuurlijk mijn ouders, maar ook de mensen van de crèche, de leiding van de club. Ze hebben altijd zo veel gedaan voor ons als jongeren. Ik wil nu graag zelf verantwoordelijkheid nemen in de kerk, omdat ik heb ervaren hoe belangrijk dat voor me is geweest.’
• ‘Ik wil belijdenis doen omdat ik het gevoel heb ik dat ik echt niets anders wil dan te geloven en bij de kerk te horen. Ik heb best vaak momenten gehad dat ik er niets van wilde weten of dat het op een laag pitje stond. Maar nu wil ik ervoor gaan.’

Waar gaat het over?
De woorden doop, getuigenis, verantwoordelijkheid en trouw geven direct ook een antwoord op de vraag waar belijdenis doen en belijdeniscatechese over gaan. Welke inhouden zouden centraal moeten staan in de belijdeniscatechese?
• De doop: Welke kracht gaat uit van de doop in mijn leven? Wat betekent het om te leven uit Gods beloften? En om te leven naar zijn geboden?
• Getuigen: Wat is dat? Waarom zou ik het doen? Hoe doe ik dat al en hoe kan ik dat gaan doen?
• Verantwoordelijkheid dragen: Wat zijn mijn gaven die betekenis hebben voor de opbouw van de gemeente van Christus? Hoe kunnen deze ingezet worden en hoe doe ik dat al? Wat heeft mijn gemeente nodig?
• Trouw zijn: Hoe kan ik een nieuwe schakel zijn in de geloofstraditie van mijn gemeente? Wat betekent trouw concreet voor mij? Waarom is dat belangrijk? Hoe houd ik dat vol?

Hieruit blijkt wel dat de verbinding aan de geloofsgemeenschap inderdaad een belangrijk aspect van belijdenis doen is. Daarbij kan het gaan om een verbinding aan het geloof van de geloofsgemeenschap (dat houdt verband met doop en getuigenis) en een verbinding aan de geloofspraktijken van de geloofsgemeenschap (dat houdt verband met verantwoordelijkheid en trouw). Hoe kan in dat licht de moeite die vooral jongeren hebben om zich te verbinden aan de geloofsgemeenschap begrepen worden?
Vaak wordt gezegd dat de afnemende betrokkenheid van jongeren bij instituten als de kerk de oorzaak is van de terugloop in het aantal belijdenissen. Ongebondenheid, individualiteit en lossere vormen van gemeenschap passen meer bij jongeren van nu. Dat is een fenomeen dat ook opgaat voor politieke partijen en vakbonden. Ik denk dat dat een belangrijk punt is, maar het is niet het hele verhaal. Het afzien van belijdenis doen zegt namelijk ook iets over de betekenis die jongeren geven aan geloven en geloofspraktijken.
Moeite of schroom om je te verbinden aan een geloofsgemeenschap kan te maken hebben met de doop: de dooppraktijken in de gemeente, de geldende dooptheologie, de wijze waarop in de geloofsgemeenschap wordt aangekeken tegen geloven als gave en geloven als persoonlijke keuze enzovoort. Iemand zegt bijvoorbeeld: ‘Officieel belijdenis doen is toch niet iets wat in de Bijbel staat? Dopen wel, maar dat word je bij ons al als kind. Ik vind het allemaal ingewikkeld, ik heb er niet veel mee.’
De moeite of schroom kan ook te maken hebben met het getuigenis. Wat is eigenlijk het getuigenis in de plaatselijke gemeente waartoe ik behoor? Is dat wel een getuigenis? Is dat ook mijn getuigenis? En hoe radicaal mag of moet het zijn? Jongeren hebben een goede antenne als het gaat om integriteit. ‘Moet je eens kijken wat een rommeltje de mensen er hier van maken. Ik weet niet of ik in deze kerk wel verder wil.’
Moeite of schroom kan tot slot ook betrekking hebben op de geloofspraktijken van de gemeenschap. Wil ik wel verantwoordelijkheid dragen voor praktijken waar ik niet helemaal achter kan staan? Wordt er in de gemeente eigenlijk wel een beroep gedaan op mijn gaven of doet men dat liever niet? Kan ik het wel waarmaken om trouw te beloven? Of nog een gedachte: belijdenis doen als toegangspoortje tot het avondmaal, dat is toch te zot voor woorden? Is het geloof niet voldoende om avondmaal te vieren? Moet je eerst verplicht belijdenis doen?
Dit zijn een heleboel vragen. Maar die komen niet zozeer op uit een streven naar ongebondenheid. Ze komen juist voort uit het actieve zoeken van jongeren naar de betekenis van het geloof en de geloofspraktijken in hun kerken. Zo bezien is de kritische vraag aan kerken: biedt belijdenis doen voldoende ruimte voor persoonlijke en soms kritische geloofsgetuigenissen? Of is belijdenis doen vooral een inwijding in de status quo? Want zo kan het gaan functioneren. Het wordt dan een fase waar aan de ene kant je loyaliteit aan de geloofsgemeenschap nog eens extra wordt gevraagd en aan de andere kant alle kritische vragen ten aanzien van kerk en geloven op zijn best netjes worden aangehoord en op zijn slechtst worden genegeerd.
Dat brengt ons bij de vraag: voor wie is het eigenlijk, belijdenis doen? Is het voor de (jonge) gemeenteleden die netjes in de pas lopen? Of is het voor de ‘out of the box’-types? Voor wie?

Voor wie is het eigenlijk?
Soms meldt zich een hele groep jonge mensen aan voor het doen van belijdenis. Jongeren van wie je denkt: Hoe kan dat nou? Zij waren toch niet allemaal zo serieus bezig met het geloof? En ze lieten zich toch niet al te vaak zien in de kerkdiensten?
Toch komen ze. Om belijdenis te doen. Omdat ze kennelijk ruimte ervaren om er te zijn, met hun vragen en hun overtuigingen, en vooral met elkaar. Want deze jongeren voelen zich als vriendengroep zeer verbonden met elkaar. Ze vormen met elkaar een gemeenschap, die hun veiligheid biedt om persoonlijke, soms kritische vragen en getuigenissen in te brengen. Met deze groep staan zij in de grotere geloofsgemeenschap, waar van alles van te denken en op aan te merken is. Alleen zo, als groep, kan kennelijk de stap naar belijdeniscatechese gemaakt worden.
Het lijkt mij hierom de belangrijkste uitdaging voor kerken om rondom belijdenis doen het idee van ‘inwijding’ in balans te houden met de individuele zoektocht en het individuele getuigenis van (jonge) mensen. Belijdenis doen heeft aan de ene kant alles te maken met het onderdeel worden van een kerk, een geloofsgemeenschap, inclusief het kennisnemen van de gebruiken en de verwachtingen. Aan de andere kant heeft belijdenis doen ook alles te maken met een persoonlijke weg en een persoonlijk getuigenis, inclusief de ‘aanklacht’ tegen gebruiken en praktijken die niet passen bij de roeping van de christelijke gemeente en inclusief andere, soms conflicterende verwachtingen ten aanzien van de geloofsgemeenschap. De uitdaging is om ook die laatste kant voluit te honoreren bij belijdenis doen. Belijdeniscatechisanten zijn een belangrijke spiegel voor de gemeente. Wordt er ook op deze manier uitgezien naar hen die belijdenis willen doen?
Om die spiegelfunctie een kans te bieden, kunnen vriendengroepen of andere kleine groepen binnen de geloofsgemeenschap behulpzaam zijn. Het stimuleren, aanmoedigen en ondersteunen van kleine gemeenschappen binnen de kerk is dus van vitaal belang. Het kan de veiligheid bieden die mensen nodig hebben voor hun persoonlijke zoektocht.
Belijdenis doen is zowel een inwijding als een persoonlijke zoektocht. En in die combinatie is belijdenis doen altijd een praktijk waarbij het geloven en de geloofspraktijken van de gemeente niet alleen worden uitgelegd en doorgegeven, maar ook worden vernieuwd en gerevitaliseerd door de kritische inbreng van individuele belijdeniscatechisanten serieus te nemen.

Jos de Kock is godsdienstpedagoog en werkzaam als universitair docent educatie en catechetiek aan de Protestantse Theologische Universiteit.

Roep om eigentijdse catechese is altijd actueel

gggHieronder volgt een deel van een trendartikel over catechese dat verscheen in het Reformatorisch Dagblad van 13 september 2014. In dit deel kom ik aan het woord over ontwikkelingen in catechesepraktijken in de protestantse kerken. Het hele artikel, met daarin ook interviews met ds. Wielie Elhorst (JOP) en ds. Schot (Gereformeerde Gemeenten) is hier te vinden

 

Door Albert-Jan Regterschot

Eigentijdse catechisatiemethoden: ze zijn er altijd geweest. Aandacht voor kennisoverdracht keert ook in iedere generatie terug. Antwoorden op de vraag hoe de praktijk van de catechese er anno 2014 uitziet, of wat recente ontwikkelingen zijn, zijn dan ook niet eenduidig te geven.

Hij zoekt even naar woorden om de spanning aan te duiden tussen twee belangrijke thema’s bij de catechese: de aandacht voor kennisoverdracht enerzijds en aandacht voor jongeren anderzijds. Het liefst kiest dr. Jos de Kock, universitair docent educatie en catechetiek aan de Protestantse Theologische Universiteit (PThU), niet voor een van deze twee. Maar als het dan toch moet? „Dan ga ik voor het serieus nemen van vragen van jongeren.”

De meest over het hoofd geziene vraag in de kerk, zo noemt hij het: de vraag of God bestaat. De Kock: „Je kunt zeggen: het gaat bij catechese over kennisoverdracht. Dat een belangrijk onderdeel. Maar als catecheet moet je weten wat er leeft onder jongeren. Het moet mogelijk zijn dat jongeren met de vraag komen: Bestaat God? Als catechese alleen eenrichtingsverkeer is, in het overdragen van de kerkelijke leer, en je ziet zo’n cruciale vraag van jongeren over het hoofd, dan is er iets mis.”

Aan de vooravond van de start van catechese en winterwerk in veel kerkelijke gemeenten concludeert De Kock dat er een breed palet van ontwikkelingen zichtbaar is op het terrein van de catechese. Dat maakt het ook lastig om over ”de catechese” te spreken, legt hij uit. „Wat bij de ene kerk als nieuw gepresenteerd wordt, is bij de andere al achterhaald en andersom.”

Door de eeuwen heen is er al sprake van een behoefte om de catechese ”eigentijds” te laten zijn, stelt de onderzoeker. „Er kan een valse tegenstelling worden geschapen tussen wat de klassieke catechese heet, waarbij kennisoverdracht centraal staat, en eigentijdse catechese. Kennisoverdracht komt namelijk net zo goed terug in iets eigentijds als de Alpha-cursus, waarbij mensen vertrouwd worden gemaakt met begrippen uit het christelijke geloof. Er is ook een groep predikanten aan het nadenken over een nieuwe catechismus. Dat is heel stoer en eigentijds, maar het gaat wel degelijk over kennisoverdracht. Het is denk ik eigen aan het christendom om telkens opnieuw de vraag te stellen: Waarover hebben we het in de kerk?”

Doelgroep

De aandacht voor wat er leeft onder catechisanten is vooral in ontwikkeling omdat de doelgroep verandert, zegt De Kock. Binnen de kerk komt dat doordat jongeren in het gezin en op school lang niet altijd meer vertrouwd worden gemaakt met de Bijbel en kernbegrippen uit het christelijk geloof. Aan de rand van de kerk zijn er nieuwe toetreders, onder meer in missionaire gemeenten. „In pioniersplekken kun je niet volstaan met het overdragen van waarheden. Het begint met het zoeken van aangrijpingspunten in het leven van mensen, en aan de hand daarvan samen kijken naar hoe God en geloven hiermee in verband kunnen staan.”

Volgens de PThU-docent leeft in de breedte van de kerk het besef dat catechese een van de kurken is waarop de gemeenten drijven. „Ik ontmoet veel predikanten bij nascholingen. De vraag hoe op een goede manier aan kennisoverdracht kan worden gedaan, en wat kernthema’s zijn, leeft bij vrijwel iedereen.”

Leer en leven

De Kock ziet in de Protestantse Kerk in Nederland dat de aandacht voor catechese steeds breder wordt getrokken „dan het wekelijkse lesuurtje in een zaaltje bij de kerk op dinsdagavond. Het besef groeit dat geloofsleren gestalte krijgt in het leven van alledag. Dat betekent enerzijds midden in de samenleving staan om met anderen Gods handelen te zien en te erkennen. Anderzijds is het van belang dat de kerkelijke gemeente een plaats is waar je kunt leren, waar het dagelijkse en het kerkelijke leven worden geduid. Het bijbrengen van Bijbelkennis en discussiëren over het geloof kunnen bijdragen aan het samen leren van en over God.”

Daarnaast is het volgens hem van belang dat kerken onderkennen dat de rol van ouders bij geloofsonderwijs groter wordt. „We hebben in Nederland een lange tijd achter de rug waarin geloofsopvoeding is uitbesteed aan de predikant, de catecheet, de onderwijzer of de godsdienstleraar. Waar die rol wegvalt, komt bij ouders de vraag op hoe ze gestalte kunnen geven aan geloofsopvoeding. De kerkelijke catechese en de huiselijke geloofsopvoeding vallen steeds meer samen.”

Zeker in de rechterflank van de gereformeerde gezindte wordt het belang van kennisoverdracht tijdens de catechese benadrukt. Terecht?

„Leren behoort tot het wezen van de kerk. Maar kennis laten ontstaan bij jongeren over de Bijbel, de leer en de traditie is één ding. De ervaring van Gods werk, van gemeenschap en liefde en een element zoals de houding van een christen, zijn ook belangrijk. Ik denk dat de roep om kennis over te dragen gebaseerd kan zijn op de ervaring dat bepaalde kennis afwezig is. Het is op zich goed om daar aandacht aan te schenken, maar niet eenzijdig. De christelijke gemeente bestaat uit meer dan alleen kennis.”

Hoe kan daar in de catechese ruimte voor worden gemaakt?

„Bijvoorbeeld door praktisch dienstbaar te zijn aan mensen buiten de eigen gemeenschap. Dat vergt dat je met een andere blik kijkt naar de invulling van het begrip catechese. Als het gaat om de ander dienen, dan is dat ook zeker iets wat op jongeren kan worden overgedragen.”

U bepleit aandacht voor vragen rond het bestaan van God. Hoe kan een catecheet dat aanpakken?

„In ieder geval niet door in alle gevallen meteen met allerlei bewijzen te komen dat God bestaat. Diep zo’n vraag eerst eens samen uit. Wat zijn de feitelijke verlangens en behoeften van jongeren? Overdenk vanuit dat perspectief thema’s over God en de Bijbel. Dan moet je soms concluderen dat niet alle vragen zich sluitend laten beantwoorden. Dat is ook onderdeel van het geloofsleren.”

radiointerview over geloof en wetenschap

Op 19 mei 2014 interviewde Andries Knevel mij rond het thema ‘geloof en wetenschap’. Luister via de onderstaande link de radiouitzending:

radiointerview 

 

 

kinderen-jongeren-geloof-kerk: wat gebeurt er in onderzoeksland?

research fotoIn Christelijk Weekblad van 21 maart 2014 staat onderstaande bijdrage van mijn hand als voorschot op de studiedag Re-search & Re-act op 28 maart (http://www.ea.nl/researchreact)

Kerkelijk jeugdwerk kan profiteren van wetenschappelijk onderzoek. Er gebeurt op dat terrein van alles in binnen- en buitenland maar wat kan de jeugdwerker er in de praktijk mee? Jos de Kock neemt een voorschot op een studiedag over dat onderwerp.

Op 28 maart vindt in Ede de studiedag Re-search & Re-act plaats. In kort bestek worden daar de laatste onderzoeken op het gebied van jeugd en kerk gepresenteerd aan iedereen die betrokken is bij kinderen en jongeren en de kerk. Bovendien is er aandacht voor de vraag: wat kan ik ermee, als jongerenwerker, predikant, als ouder of als beleidsmaker?

Er komen niet minder dan twaalf onderzoekers aan het woord. Ik mag ingaan op de stand van zaken in onderzoek naar het brede thema van kinderen, jongeren, geloof en kerk. Kinderen in de kerk, jongeren en de toekomst van de kerk, de geloofsopvoeding in het gezin: het zijn geliefde onderwerpen op kerk- en geloofpagina’s, in programma’s en op websites van diverse christelijke media. Maar wat weten we er eigenlijk echt van?

Er is veel ervaringskennis en die is zonder meer van belang. Maar meer systematisch inzicht in de geloofsontwikkeling en geloofsopvoeding van kinderen en jongeren is ook nodig: dat kan dienstbaar zijn aan de praktijk van ouders, vrijwilligers en professionals in de kerk. Ik denk dat er nog ontzettend veel valt te ontdekken.

Wat valt er op dit moment op in onderzoeksland, nationaal en internationaal? Ik kan niet alles de revue laten passeren maar schets drie hoofdlijnen en selecteer daarbinnen een klein aantal voorbeelden van onderzoek.

Een eerste hoofdlijn is dat in internationale onderzoeksliteratuur veelvuldig geschreven wordt over de ‘theologie van jongeren en jongerenwerk’ met vaak het concept discipelschap als onderwerp. Verschillende auteurs proberen het werken met jongeren in de kerk te doordenken vanuit het discipel zijn van Jezus. Kerkelijk jongerenwerk zou dan gericht moeten zijn op het ontwikkelen van een christelijke levenswandel en levenshouding van jongeren.
Bij deze benadering past ook dat de jeugdleider een goed voorbeeld moet zijn: aan hem of haar moeten jongeren kunnen aflezen wat het volgen van Jezus concreet inhoudt.

In een tweede hoofdlijn treedt een aantal centrale thema’s van empirisch onderzoek op de voorgrond. Ik geef hier twee voorbeelden van die thema’s.
Veel onderzoeken leggen het belang bloot van het multisensorische karakter van geloven: niet alleen aandacht voor lezen, praten en denken maar ook concreet ervaren en doen. In dat kader wordt onderzoek gedaan naar de impact en werking van jongerenevents, zoals concerten en festivals, voor het geloven van jongeren. En hoe werken Taizé-vieringen of Passion-uitvoeringen uit op het geloof van jongeren?

Hoe je ook denkt over de vaak gehoorde oproep om meer ‘beleving’ in de kerk, beleving op zichzelf is erg belangrijk voor de geloofsontwikkeling van jongeren. Beleving gaat vaak niet zonder belichaming van geloof. Dat kunnen zichtbare voorbeeldgelovigen in de omgeving van kinderen en jongeren zijn, maar ook rituelen en vieringen in de kerk of het gezin. Zij laten ruimte voor ervaringen en het voelen en uiten van emoties.

Wat is de vormende werking van vieringen, of het nu gaat om een klassieke kerkdienst of een relipopfestival, en welke rol hebben deze in de geloofsontwikkeling van jongeren? Op welke wijze kunnen christelijke rituelen in het gezin gestalte geven aan de geloofsopvoeding?

De laatste vraag raakt aan een ander opvallend thema dat op steeds meer aandacht mag rekenen in het internationale onderzoeksveld: de rol van ouders en het gezinsleven voor de godsdienstige ontwikkeling van kinderen en tieners. Ouders zijn de primaire opvoeders van een nieuwe generatie en in het gezin vindt een belangrijk deel van het leren en geloofsleren plaats.

Daniëlle van de Koot-Dees kwam vorig jaar met een inzichtgevend proefschrift over de rol van geloven in de opvoeding in jonge gezinnen in Amsterdam. Dat onderzoek vraagt om een vervolg. Het belang van de geloofsopvoeding in het gezin neemt alleen maar toe waar in het algemeen de binding met de kerk als instituut afneemt. Hoe kunnen ouders en kerken op nieuwe manieren gestalte geven aan een leergemeenschap voor een nieuwe generatie?
In Nederland zijn relatief nieuwe praktijken als ‘Kerk op schoot’ en Godly Play voorbeelden om in dit kader verder te onderzoeken. Een aantal studenten aan de PThU geeft hier bijvoorbeeld al op kleine schaal uitvoering aan.

Een derde hoofdlijn is de constatering dat er globaal twee manieren zijn waarop het brede thema van kinderen, jongeren, geloof en kerk onderzoeksmatig wordt benaderd. In de eerste benaderingswijze is jongerenwerk ingebed in een kerkelijke geloofsgemeenschap. Voorbeelden hiervan is onderzoek naar catechesepraktijken. In Nederland is daar opvallend veel animo voor.

In de tweede benaderingswijze is jongerenwerk ingebed in universele zingevingsvragen. Vanuit een christelijk perspectief werken met kinderen en jongeren is een bijzondere manier om dienstbaar te zijn aan een nieuwe generatie die zoekt naar zin en betekenis in het leven. Deze benadering sluit een kerkelijke invulling van het jongerenwerk niet uit maar vraagt wel meer oog voor geloven en geloofsgemeenschappen die niet of minder institutioneel verbonden zijn. Een Nederlands onderzoek dat hieraan raakt is het onderzoek van Harmen van Wijnen naar de werking van zogenaamde small groups van jongeren.

Er is veel beweging in het kinder- en jongerenwerk in Nederlandse kerken en een groot aantal organisaties en bewegingen in en om de kerk investeren daarin. In diverse fora, denktanks en netwerken ontmoeten professionals in het kinder- en jongerenwerk elkaar en werken daar aan verbetering en vernieuwing van praktijken van geloofsopvoeding.

Er moet meer en structureel (academisch) onderzoek worden gedaan naar kinderen, jongeren, geloof en kerk. Dit kan gelijk oplopen met wetenschappelijke vorming van toekomstige predikanten en kerkelijk werkers en de beroepsgerichte vorming van alle professionals die zich willen specialiseren in deze thematiek.

Dr. A. de Kock is godsdienstpedagoog en universitair docent aan de Protestantse Theologische Universiteit (www. pthu.nl). Hij is onderzoeker bij het Onderzoekscentrum voor Jeugd, Kerk en Cultuur (www.ojkc.nl) en is hoofdredacteur van Journal of Youth & Theology (www.iasym.net)

 

OPROEP: Review van handboeken kinder- en jongerenwerk

OPROEP

Review van (hand)boeken kerkelijk of christelijk
geïnspireerd kinder- en jongerenwerkhandbook

Er is veel beweging in het kinder- en jongerenwerk in of vanuit kerken in Nederland. Een groot aantal organisaties en bewegingen in en om de kerk investeert daarin. In diverse fora, denktanks en netwerken ontmoeten professionals in het kinder- en jongerenwerk elkaar en werken daar aan verbetering en vernieuwing van praktijken van geloofsopvoeding, jeugdwerk, catechese, missionaire presentie, enzovoorts.

Verschillende (inspiratie)bronnen spelen een rol bij het werken als professional in het kerkelijk of christelijk geïnspireerd kinder- en jongerenwerk. Een van die bronnen zijn handboeken of anderszins inspirerende boeken op het gebied van kinderen/jongeren en de kerk of christelijk geïnspireerd kinder- en jongerenwerk.

Deze (hand)boeken bevatten vaak niet alleen goede ideeën en handvatten voor de praktijk maar communiceren daarnaast of daardoorheen ook allerhande (normatieve) uitgangspunten: theologische overwegingen, pedagogische principes, visies op God en mens, kindbeelden en cultuuropvattingen, enzovoorts. Bewustzijn van deze uitgangspunten is belangrijk voor het werk van de professional.

Deze uitgangspunten zijn nogal eens verborgen of impliciet aanwezig in een boek of handreiking. Daarnaast is er een grote variatie aan uitgangspunten te zien als je verschillende publicaties naast elkaar legt. Dat roept de vraag op of deze uitgangspunten, daar waar deze impliciet zijn, expliciet gemaakt kunnen worden en welke patronen al dan niet zijn te ontdekken in de verzameling (hand)boeken die voor professionals als belangrijke bron voor het kinder- en jongerenwerk functioneren.

Meer inzicht hierin is behulpzaam voor het werk en de opleiding van professionals in kinder- en jongerenwerk in en om de kerk. Daarnaast draagt het bij aan de wetenschappelijke reflectie op de thematiek van kinderen, jongeren, geloof en kerk.

Tegen deze achtergrond werk ik aan een systematische review van (hand)boeken op het gebied van kerkelijk of christelijk geïnspireerd kinder- en jongerenwerk. Het gaat om een internationale review maar met daarbinnen een bijzondere interesse voor (Nederlandse en buitenlandse/internationale publicaties) die een rol spelen in de Nederlandse context.

Met het oog hierop vraag ik iedereen die actief is in het kinder- en jongerenwerk in en om de kerk: welke (hand)boeken hebben jou in de praktijk van je werk tot nu toe in het bijzonder geïnspireerd? Is er een of een aantal boeken dat in het bijzonder behulpzaam is (geweest)?

Geef deze titels (en auteurs), als je wilt, dan aan mij door: via de mail adekock@pthu.nl, even snel via Twitter @josdekock of in een reactie onder deze blogpost. En het zou helemaal mooi zijn als je deze oproep verspreidt in je eigen netwerk.

Het mogen dus zowel Nederlandse publicaties als internationale publicaties zijn. Jouw inbreng helpt mij om een eerste inventarisatie van relevante (hand)boeken te maken en uiteindelijk helpt het ook om in het onderzoek aan te sluiten bij de bronnen die daadwerkelijk van betekenis zijn in het actuele kinder- en jongerenwerk.

Alvast zeer bedankt!

Jos de Kock.

Jos de Kock is als godsdienstpedagoog verbonden aan de Protestantse Theologische Universiteit (www.pthu.nl) en doet onderzoek op het snijvlak van kinderen, jongeren, geloof en kerk. Hij is Universitair Docent Educatie & Catechetiek en medewerker van het Onderzoekscentrum voor Jeugd, Kerk & Cultuur (www.ojkc.nl)

Een tijdperk zonder al te veel catechese

In het Nederlands Dagblad van 30 november 2013 schreef ik onderstaande bijdrage:

De Protestantse Kerk gaat, op verzoek van de synode, leerdoelen en een onderwijsprogramma voor
catechese opstellen. Dat is over de top. Het onderwijs aan een nieuwe generatie heeft andere
impulsen nodig.

De ‘beraadsgroep catechese’ had voor de synode de handreiking Een 10 voor catechese
opgesteld. De bespreking van dit stuk op de synode resulteerde in het verzoek om leerdoelen en
een onderwijsprogramma.

Dat is merkwaardig. De beraadsgroep pleitte helemaal niet voor centrale doelformulering en
programmering. In plaats daarvan legde ze de vinger bij het belang van het geheel van de
gemeente als leeromgeving en het belang van de persoon van de catecheet.

Want de betekenis van het instituut kerk valt meer en meer weg. Dan red je het niet meer met een
programma en een wekelijks uur catechese. Je moet het meer dan ooit hebben van een gemeenschap
om jongeren heen, van mensen die kunnen laten zien wat het betekent te geloven.

Gelukkig zijn er gemeenten met bloeiende catechesegroepen. Maar de indruk van de beraadsgroep is
dat in veel gemeenten de catechese steeds minder bezoekers trekt en dat het moeilijker wordt
mensen te vinden die er leiding aan willen geven.

Daar komt bij dat in veel gemeenten een nieuwe generatie van kinderen en tieners krimpt of zelfs
ontbreekt. En veel gelovige jongeren of jongeren die zoeken te geloven, binden zich maar
moeilijk aan een kerkgemeenschap. En dan zijn er ook nog de jongeren die zich aan of over de
‘rand van de kerk’ bevinden, en voor wie de kerk in missionaire zin graag iets betekent. Als
je dit plaatje op je af laat komen, dan zul je ook aan andere zaken moeten denken dan
catechese-initiatieven alleen.

Mijn observatie is dat jongeren, ‘in’ of ‘buiten’ de kerk, zich van het instituut kerk af bewegen. Zij blijven wel verlangen naar samenzijn. De beweging kan gaan in de richting van het zoeken en delen van geloof in een vriendengroep, op speciale avonden of weekenden (denk aan festivals en concerten) of gewoon in de huiselijke omgeving; op streetlevel, zo gezegd. Niet voor niets wordt het belang van de geloofsopvoeding door ouders thuis de laatste tijd breed benadrukt.

Het kan ook een beweging zijn in de richting van digitale gemeenschappen, in verbinding met het
wereldwijde christendom en charismatische representanten daarvan. Sociale media brengen die
dichterbij dan ooit.

De kansen voor godsdienstige vorming van een nieuwe generatie moeten dan ook in toenemende mate
gezocht worden in dit type gemeenschappen, die vaak losjes of niet verbonden zijn met het
instituut kerk en haar catecheseprogramma’s. Al deze – soms tijdelijke – gemeenschappen
zijn niet iets extra’s, iets leuks ‘voor erbij’; het zijn de nieuwe ruimten waarin de kerk
aan haar godsdienstige vorming gestalte kan en moet geven. Modelfiguren of
‘geloofsautoriteiten’ – iemand uit de kerk, een leraar op school, een vader, een moeder,
leeftijdgenoten – kunnen daarin als opvoeder een rol spelen.

Wat moet de rol van de kerk dan zijn? Wat voor verzoek zou de synode aan de Protestantse Kerk moeten doen? Twee dingen:

1. Ondersteun lokale kerken bij het vormen van ‘autoriteiten’ die vormend aanwezig kunnen
zijn. Jongeren zijn op zoek naar ankerpunten voor hun (godsdienstige) ontwikkeling: wat is waar,
wat is waardevol, wat is zin in het leven? Daarin kunnen autoriteiten – mensen aan wie je in
hun leven kunt zien wat waar, waardevol en zin is – een belangrijke rol vervullen.

Niet alleen ouders en catecheten, ook ieder ander in de geloofsgemeenschap is een opvoeder en is
in potentie een autoriteit. Zij kunnen dat zijn op streetlevel, maar ook via internet en sociale
media.

2. Ondersteun lokale kerken bij het voorzien in of ondersteunen van (nieuwe)
geloofsgemeenschappen voor jongeren die tegelijk pedagogische ruimten kunnen zijn. Kerken bieden
al eeuwenlang samenzijn en gemeenschap. Die is echter vaak georganiseerd in institutionele zin. Daar ontstaat steeds meer spanning. De kunst voor de kerk is: durf gemeenschappen van jongeren
te ondersteunen of op te zetten die met het instituut niet veel meer te maken hebben. En wees
daarin dienend aanwezig met onderwijs. Maak ook daarin de rijkdom van de kerk vruchtbaar.

Het vliegwiel van de godsdienstige vorming is dan niet een onderwijsprogramma of leerdoelen,
maar vooral de ontmoeting. Samen optrekken en samen leven, maar ook samen praten en nadenken over persoonlijke, maatschappelijke en levensbeschouwelijke vragen. De spanning tussen het verlangen van jongeren en het wenkende perspectief van het evangelie is het startpunt voor geloofsleren.

Er is op zichzelf niets mis met leerdoelen en een onderwijsprogramma – het is goud waard als daarmee in de praktijk gewerkt kan worden. Maar dat lukt steeds minder. Vandaar dit pleidooi.

De kerk hoeft daarbij niet bij nul te beginnen. Er zijn al veel praktijken waarin de leerfunctie
van de christelijke gemeente op een hernieuwde wijze gestalte krijgt. Denk aan een
(internationale) diaconale werkvakantie, waar intens geleerd wordt over Gods recht en
gerechtigheid. Of filmavonden, waar jongeren hun kijkervaringen delen en waar met wat
begeleiding de grote vragen over God en mens op tafel komen. Allemaal onderwijs in een tijdperk
zonder al te veel catechese.

Hoe de godsdienstpedagogiek mij bezighoudt

De godsdienstpedagogiek houdt mij bezig. Het boeit me en dat is niet verwonderlijk. Mijn werk speelt zich tenslotte grotendeels af binnen deze wetenschappelijke discipline. De godsdienstpedagogiek bestudeert de religieuze of levensbeschouwelijke opvoedingswerkelijkheid met het oog op wetenschappelijke theorievorming. Ik mag dat dagelijks doen vanuit een protestants christelijke traditie. Hoe houdt die godsdienstpedagogiek mij precies bezig?

De godsdienstpedagogiek als discipline heeft zich vaak geconcentreerd op de opvoedingswerkelijkheid in institutioneel verband: in de kerk, in het gelovige gezin of bijvoorbeeld binnen de christelijke school. De religieuze vormingspraktijk in Nederland wordt echter steeds minder gedomineerd door instituten. De religieuze vorming van nieuwe generaties voltrekt zich op vaak originele manieren en op originele plekken, onvoorspelbaar, niet alleen offline, ook online en vaker informeel en minder formeel. Dat wil niet zeggen dat de rol van instituten overal is uitgespeeld. Er zijn bijvoorbeeld nog veel kerkelijke gemeenschappen aan te wijzen waar volop catechese wordt gegeven en waar ouders gezamenlijk nadenken over de geloofsopvoeding van hun kinderen. In het Nederland van nu tref je dus een grote variëteit aan religieuze opvoedingswerkelijkheden en vormingscontexten aan.

In de afgelopen jaren heb ik met collega’s een aantal onderzoeken opgezet die meer inzicht moeten opleveren in die vormingspraktijken. Niet alleen onderzoeken naar catechesepraktijken in kerken en onderzoeken naar de religieuze vormingspraktijk op christelijke scholen; ook onderzoeken naar religieuze identiteitsontwikkeling van jongeren; deze laatste onderzoeken moeten bijvoorbeeld meer licht werpen op de relatieve rol van instituten in vergelijking met de relatieve rol van meer informele vormende factoren in het leven van opgroeiende jongeren.

Wat mij vooral boeit is hoe de praktijk van hedendaagse religieuze vorming vanuit een protestants christelijke traditie zich verhoudt tot twee belangrijke factoren in de samenleving van nu: in de eerste plaats een ‘seculiere wind’ die door de Nederlandse samenleving waait en in de tweede plaats de aanwezigheid van religieuze en levensbeschouwelijke diversiteit in die samenleving. Wat mij boeit is de godsdienstpedagogische reflectie op monoreligieuze vormingspraktijken in een context van seculariteit en multireligiositeit.

Wat mij boeit is de godsdienstpedagogische doordenking van nieuwe, uitdagende vormingspraktijken, bijvoorbeeld door te kijken naar processen van geloofsleren in straatwerk met jongeren. Wat mij boeit zijn nieuwe godsdienstpedagogische vragen, bijvoorbeeld: hoe verhoudt een toenemende digitalisering van de leefwereld (inclusief rol social media) zich tot het belang dat in toenemende mate wordt gehecht aan fysieke nabijheid en ‘embodiment’ (lichamelijkheid) bij religieuze leerprocessen? Samen met collega´s en werkers in het veld probeer ik meer inzicht te krijgen in deze thema´s en nieuw onderzoek van de grond te krijgen. Wat mij overigens ook boeit is de vormingscontext van de instelling waar ik zelf werk: een predikantsopleiding. Dit is in zekere zin ook een godsdienstpedagogische praktijk waar genoeg godsdienstpedagogische vragen over te stellen zijn.

Tot slot: de godsdienstpedagogiek boeit mij niet alleen op het vlak van het beschrijven van en inzicht verkrijgen in de opvoedingswerkelijkheid. De godsdienstpedagogiek boeit me eveneens doordat zij beargumenteerd idealen of normatieve uitgangspunten kan aanreiken voor de opvoedingswerkelijkheid. En dat is in het bijzonder zo boeiend omdat je in de praktijk steeds vaker op verlegenheid stuit ten aanzien van de vraag waar religieuze of levensbeschouwelijke vorming goed voor is.

Zo houdt de godsdienstpedagogiek mij bezig.

Onderzoek naar catechese – bericht voor de synode van de Protestantse Kerk

Komende zaterdag, 12 november 2011, buigt de synode van de Protestantse Kerk zich over de tweede voortgangsrapportage van de beraadsgroep voor de catechese

Het rapport ademt (hernieuwd) elan en enthousiasme voor catechese in de kerk. Dat mag dan ook wel, na een tijdperk waarin vooral over een crisis in de catechese werd gesproken. Het rapport verwoordt niet slechts een visie op catechese maar doet ook handreikingen aan opleiders en toerusters van catecheten en geeft een overzicht van de grote inzet van de uitvoeringsorganisaties JOP en HGJB op het gebied van catechese.

Wat verder opvalt in het rapport (hoewel: enigszins verstopt in Bijlage B.4.) is dat catechese als discipline ook impulsen krijgt in het academische onderzoek en onderwijs. En inderdaad: juist deze week werd bekend dat nog voor de kerst twee nieuwe promotieonderzoeken naar catechese en geloofsleren aan de PThU zullen starten. Gisteren had ik een aftrapbijeenkomst met beide promovendi, Hans Meerveld en Wielie Elhorst. Beiden gaan enthousiast aan de slag om meer inzicht te krijgen in de complexe relatie tussen verschillende vormen van catechesepraktijken enerzijds en de leeruitkomsten bij jongeren anderzijds. Daarbij wordt niet alleen gekeken naar de rol die catecheten daarbij spelen maar ook de rol die ouders daarin hebben. Het starten van beide promotieonderzoeken betekent een belangrijke nieuwe impuls aan het onderzoeksprogramma catechese dat ik aan de PThU ontwikkel.

Goed onderzoek kan een spiegel zijn die helpt de catechesepraktijk verder te ontwikkelen. Zo was ik afgelopen week op een congres van de Religious Education Association (REA) over de implicaties van breinonderzoek voor geloofsleren en geloofseducatie. Daar heb ik met het oog op de catechesepraktijk (opnieuw) twee dingen ‘in de spiegel gezien’. In de eerste plaats dat het belangrijk is rekening te houden met dat jongens zich in de tienerjaren anders ontwikkelen dan meiden. Jongens zijn in die leeftijdsfase door de bank benomen eerder visueel en fysiek ingesteld. Meiden zijn in hun tienerjaren gemiddeld genomen eerder talig ontwikkeld. Iedereen die met jongeren omgaat weet dat natuurlijk wel, maar in hoeverre handelen we er in de catechesepraktijk ook naar?

In de tweede plaats liep ik opnieuw tegen het belang van ‘embodiment’ aan. Geloven kent niet alleen rationele en cognitieve dimensies maar ook lichamelijke dimensies en het ligt besloten in handelingen en ervaringen. In dat verband kunnen rituelen en ruimte voor expressie belangrijke elementen in de catechese zijn.

Kort voor het REA congres besprak ik de voortgangsrapportage met studenten in de PThU mastermodule ‘leerprocessen in de gemeente’. Met name keken we naar hoofdstuk 4 uit het rapport over doel en visie van de catechese. Van die bespreking is mij vooral een ding bijgebleven. De voortgangsrapportage benadrukt het geheel van de gemeente als leeromgeving waarbinnen catechese verankerd ligt. Studenten merkten echter terecht op dat in toenemende mate die kerkelijke gemeente niet meer de natuurlijke leeromgeving voor jongeren is. Vraagt deze doelgroep jongeren dan niet om een andere visie op catechese? Een goede vraag. Op dit punt moedigt de voortgangsrapportage terecht onderzoek aan naar “… vormen van leren buiten de institutionele vormen; hierbij is te denken aan de leercomponent binnen spontane activiteiten van jongeren zelf, diaconale reizen, festivals en andere netwerken (fysiek en digitaal).” (p. 38).

Hopelijk zal de synode zaterdag het elan en enthousiasme van de voortgangsrapportage overnemen. Misschien is er zelfs wel een synodelid dat het belang van jongens-meisjes differentiatie, het belang van rituelen en expressie bij geloofsleren en de aandacht voor geloofsleren buiten de kerk voor het voetlicht wil brengen. Dat zou de bespreking helemaal compleet maken.