Kinder- en jongerenwerk. Wat staat de kerk te doen?

Ouderlingenblad-1062-september-2015-266x300Voor kerkenraden schreef ik in het septembernummer van het Ouderlingenblad een artikel over hoe je als kerk dienstbaar kunt zijn aan kinderen en jongeren op weg naar 2025:

De Kock, A. (2015). Kinder- en jongerenwerk. Wat staat de kerk te doen? Ouderlingenblad, 63(1062), 25-27.

Hieronder volgt de tekst van het artikel.

Hoe kun je als kerk dienstbaar zijn aan kinderen en jongeren op weg naar 2025 en daarna? Dat is een bezinningsvraag, ook voor kerkenraden, die hard nodig onder ogen gezien moet worden.

Grote verschillen

De situatie van plaatselijke gemeenten is zeer divers. Zo zijn er gemeenten met goed lopend jeugdwerk en bloeiende catechesegroepen. Maar er zijn ook gemeenten waar het kinderwerk en jongerenwerk steeds minder bezoekers trekt en waar het steeds moeilijker wordt om mensen te vinden die er leiding aan willen geven. En er zijn gemeenten voor wie geldt dat de groep van kinderen en tieners zelfs helemaal ontbreekt.
Daarnaast is er ook veel diversiteit onder de groep kinderen en jongeren waar we het over hebben. Voor de een geldt dat hij trouw meedoet aan activiteiten van de kerk maar tegelijkertijd fundamentele twijfels heeft over het geloof. Voor een ander geldt dat zij overtuigd in haar geloof staat maar zich tegelijkertijd maar moeilijk verbindt met de plaatselijke kerkgemeenschap. En er zijn natuurlijk de kinderen en jongeren die zich aan of over de ‘rand van de kerk’ bevinden, en voor wie de kerk in missionaire zin graag iets betekent.
Deze verschillende vormen van diversiteit en ongelijktijdigheid maakt het niet eenvoudig om een eenduidig antwoord te geven op de vraag hoe de kerk dienstbaar moet zijn aan kinderen en jongeren. Tenminste, een ‘one size fits all’ antwoord is niet te geven. Maar er zijn wel twee belangrijke ingrediënten te noemen voor het beleid van een kerkenraad ten aanzien van kinderen en jongeren in de kerk. De eerste is: zorg ervoor dat een opgroeiende generatie in contact is met (inspirerende) voorbeelden, mensen die in de praktijk laten zien wat het betekent te geloven. De tweede is: zorg ervoor dat een nieuwe generatie in gemeenschappen kan opgroeien waarin geloven een belangrijke plek heeft.

Inspirerende voorbeelden

Voorbeelden om kinderen en jongeren heen zijn belangrijk voor de ontwikkeling van geloven. Afkijken, aflezen, nadoen zijn belangrijke manieren waarop kinderen leren. Ook als het om geloven gaat. Het is daarom belangrijk dat een kerk erop uit is om kinderen en jongeren zo veel mogelijk in contact te laten komen met deze ‘geloofsvoorbeelden’. Meer dan een programma, een activiteit of een catecheseavond zijn zíj degenen die een nieuwe generatie in de kerk vormen. Jongeren zijn op zoek naar ankerpunten voor hun (godsdienstige) ontwikkeling: wat is waar, wat is waardevol, wat is zin in het leven? Daarin kunnen voorbeelden– mensen aan wie je in hun leven kunt zien wat waar, waardevol en zin is – een belangrijke rol vervullen.

Geloofsgemeenschap

Naast voorbeelden vormen gemeenschappen een belangrijk ingrediënt voor het dienen van kinderen en jongeren in de kerk. Nu lijkt dat een ‘open deur’. Is de kerk op zichzelf niet dé gemeenschap waarin geloven een plek heeft en waarbinnen kinderen en jongeren het geloof kunnen ontdekken en leren? Dat is natuurlijk zo, maar tegelijkertijd zien we dat een nieuwe generatie zich maar moeilijk verbindt met die kerk en dat de groep van kinderen en jongeren soms helemaal afwezig is in de kerkgemeenschap. Dat betekent dat op een andere manier dan via ‘reguliere’ programmaonderdelen op de agenda van de plaatselijke gemeente die gemeenschap moet worden gezocht. Want jongeren hebben net zo veel als vroeger behoefte aan gemeenschap om zich heen: zij komen graag samen, zoeken graag de ontmoeting met anderen om samen wat te beleven en te vieren. Maar zij vinden die ruimte kennelijk niet ‘automatisch’ meer in de plaatselijke gemeente als geloofsgemeenschap.
Jongeren, ‘in’ of ‘buiten’ de kerk, lijken zich van het instituut kerk af te bewegen. Zij blijven echter wel verlangen naar samenzijn. De beweging kan gaan in de richting van het zoeken en delen van geloof in een vriendengroep, op speciale avonden of weekenden (denk aan festivals en concerten) of gewoon in de huiselijke omgeving; op streetlevel, zo gezegd. Niet voor niets wordt het belang van de geloofsopvoeding door ouders thuis de laatste tijd breed benadrukt. Het kan ook een beweging zijn in de richting van digitale gemeenschappen, in verbinding met het wereldwijde christendom en charismatische representanten daarvan. Sociale media brengen die dichterbij dan ooit.

Community light

De kansen voor godsdienstige vorming van een nieuwe generatie moeten dan ook in toenemende mate gezocht worden in dit type gemeenschappen, die vaak losjes of niet verbonden zijn met het instituut kerk en haar geprogrammeerde activiteiten voor kinderen en jongeren. Al deze – soms tijdelijke – gemeenschappen zijn niet iets extra’s, iets leuks ‘voor erbij’; het zijn de nieuwe ruimten waarin de kerk aan haar godsdienstige vorming gestalte kan en moet geven. En die belangrijke voorbeeldfiguren zijn in die gemeenschappen te vinden. Dat is dus niet alleen moeder, de clubleiding of de catecheet, maar is soms de leraar, dan weer een leeftijdgenoot, een artiest, een auteur, een voorganger van een andere gemeente, enzovoort.

Kansen creëren

De plaatselijke gemeente is op zichzelf vaak niet meer te beschouwen als de leergemeenschap, maar is als gemeente een deelnemer aan een veel grotere pedagogische ruimte. De kunst voor de kerk is: durf gemeenschappen van kinderen en jongeren te ondersteunen of op te zetten die met de plaatselijke gemeente of het instituut misschien niet veel meer te maken hebben. En wees daarin dienend aanwezig. Maak ook daarin de rijkdom van de kerk vruchtbaar. Maar wat betekent dat praktisch voor kerkenraden die dienstbaar willen zijn voor een nieuwe generatie kinderen en jongeren?

► In de eerste plaats: vanuit de gedachte dat de plaatselijke gemeente niet dé leergemeenschap maar deelnemer aan een grotere pedagogische ruimte is, vraagt kerkelijk kinder- en jongerenwerk principieel om doordenking en leiding vanuit allianties van verschillende gemeenten in dezelfde plaats of regio. De ontmoeting van kerkenraden, jongerenwerkers en andere betrokkenen bij kinder- en jongerenwerk die breder is dan de eigen gemeente doet de ogen gemakkelijker openen voor mogelijkheden om kinderen en jongeren te ondersteunen.

► In de tweede plaats: In dat bredere verband kan nagedacht worden over: wie zijn (potentieel) belangrijke voorbeeldfiguren voor verschillende kinderen en jongeren waarmee wij te maken hebben? Zijn dat vooral de ouders, of zijn dat vooral leeftijdgenoten, of…. In de kerk zijn we gewend geraakt om jeugdactiviteiten en zeker catecheseprogramma’s op te bouwen vanuit de inhoud: waar moet het over gaan? De uitdaging lijkt mij om activiteiten en programma’s te ontwikkelen vanuit de vraag: wie zijn aansprekend en aanspreekbaar voor onze kinderen en jongeren en hoe kunnen wij deze ‘geloofsvoorbeelden’ ondersteunen bij hun samen oplopen met een nieuwe generatie?

► In de derde plaats: waar en hoe kunnen we als kerk vormen van geloofsgemeenschap voor kinderen en jongeren ondersteunen? Vaak hoef je overigens niet bij nul te beginnen. Er zijn al veel praktijken aanwijsbaar waarin die gemeenschap gezocht wordt door jongeren: denk aan een (internationale) diaconale werkvakantie waarin hands-on ervaringen met recht en gerechtigheid opgedaan worden; of filmavonden, waar jongeren hun kijkervaringen delen en waar met wat begeleiding de grote vragen over God en mens op tafel komen. Het gaat erom concrete plekken en vormen op het spoor te komen die niet noodzakelijkerwijs besloten liggen binnen de grenzen van de eigen plaatselijke gemeente: zijn het vriendengroepen, zijn het festivals, zijn het online communities of eerder hele lokale gemeenschappen in de straat?

Bij al dit denkwerk als plaatselijke gemeenten geldt natuurlijk ook: betrek hierin de nieuwe generatie zélf! Laat een aantal jongeren zelf de analyse doen van de plaatselijke situatie. Dat leidt tot eerlijke plaatjes en daagt uit om ideaal en werkelijkheid bij elkaar te houden.

Dr. A. (Jos) de Kock is godsdienstpedagoog en als universitair docent praktische theologie werkzaam voor de Protestantse Theologische Universiteit. Hij is tevens medewerker van het Onderzoekscentrum voor Jeugd, Kerk en Cultuur en Editor-in-chief van Journal of Youth and Theology.

Advertenties

Raarheid

Column, verschenen in Jente, nr. 18, oktober/november 2015, p. 45.

Geloofsopvoeding draait om de Raarheid.

Raar maar waar: het is het thema van de afgelopen kinderboekenweek [7-18 oktober]. Kinderen voor kinderen maakte onder dezelfde titel een erg leuk lied en geweldige videoclip. Check www.kvk.vara.nl en zing en dans lekker mee:

Het is raar maar waar, dat een vliegtuig vliegen kan, dat een boot ook drijven kan, dat een auto rijden kan. Het is raar maar waar, dat de wind hard waaien kan, water bevriezen kan. Ik word er zo nieuwsgierig van, het is raar maar waar.

Het Kinderen voor kinderen lied gaat over verwondering (‘raar’), vertrouwen (‘waar’) en nieuwsgierigheid. Ik zie er een ritme van geloofsopvoeding in. Het kind verwondert zich over de werkelijkheid om zich heen. De opvoeder laat het kind er vragen bij stellen, zoekt samen met het kind naar antwoorden en probeert te laten zien waar God en waarheid in die wondere wereld is te ontdekken. Die gezamenlijke ontdekkingstocht wakkert nieuwsgierigheid aan: hoe begrijp ik die werkelijkheid en hoe God daarin aanwezig is? Dit is wat ik noem het raar maar waar ritme. Omdat het inzet bij de Raarheid.

Er is nog een ander ritme van geloofsopvoeding, wat ik dan maar noem het waar maar raar ritme. Dat zet in bij de Waarheid. Je kent dit ritme ook vast wel. Het start niet bij de verwondering, maar bij het vertrouwen. De opvoeder laat het kind kennisnemen van wie God is en wat geloven is. Verhalen en in het bijzonder Bijbelverhalen spelen een belangrijke rol. Met deze verhalen en inzichten treedt het kind de wijde wereld in, kijkt om zich heen en verwondert zich: spoort de wereld om mij heen wel met al die verhalen en inzichten? Het kind ontmoet de Raarheid. Die ontmoeting wakkert nieuwsgierigheid aan: hoe kan ik God eigenlijk begrijpen?

Beide ritmen van geloofsopvoeding leiden tot wezenlijke vragen over God en de werkelijkheid om ons heen. Geloofsopvoeding danst nu eens op het raar maar waar ritme, en dan eens op het waar maar raar ritme. Voor beide ritmen geldt: het draait altijd om de Raarheid. Soms is dat lastig, vaak is dat mooi. Kinderen en opvoeders lezen, leven en ontdekken samen in een werkelijkheid die groter is dan zij zelf zijn. Zij verwonderen zich over de dingen om zich heen en over de dingen die zij lezen en horen. Opvoeden is leren verwonderen over het rare maar ware van de werkelijkheid van God.

Linksom, of rechtsom: geloofsopvoeding draait om de Raarheid. Ik zou zeggen: Dansen maar, zodat de wind hard waaien kan…

 
Jos de Kock (37) is getrouwd met Belianne (33) en vader van twee dochters; samen zijn zij pleeggezin. Jos loopt hard, drinkt koffie en is godsdienstpedagoog aan de Protestantse Theologische Universiteit.

Laat aandacht voor inwijding niet verslappen

Afbeelding1Deze tekst verscheen als opiniebijdrage in het Nederlands Dagblad van 30 september 2015 en is geschreven naar aanleiding van het publiekscollege dat ik op 30 september hield in de serie colleges ‘Jong en Geloven’ georganiseerd door AKZ+ in samenwerking met Innov8, PraktijkCentrum en Onderzoekscentrum voor Jeugd, Kerk en Cultuur.

Kerken moeten de aandacht voor inwijding in de geloofsgemeenschap niet laten verslappen. Anders heft de kerk zichzelf op, langzaam maar zeker.

In het internationale debat over christelijk jeugdwerk is het een zorg die meer dan eens naar voren wordt gebracht: ‘Er is nog maar weinig aandacht voor de inwijding van een nieuwe generatie in de geloofsgemeenschap’. Ik deel die zorg. Die zorg betreft niet per se alle praktijken van jeugdwerk in Nederland, want er is veel diversiteit; mijn zorg betreft een algemene tendens die ik in kerken en jeugdwerk bespeur.

Met inwijding bedoel ik dat kinderen en jongeren deelgenoot worden gemaakt van het evangelie én deelgenoot van een geloofsgemeenschap die dat evangelie bewaart en doorgeeft. Die geloofsgemeenschap is een voortdurende ontmoeting van mensen rond de verkondiging van het Woord, in praktijken van gebeden, sacramenten, onderling dienstbetoon en dienstbaarheid aan de wereld om haar heen. Inwijding in de geloofsgemeenschap gaat dus verder dan met kinderen en jongeren van gedachten wisselen over God en geloven. Jeugdwerk in de kerk beoogt dan ook niet alleen dat jongeren persoonlijk betrokken raken op het geloof, maar ook dat zij zich verbinden aan een geloofsgemeenschap van waaruit zij op hun beurt weer gestalte geven aan de inwijding van een volgende generatie.

vitale bron
Op verschillende manieren wordt het verslappen van aandacht voor inwijding in kerken en kerkelijk jeugdwerk naar voren gebracht. Er zijn auteurs die beweren dat modern jongerenwerk totaal is vergeten om de geloofsgemeenschap, als vitale bron voor geloven, aan te bieden aan jongeren. Andere auteurs wijzen vooral op het gebrek aan gemeenschap in de kerk en een sterke gerichtheid op individuele navolging van Christus. Zelf constateerde ik onlangs in gesprek met iemand dat het soms als vloeken in de kerk wordt ervaren als je uitspreekt dat je jongeren wil binden aan de lokale gemeente. Het gaat er toch vooral om dat je het contact niet met ze verliest, dan mag je al heel tevreden zijn.

Een aantal ontwikkelingen dragen bij aan het verslappen van aandacht voor inwijding in jeugdwerk in kerken. Deze ontwikkelingen op zichzelf zijn overigens in het geheel niet zorgelijk wat mij betreft. De combinatie ervan vraagt echter wel om een extra inspanning van kerken om aan inwijding van een nieuwe generatie gestalte te geven.

vastzitten
Een eerste ontwikkeling die je ziet, is dat wordt ingezet op vloeibare gemeenschappen rond jongeren, in plaats van op samenzijn in meer institutionele kerkstructuren. Jongeren hebben nog steeds behoefte aan gemeenschap, maar willen er niet voor altijd aan vast zitten en deze gemeenschappen komen op en gaan weer. Door in het jeugdwerk sterker deze tijdelijke groepen en tijdelijke activiteiten te ondersteunen, verschuift het accent van kerkopbouw naar jongerenopbouw. Het gaat mij er niet om dat er te kiezen zou zijn vóór het ene accent en tegen het andere. Punt is dat met deze accentverschuiving het inwijdingsideaal onder druk kan komen te staan.

ouders
Een tweede ontwikkeling is het in toenemende mate inzetten op ouders als primair verantwoordelijken voor het geloofsonderricht in de kerk en het jeugdwerk. Niet de gespecialiseerde jongerenwerker of catecheet, maar vader en moeder dienen in de gemeente het voortouw te nemen. Ouders worden de nieuwe jeugdwerkers zogezegd. En predikanten en jeugdleiders zullen de aandacht moeten verdelen over enerzijds het direct werken met kinderen en jongeren en anderzijds de toerusting van ouders in de geloofsopvoeding. Het is echter de vraag of het ideaal van inwijding vanzelfsprekend hoog gehouden wordt door alle ouders. Veel ouders zijn zich zelf al losser gaan opstellen ten opzichte van de eigen kerk als geloofsgemeenschap. Veel ouders vinden het, begrijpelijk, al heel wat als er met hun kinderen en jongeren over het evangelie van gedachten gewisseld wordt. En wat te denken van de groep ouders die zelf het geloven vaarwel aan het zeggen zijn? Kortom: ook hier zou inwijding om begrijpelijke redenen zomaar buiten het vizier kunnen raken.

missionaire praktijk
Een derde ontwikkeling is de toegenomen aandacht voor missionaire dienstbaarheid in het kerkelijk jeugdwerk. In het missionaire jongerenwerk wordt dikwijls niet een inwijding in een bestaande geloofsgemeenschap beoogd, wel het delen of belichamen van het evangelie temidden van allerlei levensvragen en -ervaringen van individuele jongeren. Ook hier geldt: binding aan een bestaande geloofsgemeenschap bevindt zich veelal buiten het vizier. Wel ontstaan in de missionaire praktijk meer dan eens nieuwe vormen van geloofsgemeenschap buiten bestaande kerkstructuren om. Maar ook hier is de vraag in hoeverre inwijding van weer een volgende generatie tot het DNA van die nieuwe, soms tijdelijke, gemeenschappen zal behoren.

Wil de aandacht voor inwijding van kinderen en jongeren niet verslappen, dan zullen kerken meer dan ooit een extra inspanning moeten leveren. Ik pleit voor een breed gesprek in Nederland van jongerenwerkers en leidinggevenden in kerken rond de vraag hoe inwijding van een nieuwe generatie op de agenda blijft van geloofsgemeenschappen. Er is geen ‘one size fits all-recept’. Dat is zeker. Wel een paar ingrediënten: een voortdurende ontmoeting van jongeren rond de verkondiging van het Woord, in praktijken van gebeden, sacramenten, onderling dienstbetoon en dienstbaarheid aan de wereld om hen heen.

dr. A. (Jos) de Kock is godsdienstpedagoog en als universitair docent verbonden aan de Protestantse Theologische Universiteit en het ­Onderzoekscentrum voor Jeugd, Kerk en Cultuur

Het goede voorbeeld? Laat maar lopen!

In het tijdschrift Jente schrijf ik regelmatig columns. Onderstaande column schreef ik in het themanummer “Voorbeeldig”. JosdeKock-700x210

 

 

 

Stippen aan de horizon
Column, verschenen in Jente, nr. 17, augustus/september 2015, p. 45. Zie ook online op de website van Jente.

Het goede voorbeeld volgen, pakt niet altijd goed uit.
Daar werd ik kort geleden nog mee geconfronteerd tijdens het lopen van een halve marathon. Ik ben een fanatieke hardloper, maar de beste tijden loop ik tijdens wedstrijden. Dat komt door de adrenaline wellicht, maar ook doordat ik me aan andere lopers kan optrekken. Je rent niet in je eentje, maar je loopt achter goede voorbeelden aan.
Sommige van die goede voorbeelden blijken na verloop van tijd toch iets te rap te lopen. Als dat besef tot je doordringt, kun je twee dingen doen. Optie één: blijven aanklampen en maar doorharken, met als resultaat dat je jezelf opblaast. Dat overkwam me dus een tijdje terug. Wat baal je dan, en wat is de eindstreep dan nog ver. Optie twee: je eigen ritme kiezen, je eigen tempo gaan lopen en je goede voorbeeld laten gaan. Die tweede optie − en stom genoeg had ik die ervaring natuurlijk al veel langer − leidt doorgaans tot de beste resultaten. Het goede voorbeeld moet je gewoon laten lopen.
Het belang van goede voorbeelden in de opvoeding van kinderen wordt alom onderstreept. De vraag is alleen: wat moet een kind met een goed voorbeeld? Erachteraan gaan of laten lopen? Als vader betrap ik me er weleens op: ik verwacht dat mijn dochter mijn instructie nauwgezet opvolgt, precies doet wat ik heb gezegd, op mijn manier: hoe je netjes je limonade opdrinkt, hoe je het beste kunt gaan zitten. Niet zelden leidt dat tot frustratie. Bij mij, omdat de imitatie niet geslaagd is. Bij haar, omdat het te veel gevraagd is.
Goed voorbeeld doet goed volgen. Maar dat is iets anders dan imiteren. Het betekent eerder: laten lopen. Net als in die halve marathon. Je klampt een tijdje aan, je geniet van de snelheid, je proeft het succes, kijkt de techniek af en laat je inspireren door die prachtige outfit. Maar dan komt het moment dat je dat laat lopen, totdat je goede voorbeeld is veranderd in een stipje aan de horizon.
Kinderen doen dat ook. Ze klampen even aan, maar doen het vervolgens net even anders. Ze kiezen hun eigen cadans en eigen tempo. Ze kiezen andere kleding, houden van een andere sport, kiezen voor een andere houding in de kerkbank. Het heeft iets weg van wat je als vader of moeder laat zien, maar tegelijkertijd is het helemaal anders. Opvoeders worden al snel als stippen aan de horizon.
Vaders en moeders zijn ook gebaat bij goede voorbeelden. Christelijke opvoeders noemen hen geloofshelden: van die authentieke voorbeeldfiguren met hun hoofden in de bladen. Ik zeg: je blaast jezelf op als je ze imiteert. Laat ze lopen! Zoek de eigen cadans, dan kunnen je kinderen misschien ook nog volgen.

Jos de Kock (37) is getrouwd met Belianne (33) en vader van twee dochters; samen zijn zij pleeggezin. Jos loopt hard, drinkt koffie en is godsdienstpedagoog aan de Protestantse Theologische Universiteit.

 

Kerkgebouwen en jongerenwerkers: antwoord op de crisis?

Een aantal maanden terug kwam de nota “kerk naar 2025: een verkenning” uit die werd besproken in de afgelopen PKN synodevergadering van 23/24 april 2015). In deze nota wordt (slechts) viermaal expliciet gesproken over kinderen en jongeren:

– Het is voor veel tijdgenoten niet gemakkelijk zich bij bestaande gemeenschappen te voegen. “Dat geldt vaak ook voor de eigen kinderen. Zij ervaren drempels waar ze niet zomaar overheen komen.” (p. 11)
– “Hoe dragen we het geloof over aan elkaar en onze kinderen, en hoe wijden we hen in de wereld van de christelijke traditie in? Juist in de geloofsoverdracht is veelal sprake van een crisis, en daarom staan we voor de uitdaging hier op eigentijdse wijze inhoud aan te geven. “ (p. 11)
– “Ze [ambtsdragers, AK] kunnen echter ook hun speerpunt maken in missionair werk of werk onder jongeren.” (p. 13)
– “Kerkleden, vooral jongeren, identificeren zich minder of helemaal niet met een georganiseerd kerkgenootschap.” (p. 13)

Het beeld dat naar voren komt is: de volwassen generaties weten niet meer hoe het geloof overgedragen moet worden en hoe een nieuwe generatie in te wijden is in de christelijke traditie. Bovendien werkt die nieuwe generatie bepaald niet mee: die identificeert zich minder of in het geheel niet met een georganiseerd kerkgenootschap en kan maar moeilijk drempels overstappen om zich bij bestaande geloofsgemeenschappen te voegen.

Iets van dat niet willen of kunnen voegen in bestaande geloofsgemeenschappen zien we ook terug in het essay “de predikant-2025 – apostel en non-conformist”dat collega Bert de Leede heeft geschreven ter gelegenheid van zijn afscheid van de Protestantse Theologische Universiteit. De Leede stelt zich in het essay de volgende vragen: In welk maatschappelijk, cultureel en religieus krachtenveld vervult de predikant anno 2025 in de kerk en in de samenleving van 2025 ambt en beroep? Wat moet hij/zij daartoe kennen, kunnen en aankunnen? En hoe leiden wij daartoe op? Ook voor dit document geldt dat viermaal expliciet gesproken wordt over kinderen en jongeren:

– “Mijn zondagmiddag eindigt in Amsterdam, op familiebezoek, langs de oever van de Amstel. Ik zie veel ‘jong’ passeren, op hippe (bak-)fietsen. Veel is blank, welvarend, jong en stemt vermoedelijk D66.” (p. 5)
– Ten aanzien van kerken en gemeenten op de Bible Belt: “De ‘brede rand van ‘hervormde volksreligiositeit’ – onze Nederlandse variant van ‘vier-wielen-christendom’ – valt bij de (klein-) kinderen van ontkerkelijkte leden weg.” (p. 8)
– Ten aanzien van wat christelijk leven in de stad nodig heeft: “Concentratie op de oude kathedrale kerken én op (ook nu!) nieuwe kerkgebouwen met uitstraling (…) plaatsen van ‘oefening en inwijding in christelijk leven’, voor kinderen en jongeren, (…) (p. 9)
– Punt 6 van de gevolgtrekkingen “6. De verantwoordelijkheid voor de uitvoering van alle werk, voor zover betaald, berust bij een team van ambtelijk gezondenen: Predikanten (WO en HBO opgeleid), kerkelijk werkers, jongerenwerkers, pioniers, diaconaal werkenden, etc. Daarbij wordt inhoudelijk gedacht vanuit een differentiatie in verschillende bedieningen, toevertrouwd aan daartoe opgeleiden en gekwalificeerden (prediking, voorgaan in de liturgie van Woord en Sacrament, geloofsonderricht, pastoraat, representatie in het publieke domein, geestelijke begeleiding, missionair werk, jongerenwerk)”

Kinderen en jongeren voegen zich dus niet zomaar meer in voksrelgiositeit, in bestaande geloofsgemeenschappen met een jarenlange traditie. De kerk ziet vooral veel jong passeren.

Zowel de nota Kerk naar 2025 als het essay van collega De Leede wijzen in het licht van deze analyse op een belangrijk speerpunt voor kerk en opleiding: er zijn ambtsdragers of ambtelijk gezonden jongerenwerkers nodig. Volgens De Leede is dat zelfs een aparte bediening waartoe je wordt opgeleid en gekwalificeerd.
Een tweede speerpunt wordt door De Leede gezocht in kerkgebouwen (oude en nieuwe) waar kinderen en jongeren zich kunnen oefenen in christelijk leven, waar zij zogezegd worden ‘ingewijd’.

Als er, zoals de nota Kerk naar 2025 stelt, een crisis is als het om de voortgang van geloven gaat, is een pleidooi voor kerkgebouwen of andere plekken waar ingewijd kan worden en het aan het werk zetten van jongerenwerkers dan voldoende? Wat moet er in die kerkgebouwen of op andere plekken gebeuren? Waarom zouden kinderen en jongeren daar komen? En wat moeten jongerenwerkers eigenlijk doen? En wat verandert een ambtelijke zending aan wat ze nu al doen? Waar zijn de ouders en grootouders in dit verhaal? En andere leden van de gemeente? En als die er niet zijn? En waar moeten kinderen eigenlijk in ingewijd worden? En moet dat eigenlijk wel?

Een verdere godsdienstpedagogische reflectie is mijns inziens op zijn plaats. Eerder wees ik daar al op onder de titel “in elke monnik, missionaris en leider schuilt een opvoeder”. Het is opmerkelijk dat deze, wat ik noem, godsdienstpedagogische perspectieven maar mondjesmaat betrokken worden in discussies over wat dan heet ‘de toekomst van de kerk’.

Dat mag wel wat scheutiger.

Getuigen en leren getuigen: het hele verhaal

avondmaal“Wat hoorde ik, heb je een steen in de vijver gegooid?!”
“Ik hoorde dat jij het avondmaal wilt openstellen voor kinderen?”
“ik hoorde….

De afgelopen twee weken overkwam me dit een aantal keer. Dat ik mensen ontmoette die ‘hadden gehoord’. Ik had in een korte bijdrage op een HGJB symposium iets over kinderen en avondmaalsviering gezegd en dat blijkt vervolgens aardig doorverteld te zijn. En dat doorvertellen is een logische keuze als het oorspronkelijke verhaal, de tekst van de bijdrage, niet beschikbaar is. Die kon niet gedeeld worden, want die had ik de afgelopen weken netjes bij me gehouden.

Maar ik merk nu dat dat de goede zaak niet dient. Daarom geef ik het hieronder alsnog in zijn geheel vrij. En dat doe ik, zoals altijd, in de hoop dat het een goed gesprek, een goede vraag, een goede gedachte of wat dan ook voor goeds oplevert.

 

Getuigen en leren getuigen in relatie tot avondmaalsviering en belijdenis doen.
Gedachten met het oog op kinderen en jongeren in de gemeente.

Jos de Kock

Bijdrage tijdens HGJB symposium ‘te jong om ja te zeggen?’, 4 juni 2015, Huizen.

 
0. Drie ervaringen.
Ik wil starten met het delen van drie ervaringen. En ik heb daarvoor wat spullen meegebracht.

De eerste ervaring is er eentje van elke zondag. Ik zit dan met mijn vrouw en dochters trouw in de kerk. Dit is mijn bijbel. Herziene statenvertaling. Psalmen oude berijming. Dit is het tasje van Ruth, zij is zeven jaar, groep 3. Met psalmboekje. Leren lezen dus ook leren psalmversjes lezen. Elke week oefent ze in de kerk met het zingen van de psalmen, terwijl ze de woorden mee leest. Psalm 121 was een tijd terug favoriet: ’s Sla d’ogen naar ’t gebergte heen, vanwaar ik dag en nacht des Hoogsten bijstand wacht. Ze zong het zomaar spontaan een keer in een afgeladen sporthal op de tribune toen we naar een bloedstollende partij korfbal aan het kijken waren.

De tweede ervaring is er eentje van eens per jaar. Het traditionele pinksterkamp van de jeugdvereniging. Jaarlijks hoogtepunt. Niet alleen vanwege sport en spel en de corvee; of omdat ik meega. Maar ook vanwege tijd voor samen zingen, bijbelstudie en stille tijd. Dit jaar met het thema “meer dan genoeg – geloven in afhankelijkheid”. Hier het kampboekje. Een van de bijbelstudies had duidelijk impact op de jongeren. Voor de een bleek de lange stilte voor het persoonlijk stil bijbellezen confronterend en maakte het nodige los. Voor weer een ander was er een herkenning en bemoediging in het gezongen lied: “De hemel zal niet wachten en de aarde gaat voorbij”.

De derde ervaring heeft geen vaste frequentie. Maar gisteren deden we het nog: dansen door de kamer met heel hard Marcel en Lydia Zimmer op. Dit is het CD hoesje. De verzameling breidt de afgelopen jaren uit. Dit is het kadootje voor de doopverjaardag eerder deze week van Esra, mijn andere dochter. En zo trakteerden mijn dochters en ik de buren gisteren op een hartstochtelijk zingen “Ik zal U loven met heel mijn hart, Ik zal U eren met heel mijn verstand… “ enzovoorts.

1. Te jong? Belijden en getuigen.
“Te jong om ja te zeggen?” De vraag hoe het komt dat een jonge generatie, van wie je het wel hoopt of verwacht, al dan niet overgaat tot het doen van belijdenis vind ik eerlijk gezegd interessanter dan de vraag waarom ze dat op steeds latere leeftijd zouden doen. Maar het een heeft natuurlijk te maken met het ander. Vaak wordt betoogd dat de afnemende betrokkenheid van jongeren bij instituten als de kerk de oorzaak is van de terugloop in het aantal belijdenissen. Ongebondenheid, individualiteit en lossere vormen van gemeenschap passen meer bij jongeren van nu. Dat is een fenomeen dat ook opgaat voor politieke partijen en vakbonden. Ik denk dat dat een belangrijk punt is, maar het is niet het hele verhaal. Het afzien van belijdenis doen zegt namelijk ook iets over de betekenis die jongeren geven aan geloven en aan geloofspraktijken in de kerk.

Ik denk dat lang niet alle jongeren die afzien van de openbare belijdenis, niet zouden willen of kunnen belijden. Mijn indruk is in de eerste plaats dat voor een deel van de jongeren geldt dat zij best kunnen en willen belijden, en dat ook al in praktijk brengen, in de betekenis van getuigen. Getuigen van de Heer is een van de vier motieven van openbare belijdenis: de andere drie zijn: doop-beaming, medeverantwoordelijkheid willen dragen in de gemeente van Christus en trouw te blijven bij de gemeenschap van Woord en sacramenten. Jongeren die willen getuigen ervaren tegelijkertijd schroom of moeite op het vlak van die andere drie motieven: zij hebben vragen en twijfels rond doop, verantwoordelijkheid, trouw en bestaande geloofspraktijken.

In de tweede plaats is mijn indruk dat veel jongeren schroom hebben om ongetwijfeld te getuigen. Zij geloven wel, of misschien wel, soms ook niet misschien, of vragen zich af of ze geloven, of hoe ze dat moeten weten, wat dat eigenlijk is, etcetera. Voor deze groep geldt dat vragen rond trouw en verantwoordelijkheid gewoonweg worden overschaduwd door geloofsvragen.

2. Getuigen en leren getuigen. Met speciale aandacht voor avondmaalsviering.
Deze indrukken roepen bij mij twee vragen op: (1) hoe kunnen we kinderen en jongeren in de christelijke gemeente dienen bij het getuigen van de Heer en het leren getuigen van de Heer (incluis alle twijfels en vragen daaromheen)? En (2) welke consequenties heeft dat voor de praktijk van de (openbare) belijdenis in het midden van de gemeente?

Zonder mensen in hokjes te willen stoppen, is het zinvol om onderscheid te maken in verschillende groepen. In de eerste plaats is daar de groep jongeren die wel kunnen en willen getuigen maar die schroom of moeite hebben om verantwoordelijkheid te dragen en zich te verbinden met de geloofsgemeenschap. Met het oog op deze groep is het belangrijk om te bedenken dat verantwoordelijkheid iets is dat je moet leren: in de tiener- en jongvolwassene leeftijd. Geef deze jongeren dus verantwoordelijkheid in de gemeente. Denk bijvoorbeeld aan die pinksterkamp ervaring: geef jongeren verantwoordelijkheid om samen een bijbelstudie vorm te geven en om samen een kamp te organiseren. Daarnaast denk ik aan vormen van catechese waar jongeren zelf zaken mogen voorbereiden. Ook het samenwerken met volwassen gemeenteleden, bij het uitvoeren van activiteiten in de gemeente kan helpen..

In de tweede plaats is daar de groep jongeren die zich soms wel of soms niet verbinden met de geloofsgemeenschap maar geloofsvragen hebben die de zin in het dragen van verantwoordelijkheid overschaduwen. Met het oog op deze groep is het belangrijk dat zij plekken en ontmoetingen hebben waarin die vragen gesteld kunnen worden. Dat vraagt om goede geloofsopvoeding thuis waarin twijfel en vragen serieus genomen worden, en dus vraagt het ook om ondersteuning van ouders (opvoedkringen etcetera) om hieraan vorm te geven. Het vraagt om goede getuigende voorbeelden waaraan jongeren zich kunnen optrekken. En deze jongeren zijn gedien met vormen van catechese waar dit soort twijfel serieus genomen wordt en onderwerp van gesprek zijn.

En dan is daar, in de derde plaats, nog de groep van hele jonge jongeren: de kinderen in de gemeente, die heel wel getuigen van de Heer of daar op hun manier in aan het zoeken zijn, en waarvan redelijkerwijs geen grote verantwoordelijkheid mag verwacht worden. Zij getuigen en leren getuigen op de manier zoals met dat psalmboekje en in de sporthal. Of in de huiskamer met een cdtje opgezet. Samen psalmen (leren!) zingen, en samen dansen met de familie Zimmer. Kijken naar mooie platen in de kinderbijbel en meedoen met actie schoenendoos.

Al deze antwoorden komen u bekend voor. Er wordt veelvuldig over geschreven en gesproken: een goede geloofsopvoeding thuis, goede voorbeelden in de gemeente waar je je aan op kunt trekken, het zogenaamde ‘gesprek tussen de generaties’, goede vormen van catechese die aansluiten bij de leeftijdsgroep, opvoedingskringen voor ouders, goede aandacht in het gezin etcetera. En ik vind dat ook allemaal belangrijk.

Een ander, mijns inziens belangrijk, antwoord, dat veel minder vaak wordt gegeven is deze: de christelijke gemeente kan kinderen en jongeren dienen met de praktijk van het avondmaal. Dit antwoord mag mijns inziens niet ontbreken. In de drie ervaringen die ik schetste, psalmen zingen in de kerkbank, dansen door de kamer, en samen zijn op pinksterkamp, speelt vieren een belangrijke rol. Vieren door te zingen, door te dansen, door samen te zijn. Dat vieren beperkt zich niet tot het bijwonen van een kerkdienst of het horen van een preek. In het vieren wordt getuigd van de Heer en op hetzelfde moment wordt het geloof gezocht en opnieuw gevonden, het wordt geleerd. Ook, of beter gezegd, juist, het avondmaal is een uitgelezen plek om te getuigen van de Heer en de uitgelezen plek om dat getuigen steeds opnieuw te leren. Het avondmaal dient of helpt (a) het zien op Jezus en (b) de verkondiging , het getuigen van Zijn dood.

Leren getuigen in de avondmaalsviering gebeurt niet door in jezelf te kijken, maar door te zien op Jezus: dat is de kijkrichting van het leerproces. Dít belijden, opgevat als het getuigen van de Heer, is nooit een toestand waarin iemand zich bevindt, maar altijd een leerproces. Oftewel: leren door te participeren, deel te nemen aan de geloofsgemeenschap. Dat is wat er bij de avondmaalsviering gebeurt. En dat is wat de christelijke gemeente, denk ik, moet gunnen aan alle leeftijden, dus ook aan kinderen en jongeren.

Wij komen overigens in kleinere en grotere onderzoeken, uitgevoerd door studenten of binnen ons Onderzoekscentrum voor Jeugd, Kerk & Cultuur, ook steeds weer op het spoor van de nauwe verwevenheid van geloofsleren en vieringen. Vieren = leren. En wel op een hele rijke manier: niet alleen leren door cognitief bezig te zijn, maar ook door actief te handelen, deel te nemen, door samen te zijn met anderen en door onderdeel te zijn van een geloofsgemeenschap. En precies al deze elementen zitten vervat in die avondmaalsviering. Bovendien: In het vieren van het avondmaal doen alle zintuigen mee; het is niet slechts verstandelijk wat informatie uitwisselen met elkaar. En in de avondmaalsviering ben je niet aan het geven maar aan het ontvangen. Ook dit multisensorische en ontvangende van de deelname aan deze viering sluit nauw aan bij waar opgroeiende kinderen en jongeren gebaat bij zijn.

Ik besef dat avondmaalspraktijken doorgaans voor kinderen en jongeren niet zo aantrekkelijk zijn. Veel jongeren zien er weinig in. Zitten erbij te kijken. En dat is ontzettend jammer. De potentie is zoveel groter. Je zult op dit punt dus ook kritisch moeten kijken naar huidige avondmaalspraktijken. En natuurlijk kun je niet zomaar alle kinderen op het avondmaal afsturen en hoort er wel uitleg en voorbereiding bij. Die avondmaalsviering moet ingebed zijn in dit: die bijbel, het psalmboekje, de cd het pinksterkampboekje etcetera: een voortdurend proces van uitleg en voorbereiding, van geloofsopvoeding en inwijding: thuis en in de gemeente. Belijdenis doen heeft alles te maken met getuigen en inwijding in de geloofsgemeenschap. Die Inwijding gaat niet vooraf aan de avondmaalsviering, maar avondmaalsviering ís inwijding, ís getuigen én léren getuigen. En nóg een belangrijke kanttekening: met kinderen en jongeren aan het avondmaal ziet de belijdenispraktijk er niet automatisch beter uit. Maar het mag wat mij betreft niet onbenut blijven.

3. Consequenties voor de praktijk van (openbare) belijdenis.
Goed. Nu naar die tweede vraag: de consequenties voor de praktijk van de openbare belijdenis. In de eerste plaats: Daar waar de gemeente aan kinderen en jongeren gelegenheid biedt om te getuigen en te leren getuigen kan dat een goede voedingsbodem zijn voor het ontwikkelen van verantwoordelijkheid en trouw in de gemeente. En dat is weer belangrijk voor het afleggen van belijdenis. Dat kan op verschillende manieren: De een geef je verantwoordelijkheid, de ander moet geloofstwijfels op tafel kunnen leggen; Weer anderen, zoals ik, gaan zingen en dansen. Maar ook geldt: het kan door het samen vieren van de maaltijd van de Heer.

In de tweede plaats: als jongeren zich niet klaar voelen voor het dragen van verantwoordelijkheid in de kerk kan dat gewoon een legitieme reden zijn om geen belijdenis te doen. Maar als de reden gezocht moet worden in de gebruiken en praktijken van de gemeente die in de ogen van jongeren niet passen bij de roeping van de christelijke gemeente, dan is er huiswerk voor de hele gemeente. Jongeren zijn een belangrijke spiegel voor de gemeente. Zijn geloofspraktijken in de gemeente werkelijk vieringen, zijn ze getuigend van de Heer? Kunnen kinderen en jongeren echt mee vieren in de gemeente? De praktijk van belijdenis doen moet niet verworden tot een inwijding in de status quo maar moet ruimte bieden aan persoonlijke en soms kritische geloofsgetuigenissen.

Tot slot, in de derde plaats: een belijdenis in termen van commitment, trouw en verantwoordelijkheid mag verwacht worden op de weg naar volwassenheid: voor de een als jongvolwassene, voor de ander als adolescent, voor weer een ander veel later. Die vorm van belijdenis, die we kennen als openbare belijdenis in het midden van de gemeente, ligt mijns inziens wel verankerd in het getuigen van de Heer. Het is prachtig als getuigen leidt tot openbare belijdenis. Dat mag je ook hopen en verwachten. Maar: meer dan over het aantal belijdenissen, meer dan over de leeftijd waarop dat gedaan wordt, zou de christelijke gemeente zich moeten bekommeren over het getuigen en leren getuigen. Met dit dus: de bijbel, het psalmboekje, een cdtje, een kampboekje, met twijfel, met kritiek, met verantwoordelijkheid en goede voorbeelden om jongeren heen, maar ook met een tafel, met brood en wijn.

===

(Noot: Binnen de Protstantse Kerk is in veel gemeenten uiteraard al de praktijk dat kinderen/jongeren aan het avondmaal (mogen) gaan, maar dat geldt niet voor het overgrote deel van de gemeenten in het achterland van de HGJB.)

veel te doen om belijdenis doen

Op donderdag 4 juni 2015 houdt de HGJB een symposium over belijdenis doen onder de titel “Te jong om ja te zeggen?”. Ik mag daar als een van de sprekers een bijdrage aan leveren. Achtergrond voor mijn bijdrage vormt het artikel in Onderweg van een aantal weken terug: Belijdenis doen: waarvoor, waarover, voor wie? In EO Visie en in ND verschijnen deze week interviews over het thema belijdenis doen. De vraag naar de ‘ideale leeftijd’ komt in beide aan bod. Hieronder het interview in EO Visie. En via deze link is het interview in ND te lezen.eo visie

Waarom is intergeneratief leren zo belangrijk?

opstapmetoma

afbeelding met als titel ‘op stap met oma’ afkomstig van http://www.pg-alkmaar.nl

Deze maand verschijnt een special van ‘Generator’ over intergeneratief jeugdwerk. Generator is het vakblad van de HGJB voor iedereen die in de kerkelijke gemeente met of voor jongeren werkt. Hier is een preview van de special te zien. Onderdeel van intergeneratief jeugdwerk is intergeneratief leren: geloofsleren dat ontstaat door ontmoetingen tussen verschillende generaties: bijvoorbeeld tussen kinderen en hun opa’s en oma’s, of tussen tieners en twintigers. Maar waarom is dit intergeneratief leren eigenlijk belangrijk?

Er zijn verschillende manieren waarop je iets kunt leren. Een van de meest voorkomende manieren is het leren dat ontstaat in het leven van alledag: iets uitproberen, door ontmoetingen met andere mensen, of door samen met anderen dingen te ondernemen. Dat geldt ook voor geloofsleren. Veel van wat we geloofsleren noemen ontstaat doordat christenen het leven met elkaar delen: thuis, in de kerk of in de straat. Je kijkt dingen van elkaar af, je vraagt elkaars mening, je helpt elkaar. In het leven van alledag zijn vaak verschillende generaties tegelijk betrokken. En precies dat maakt het leven van alledag ook zo leerzaam: elke generatie heeft zijn eigen, creatieve, inbreng in het leerproces. En daarom is het belangrijk om ook in de christelijke gemeente die creativiteit te benutten: dat begint door het leven daadwerkelijk met elkaar te delen, met verschillende generaties tegelijk.

Je kunt het natuurlijk ook omdraaien. Het jeugdwerk in de christelijke gemeente beoogt juist het samen leven als geloofsgemeenschap. Ontmoetingen tussen verschillende generaties zijn dan niet zozeer het middel om jongeren tot geloofsleren te brengen. Jeugdwerk en het geloofsleren daarbinnen is juist een belangrijk middel om het werkelijk samen leven in de christelijke gemeente mogelijk te maken. Zo bezien dient jeugdwerk geen toevluchtsoord te zijn voor de jongste generatie in de kerk, maar een ontmoetingsplek waar die jongste generatie leert deel te nemen aan de geloofsgemeenschap van verschillende generaties.

Die ontmoetingsplek is tegelijkertijd een plek waar volwassen generaties leren van de jongste generatie in de kerk. Intergeneratief leren is wederkerig leren. Jeugdwerk is niet alleen bedoeld om een nieuw cohort leden in te wijden in de status quo van de geloofsgemeenschap. Jeugdwerk is ook een plek waar kinderen en jongeren een soms kritische en meer dan eens creatieve bijdrage leveren aan de geloofsgemeenschap. Kinderen en jongeren vormen een belangrijke spiegel voor de gemeente: hoe geloofwaardig is de gemeente eigenlijk? Brengt zij wel in praktijk wat met de mond beleden wordt? Jeugdwerk is niet alleen een plek waar geloof wordt doorgegeven maar ook een plek waar geloof en de geloofspraktijk van de gemeente vernieuwd wordt: dat is de wederkerigheid die in intergeneratief leren ligt besloten.

Intergeneratief leren gaat ook de fragmentatie tegen waar veel gemeenten van te lijden hebben: elke doelgroep, lees leeftijdsgroep, zijn eigen aanpak, programma en activiteit. Natuurlijk is het zinvol om in de gemeente kinderen in de basisschoolleeftijd iets anders aan te bieden dan de groep veertigers, om maar wat te noemen. Maar het moet de onderlinge ontmoeting van beide groepen niet in de weg gaan staan. Als doelgroepenbeleid ten koste gaat van de intergenerationele ontmoeting schiet het zijn doel voorbij: namelijk het samen leven als geloofsgemeenschap in deze tijd. Als intergeneratief leren nieuw leven ingeblazen moet worden, dan zijn er mogelijkheden te over. Samen bijbelverhalen lezen. Samen een bijzondere viering in de kerk voorbereiden. Samen survivallen. Samen boodschappen doen. Het kan allemaal. Het leven van alledag is alles wat je nodig hebt.

Kerk naar 2025: een crisis?

pknOnlangs kwam de nota “kerk naar 2025: een verkenning” uit die zal worden besproken in de komende PKN synodevergadering (23/24 april 2015). Wat staat in deze nota geschreven ten aanzien van kinderen en jongeren? Viermaal worden ze expliciet genoemd:

 
– Het is voor veel tijdgenoten niet gemakkelijk zich bij bestaande gemeenschappen te voegen. “Dat geldt vaak ook voor de eigen kinderen. Zij ervaren drempels waar ze niet zomaar overheen komen.” (p. 11)
– “Hoe dragen we het geloof over aan elkaar en onze kinderen, en hoe wijden we hen in de wereld van de christelijke traditie in? Juist in de geloofsoverdracht is veelal sprake van een crisis, en daarom staan we voor de uitdaging hier op eigentijdse wijze inhoud aan te geven. “ (p. 11)
– “Ze [ambtsdragers, AK] kunnen echter ook hun speerpunt maken in missionair werk of werk onder jongeren.” (p. 13)
– “Kerkleden, vooral jongeren, identificeren zich minder of helemaal niet met een georganiseerd kerkgenootschap.” (p. 13)

Is het inderdaad een crisis als het om de voortgang van geloven gaat? Het beeld dat uit het rapport opkomt heeft er inderdaad wat van weg. De volwassen generaties weten niet meer hoe het geloof overgedragen moet worden en hoe een nieuwe generatie in te wijden is in de christelijke traditie. Bovendien werkt die nieuwe generatie bepaald niet mee: die identificeert zich minder of in het geheel niet met een georganiseerd kerkgenootschap en kan maar moeilijk drempels overstappen om zich bij bestaande gemeenschappen te voegen.

In het licht van deze “crisis” lijkt mij, meer dan nu in de nota wordt gedaan, voor de “kerk naar 2025” een godsdienstpedagogische reflectie op zijn plaats. Eerder wees ik daar al op onder de titel “in elke monnik, missionaris en leider schuilt een opvoeder”. Het is opmerkelijk dat deze, wat ik noem, godsdienstpedagogische perspectieven nauwelijks betrokken worden in discussies over wat dan heet ‘de toekomst van de kerk’. Ik hoop dat de synode aan het einde van deze maand ook zal aandringen op deze in mijn ogen noodzakelijke godsdienstpedagogische doordenking en uitwerking van de constateringen en verkenningen in de nota.

Om deze doordenking en uitwerking alvast een handje te helpen stel ik nu alvast de tekst beschikbaar van een artikel dat zeer binnenkort verschijnt in International Journal of Christianity and Education. Deze is te downloaden vanaf mijn pthu medewerkerspagina. Kern van mijn betoog in dat artikel is dat instituten met het oog op de jongste generatie zich moeten richten op het vormen van autoriteiten en het ondersteunen van nieuwe gemeenschappen.

Belijdenis doen: waarvoor, waarover, voor wie?

OnderWeg-mockup-nummer-4Dit artikel is gepubliceerd in OnderWeg, 2015, jaargang 1, nummer 4, pp. 8-11. OnderWeg is een tweewekelijks kerkelijk magazine voor gemeenteleden binnen de Nederlands Gereformeerde Kerken (NGK) en de Gereformeerde Kerken (vrijgemaakt) (GKv).

Het artikel is onderdeel van een themanummer van OnderWeg dat geheel is gewijd aan de thematiek van belijdenis doen. Bij het artikel in OnderWeg zijn tevens cijfers gepubliceerd over de ontwikkeling in het aantal mensen dat belijdenis deed in de NGK en GKv tussen 1984 en 2013. Verder wordt een aantal webtips en leestips gegeven. Voor het lezen van het hele nummer en toegang tot het cijfermateriaal: zie http://www.onderwegonline.nl

Waar is het goed voor, belijdenis doen? Waar gaat het eigenlijk over? En voor wie is het bedoeld? Een praktische analyse van deze vragen.

De vragen die ik hierboven stelde, weerspiegelen uiteenlopende ervaringen met de praktijk van belijdenis doen. Wat ik bijvoorbeeld meer dan eens van predikanten hoor, is dat het animo voor belijdenis doen afneemt. Dat heeft natuurlijk te maken met de terugloop van het aantal kerkgangers in het algemeen en jonge kerkgangers in het bijzonder, maar los daarvan is de indruk van predikanten dat er ook minder belang wordt gehecht aan de openbare belijdenis van het geloof. Belijdenis doen: waar is het goed voor?
Een andere ervaring die ik tegenkom, is dat zich soms geheel onverwacht een hele groep jonge mensen aanmeldt voor het doen van belijdenis. De predikant denkt: jullie?! En bekomen van de eerste verbazing wordt de belijdeniscatechese opgestart. Belijdenis doen: voor wie is het eigenlijk?
Tot slot kom ik predikanten tegen die geconfronteerd worden met vragen als: Waar moet ik het over hebben in de belijdeniscatechese? Welke onderwerpen breng ik ter sprake? Wat mag niet gemist worden? Wat zijn de wezenlijke vragen die ik moet agenderen? Oftewel: belijdenis doen: waar gaat het over?

Waar is het goed voor?
In 2011 organiseerden de jongerenorganisaties HGJB en JOP een symposium over belijdenis doen. De achtergrond was de terugloop van het aantal belijdenissen in de protestantse kerken. Centraal stond de vraag of de openbare geloofsbelijdenis een achterhaald fenomeen is.
Die vraag is sindsdien niet minder actueel geworden. Vaak wordt daarbij genoemd dat jongeren zich tegenwoordig maar moeilijk verbinden aan een geloofsgemeenschap. Maar is dat inderdaad waar belijdenis doen over gaat en waar het goed voor is?
De kerkorde van de Protestantse Kerk in Nederland noemt vier motieven om belijdenis te doen. Je doet het om de doop te ontvangen of te beamen, om van de Heer te getuigen, om medeverantwoordelijkheid te dragen in de gemeente van Christus en om te blijven bij de gemeenschap van Woord en sacramenten.
Dat is dus meer dan een persoonlijke geloofsbelijdenis van de Drie-enige God en een belofte om van Hem te getuigen. Je spreekt ook de intentie uit om verantwoordelijkheid te dragen in Gods koninkrijk en de christelijke gemeente en je doet een belofte van trouw aan de persoonlijke en gezamenlijke godsdienstoefening. Verder herinnert het mensen die als kind gedoopt zijn aan hun doop en daagt het hen uit om die te beamen. Je bent niet in de eerste plaats een individu, maar onderdeel van het lichaam van Christus, delend in het verbond. Ons geloof is een gemeenschappelijk geloof en een geloof dat in de gemeenschap betekenis krijgt en zeggingskracht heeft. De beaming van de doop geeft daar uitdrukking aan.
De vraag waar openbare geloofsbelijdenis goed voor is, kan dus beantwoord worden met vier kernwoorden: doop (ontvangen of beamen), getuigenis, verantwoordelijkheid en trouw. Overigens speelt in een deel van de kerkelijke praktijk ook de toelating tot het heilig avondmaal als motief mee.

Deze vier kernwoorden zijn terug te horen in de persoonlijke motivaties van belijdeniscatechisanten. Hieronder geef ik er vier die meer dan eens te horen zijn:
• ‘Ik wil belijdenis doen omdat ik mijn doop als kind wil beantwoorden. Mijn ouders kozen ervoor om mij bij God te brengen en in de doop koos God ervoor om mijn Vader te zijn. Nu is het moment dat ik zelf graag ja wil zeggen tegen God, zodat het echt mijn eigen keuze is.’
• ‘Ik wil belijdenis doen om aan de gemeente en iedereen die het maar wil horen te laten zien dat ik geloof in God. Ik wil het niet voor mezelf houden, maar er openlijk voor uitkomen.’
• ‘Ik wil belijdenis doen omdat ik zo dankbaar ben voor wat ik allemaal heb ontvangen in onze kerk. Natuurlijk mijn ouders, maar ook de mensen van de crèche, de leiding van de club. Ze hebben altijd zo veel gedaan voor ons als jongeren. Ik wil nu graag zelf verantwoordelijkheid nemen in de kerk, omdat ik heb ervaren hoe belangrijk dat voor me is geweest.’
• ‘Ik wil belijdenis doen omdat ik het gevoel heb ik dat ik echt niets anders wil dan te geloven en bij de kerk te horen. Ik heb best vaak momenten gehad dat ik er niets van wilde weten of dat het op een laag pitje stond. Maar nu wil ik ervoor gaan.’

Waar gaat het over?
De woorden doop, getuigenis, verantwoordelijkheid en trouw geven direct ook een antwoord op de vraag waar belijdenis doen en belijdeniscatechese over gaan. Welke inhouden zouden centraal moeten staan in de belijdeniscatechese?
• De doop: Welke kracht gaat uit van de doop in mijn leven? Wat betekent het om te leven uit Gods beloften? En om te leven naar zijn geboden?
• Getuigen: Wat is dat? Waarom zou ik het doen? Hoe doe ik dat al en hoe kan ik dat gaan doen?
• Verantwoordelijkheid dragen: Wat zijn mijn gaven die betekenis hebben voor de opbouw van de gemeente van Christus? Hoe kunnen deze ingezet worden en hoe doe ik dat al? Wat heeft mijn gemeente nodig?
• Trouw zijn: Hoe kan ik een nieuwe schakel zijn in de geloofstraditie van mijn gemeente? Wat betekent trouw concreet voor mij? Waarom is dat belangrijk? Hoe houd ik dat vol?

Hieruit blijkt wel dat de verbinding aan de geloofsgemeenschap inderdaad een belangrijk aspect van belijdenis doen is. Daarbij kan het gaan om een verbinding aan het geloof van de geloofsgemeenschap (dat houdt verband met doop en getuigenis) en een verbinding aan de geloofspraktijken van de geloofsgemeenschap (dat houdt verband met verantwoordelijkheid en trouw). Hoe kan in dat licht de moeite die vooral jongeren hebben om zich te verbinden aan de geloofsgemeenschap begrepen worden?
Vaak wordt gezegd dat de afnemende betrokkenheid van jongeren bij instituten als de kerk de oorzaak is van de terugloop in het aantal belijdenissen. Ongebondenheid, individualiteit en lossere vormen van gemeenschap passen meer bij jongeren van nu. Dat is een fenomeen dat ook opgaat voor politieke partijen en vakbonden. Ik denk dat dat een belangrijk punt is, maar het is niet het hele verhaal. Het afzien van belijdenis doen zegt namelijk ook iets over de betekenis die jongeren geven aan geloven en geloofspraktijken.
Moeite of schroom om je te verbinden aan een geloofsgemeenschap kan te maken hebben met de doop: de dooppraktijken in de gemeente, de geldende dooptheologie, de wijze waarop in de geloofsgemeenschap wordt aangekeken tegen geloven als gave en geloven als persoonlijke keuze enzovoort. Iemand zegt bijvoorbeeld: ‘Officieel belijdenis doen is toch niet iets wat in de Bijbel staat? Dopen wel, maar dat word je bij ons al als kind. Ik vind het allemaal ingewikkeld, ik heb er niet veel mee.’
De moeite of schroom kan ook te maken hebben met het getuigenis. Wat is eigenlijk het getuigenis in de plaatselijke gemeente waartoe ik behoor? Is dat wel een getuigenis? Is dat ook mijn getuigenis? En hoe radicaal mag of moet het zijn? Jongeren hebben een goede antenne als het gaat om integriteit. ‘Moet je eens kijken wat een rommeltje de mensen er hier van maken. Ik weet niet of ik in deze kerk wel verder wil.’
Moeite of schroom kan tot slot ook betrekking hebben op de geloofspraktijken van de gemeenschap. Wil ik wel verantwoordelijkheid dragen voor praktijken waar ik niet helemaal achter kan staan? Wordt er in de gemeente eigenlijk wel een beroep gedaan op mijn gaven of doet men dat liever niet? Kan ik het wel waarmaken om trouw te beloven? Of nog een gedachte: belijdenis doen als toegangspoortje tot het avondmaal, dat is toch te zot voor woorden? Is het geloof niet voldoende om avondmaal te vieren? Moet je eerst verplicht belijdenis doen?
Dit zijn een heleboel vragen. Maar die komen niet zozeer op uit een streven naar ongebondenheid. Ze komen juist voort uit het actieve zoeken van jongeren naar de betekenis van het geloof en de geloofspraktijken in hun kerken. Zo bezien is de kritische vraag aan kerken: biedt belijdenis doen voldoende ruimte voor persoonlijke en soms kritische geloofsgetuigenissen? Of is belijdenis doen vooral een inwijding in de status quo? Want zo kan het gaan functioneren. Het wordt dan een fase waar aan de ene kant je loyaliteit aan de geloofsgemeenschap nog eens extra wordt gevraagd en aan de andere kant alle kritische vragen ten aanzien van kerk en geloven op zijn best netjes worden aangehoord en op zijn slechtst worden genegeerd.
Dat brengt ons bij de vraag: voor wie is het eigenlijk, belijdenis doen? Is het voor de (jonge) gemeenteleden die netjes in de pas lopen? Of is het voor de ‘out of the box’-types? Voor wie?

Voor wie is het eigenlijk?
Soms meldt zich een hele groep jonge mensen aan voor het doen van belijdenis. Jongeren van wie je denkt: Hoe kan dat nou? Zij waren toch niet allemaal zo serieus bezig met het geloof? En ze lieten zich toch niet al te vaak zien in de kerkdiensten?
Toch komen ze. Om belijdenis te doen. Omdat ze kennelijk ruimte ervaren om er te zijn, met hun vragen en hun overtuigingen, en vooral met elkaar. Want deze jongeren voelen zich als vriendengroep zeer verbonden met elkaar. Ze vormen met elkaar een gemeenschap, die hun veiligheid biedt om persoonlijke, soms kritische vragen en getuigenissen in te brengen. Met deze groep staan zij in de grotere geloofsgemeenschap, waar van alles van te denken en op aan te merken is. Alleen zo, als groep, kan kennelijk de stap naar belijdeniscatechese gemaakt worden.
Het lijkt mij hierom de belangrijkste uitdaging voor kerken om rondom belijdenis doen het idee van ‘inwijding’ in balans te houden met de individuele zoektocht en het individuele getuigenis van (jonge) mensen. Belijdenis doen heeft aan de ene kant alles te maken met het onderdeel worden van een kerk, een geloofsgemeenschap, inclusief het kennisnemen van de gebruiken en de verwachtingen. Aan de andere kant heeft belijdenis doen ook alles te maken met een persoonlijke weg en een persoonlijk getuigenis, inclusief de ‘aanklacht’ tegen gebruiken en praktijken die niet passen bij de roeping van de christelijke gemeente en inclusief andere, soms conflicterende verwachtingen ten aanzien van de geloofsgemeenschap. De uitdaging is om ook die laatste kant voluit te honoreren bij belijdenis doen. Belijdeniscatechisanten zijn een belangrijke spiegel voor de gemeente. Wordt er ook op deze manier uitgezien naar hen die belijdenis willen doen?
Om die spiegelfunctie een kans te bieden, kunnen vriendengroepen of andere kleine groepen binnen de geloofsgemeenschap behulpzaam zijn. Het stimuleren, aanmoedigen en ondersteunen van kleine gemeenschappen binnen de kerk is dus van vitaal belang. Het kan de veiligheid bieden die mensen nodig hebben voor hun persoonlijke zoektocht.
Belijdenis doen is zowel een inwijding als een persoonlijke zoektocht. En in die combinatie is belijdenis doen altijd een praktijk waarbij het geloven en de geloofspraktijken van de gemeente niet alleen worden uitgelegd en doorgegeven, maar ook worden vernieuwd en gerevitaliseerd door de kritische inbreng van individuele belijdeniscatechisanten serieus te nemen.

Jos de Kock is godsdienstpedagoog en werkzaam als universitair docent educatie en catechetiek aan de Protestantse Theologische Universiteit.