God en geloof: begrijpen we er nog iets van?

Onderstaande tekst is een weergave van mijn bijdrage aan de CHE-werkconferentie “Grensoverschrijdend geloven”, gehouden op 13 november 2014 in Ede. Ter gelegenheid van de start van het lectoraat “Geloven in context” van de Academie Theologie aan de CHE.de sloot (2)

God en geloof in het leven van kinderen en jongeren: daar begrijpen we maar weinig van. Kerkmensen niet, en ook theologen niet. Dat komt door twee dingen: (1) Wij denken te veel, en dan vooral over de kerk of geloofsgemeenschap, en (2) we kijken te weinig, en dan vooral naar het leven: het leven van kinderen en jongeren. De belangrijkste kennisuitdaging die ik heb meegebracht is deze: Hoe zijn God en geloven in het leven van kinderen en jongeren te beschrijven en van daaruit óók te begrijpen?

Voor ons huis langs loopt een brede stoep, daarachter een plantsoen en daarachter een sloot. En daar weer achter scheidt een hek de sloot van de weg. Als onze kinderen een balletje trappen op de stoep, belandt de bal onherroepelijk een keer in de sloot. Soms banen zij zich een weg door het plantsoen om de bal aan déze zijde van de sloot uit het water te vissen. Niet zelden begeven zij zich naar de straatkant om gewapend met een bladhark de bal er aan gene zijde uit te vissen. Het volgende gebeurt maar zelden: De kinderen gaan in het plantsoen zitten en gaan met elkaar in gesprek over hoe mooi het zou zijn als de bal niet aan gene zijde van de sloot maar aan deze zijde van de sloot voorbij zou gaan; “het zou het beste voor die bal zijn, het is tenslotte zo’n mooi plantsoen; gene zijde van de sloot, dat kan nooit goed zijn voor een bal, zo vlak langs de weg.”

Wij denken (en praten) te veel over de kerk of de geloofsgemeenschap. Dat is als zitten in het plantsoen aan deze zijde van de sloot. Bijvoorbeeld: Methodes volschrijven over de rijke betekenis van de doop, terwijl aan gene zijde van de sloot kinderen en jongeren zich vertwijfeld afvragen of God eigenlijk wel bestaat.

We kijken te weinig naar het leven van kinderen en jongeren. Nu ja, we kijken nog wel op een afstandje naar gene zijde van de sloot.  Maar om daadwerkelijk wat te zien en te begrijpen van God en geloven in het leven van kinderen en jongeren zullen we moeten omlopen: gene zijde wordt dan deze zijde en we komen in de nabijheid van wat er daadwerkelijk gebeurt. We gaan dan echt zien en begrijpen.

Een jongerenwerker vertelt over een meisje die al het leed dat haar is overkomen niet kan rijmen met God: zij zegt niets te kunnen met het beeld van een toornende en straffende God. De jongerenwerker aan deze zijde van de sloot stelt zichzelf de vraag: hoe kan ik het Godsbeeld van dat meisje toch meer in balans brengen? De vraag aan gene zijde van de sloot is: wat leert de ervaring van dit meisje haar én mij over God en over geloven?

De belangrijkste kennisuitdaging ligt mijns inziens aan gene zijde van de sloot: Hoe zijn God en geloven in het leven van kinderen en jongeren te beschrijven en van daaruit óók te begrijpen? Dat betekent dat we theologie moeten bedrijven vanuit het goed waarnemen van kinderen en jongeren in hun levens, in hun praktijken. En goed waarnemen betekent ook goed luisteren.

Goed waarnemen is een belangrijke (te ontwikkelen) attitude en vaardigheid van de professionele theoloog en vormt de kern van het broodnodige empirisch, praktisch theologisch onderzoek dat aan academies theologie zou moeten plaatsvinden. Werkveld en academie hebben een gezamenlijke taak: een descriptief-empirische taak: we moeten leren goed waar te nemen en God en geloven te ontdekken in de werkelijkheid. God en geloof openbaren zich niet alleen in S/schrift, traditie of in ons denken. God en geloof openbaren zich ook in de empirie.

Hoe ervaren kinderen en jongeren God in het leven? Hoe denken zij over God, geloof, de kerk, het leven, de mens, de wereld, de Bijbel? Wat beleven zij aan vieringen, vormingspraktijken, pastorale praktijken, events en kerkvormen? Theologen doen er goed aan nabij de eigen interpretaties en constructies van kinderen en jongeren ten aanzien van geloven en God te komen. Zowel het theologiseren van kinderen en jongeren zélf, als de uitkomsten van praktisch theologisch praktijkonderzoek en academisch onderzoek voeden meer beschrijvingen, meer inzicht en meer begrip.

Goed waarnemen is de kiem van meer begrip; de vrucht zal moeten zijn het gestalte kunnen geven aan (nieuwe) geloofspraktijken, al dan niet vanuit bestaande kerkgemeenschappen voor een nieuwe generatie kinderen en jongeren. Deze nieuwe generatie groeit in steeds meer gevallen op buiten de randen van traditionele geloofsgemeenschappen. Maar ook daar is het leven van alledag een zoektocht naar zin en betekenis. Vanaf de oever van de traditionele geloofsgemeenschap wordt vaak wat neerbuigend over die universele vraag naar zin en betekenis gesproken. Het gaat tenslotte niet om zin en betekenis maar om het vinden van geloof en God.

Maar, zeg ik dan: de ontwikkeling en vorming van kinderen en jongeren is niet oeverloos. Zoals elke rivier of sloot twee oevers heeft, heeft de stroom van de godsdienstige ontwikkeling er ook twee: die van geloofsgemeenschappen aan de ene kant en die van de verlangens en vragen naar zin en betekenis aan de andere. Willen we uiteindelijk kinderen en jongeren deel laten hebben aan geloofspraktijken van geloofsgemeenschappen dan kunnen we er niet omheen om aan gene zijde van de sloot te gaan zoeken naar God en geloof: door te luisteren, te observeren, te interpreteren en te theologiseren. Daar ben ik vast van overtuigd. Het is doodzonde als we daar niet aan willen, en het getuigt van een hiaat in onze vorming en opleiding als we daar niet aan kunnen.

Advertenties

Roep om eigentijdse catechese is altijd actueel

gggHieronder volgt een deel van een trendartikel over catechese dat verscheen in het Reformatorisch Dagblad van 13 september 2014. In dit deel kom ik aan het woord over ontwikkelingen in catechesepraktijken in de protestantse kerken. Het hele artikel, met daarin ook interviews met ds. Wielie Elhorst (JOP) en ds. Schot (Gereformeerde Gemeenten) is hier te vinden

 

Door Albert-Jan Regterschot

Eigentijdse catechisatiemethoden: ze zijn er altijd geweest. Aandacht voor kennisoverdracht keert ook in iedere generatie terug. Antwoorden op de vraag hoe de praktijk van de catechese er anno 2014 uitziet, of wat recente ontwikkelingen zijn, zijn dan ook niet eenduidig te geven.

Hij zoekt even naar woorden om de spanning aan te duiden tussen twee belangrijke thema’s bij de catechese: de aandacht voor kennisoverdracht enerzijds en aandacht voor jongeren anderzijds. Het liefst kiest dr. Jos de Kock, universitair docent educatie en catechetiek aan de Protestantse Theologische Universiteit (PThU), niet voor een van deze twee. Maar als het dan toch moet? „Dan ga ik voor het serieus nemen van vragen van jongeren.”

De meest over het hoofd geziene vraag in de kerk, zo noemt hij het: de vraag of God bestaat. De Kock: „Je kunt zeggen: het gaat bij catechese over kennisoverdracht. Dat een belangrijk onderdeel. Maar als catecheet moet je weten wat er leeft onder jongeren. Het moet mogelijk zijn dat jongeren met de vraag komen: Bestaat God? Als catechese alleen eenrichtingsverkeer is, in het overdragen van de kerkelijke leer, en je ziet zo’n cruciale vraag van jongeren over het hoofd, dan is er iets mis.”

Aan de vooravond van de start van catechese en winterwerk in veel kerkelijke gemeenten concludeert De Kock dat er een breed palet van ontwikkelingen zichtbaar is op het terrein van de catechese. Dat maakt het ook lastig om over ”de catechese” te spreken, legt hij uit. „Wat bij de ene kerk als nieuw gepresenteerd wordt, is bij de andere al achterhaald en andersom.”

Door de eeuwen heen is er al sprake van een behoefte om de catechese ”eigentijds” te laten zijn, stelt de onderzoeker. „Er kan een valse tegenstelling worden geschapen tussen wat de klassieke catechese heet, waarbij kennisoverdracht centraal staat, en eigentijdse catechese. Kennisoverdracht komt namelijk net zo goed terug in iets eigentijds als de Alpha-cursus, waarbij mensen vertrouwd worden gemaakt met begrippen uit het christelijke geloof. Er is ook een groep predikanten aan het nadenken over een nieuwe catechismus. Dat is heel stoer en eigentijds, maar het gaat wel degelijk over kennisoverdracht. Het is denk ik eigen aan het christendom om telkens opnieuw de vraag te stellen: Waarover hebben we het in de kerk?”

Doelgroep

De aandacht voor wat er leeft onder catechisanten is vooral in ontwikkeling omdat de doelgroep verandert, zegt De Kock. Binnen de kerk komt dat doordat jongeren in het gezin en op school lang niet altijd meer vertrouwd worden gemaakt met de Bijbel en kernbegrippen uit het christelijk geloof. Aan de rand van de kerk zijn er nieuwe toetreders, onder meer in missionaire gemeenten. „In pioniersplekken kun je niet volstaan met het overdragen van waarheden. Het begint met het zoeken van aangrijpingspunten in het leven van mensen, en aan de hand daarvan samen kijken naar hoe God en geloven hiermee in verband kunnen staan.”

Volgens de PThU-docent leeft in de breedte van de kerk het besef dat catechese een van de kurken is waarop de gemeenten drijven. „Ik ontmoet veel predikanten bij nascholingen. De vraag hoe op een goede manier aan kennisoverdracht kan worden gedaan, en wat kernthema’s zijn, leeft bij vrijwel iedereen.”

Leer en leven

De Kock ziet in de Protestantse Kerk in Nederland dat de aandacht voor catechese steeds breder wordt getrokken „dan het wekelijkse lesuurtje in een zaaltje bij de kerk op dinsdagavond. Het besef groeit dat geloofsleren gestalte krijgt in het leven van alledag. Dat betekent enerzijds midden in de samenleving staan om met anderen Gods handelen te zien en te erkennen. Anderzijds is het van belang dat de kerkelijke gemeente een plaats is waar je kunt leren, waar het dagelijkse en het kerkelijke leven worden geduid. Het bijbrengen van Bijbelkennis en discussiëren over het geloof kunnen bijdragen aan het samen leren van en over God.”

Daarnaast is het volgens hem van belang dat kerken onderkennen dat de rol van ouders bij geloofsonderwijs groter wordt. „We hebben in Nederland een lange tijd achter de rug waarin geloofsopvoeding is uitbesteed aan de predikant, de catecheet, de onderwijzer of de godsdienstleraar. Waar die rol wegvalt, komt bij ouders de vraag op hoe ze gestalte kunnen geven aan geloofsopvoeding. De kerkelijke catechese en de huiselijke geloofsopvoeding vallen steeds meer samen.”

Zeker in de rechterflank van de gereformeerde gezindte wordt het belang van kennisoverdracht tijdens de catechese benadrukt. Terecht?

„Leren behoort tot het wezen van de kerk. Maar kennis laten ontstaan bij jongeren over de Bijbel, de leer en de traditie is één ding. De ervaring van Gods werk, van gemeenschap en liefde en een element zoals de houding van een christen, zijn ook belangrijk. Ik denk dat de roep om kennis over te dragen gebaseerd kan zijn op de ervaring dat bepaalde kennis afwezig is. Het is op zich goed om daar aandacht aan te schenken, maar niet eenzijdig. De christelijke gemeente bestaat uit meer dan alleen kennis.”

Hoe kan daar in de catechese ruimte voor worden gemaakt?

„Bijvoorbeeld door praktisch dienstbaar te zijn aan mensen buiten de eigen gemeenschap. Dat vergt dat je met een andere blik kijkt naar de invulling van het begrip catechese. Als het gaat om de ander dienen, dan is dat ook zeker iets wat op jongeren kan worden overgedragen.”

U bepleit aandacht voor vragen rond het bestaan van God. Hoe kan een catecheet dat aanpakken?

„In ieder geval niet door in alle gevallen meteen met allerlei bewijzen te komen dat God bestaat. Diep zo’n vraag eerst eens samen uit. Wat zijn de feitelijke verlangens en behoeften van jongeren? Overdenk vanuit dat perspectief thema’s over God en de Bijbel. Dan moet je soms concluderen dat niet alle vragen zich sluitend laten beantwoorden. Dat is ook onderdeel van het geloofsleren.”

radiointerview over geloof en wetenschap

Op 19 mei 2014 interviewde Andries Knevel mij rond het thema ‘geloof en wetenschap’. Luister via de onderstaande link de radiouitzending:

radiointerview 

 

 

Als de kerk niet wil offeren is het uit met het sprookje

Geloof in een kerk voor een volgende generatie houdt mijn werk aan de gang. Dat is geloof in een sprookje, zullen sommigen misschien zeggen. Nu ja, daar zit wat in. Desondanks: ik wil dat dat sprookje waar is. De afgelopen weken heb ik op diverse plekken gesproken en ontmoetingen gehad over geloofsopvoeding, christelijke vorming en jongerenwerk in de kerk. Wat mij steeds meer duidelijk geworden is is dit: de kerk moet offeren wil het sprookje van een volgende generatie niet vroegtijdig uitgeblazen worden.

Een van de meest gebezigde adviezen voor opvoeders in de kerk is deze: “je moet je leven delen met kinderen en jongeren”. Wil je een volgende generatie nog iets van geloof meegeven, dan moet je als ouder, als jongerenwerker of predikant of als willekeurig lid van de gemeente je leven delen met die kinderen. Dit advies wordt in de praktijk op tenminste drie manieren opgevat.

In de eerste plaats kan je leven delen dit betekenen: je leven zichtbaar maken voor de volgende generatie: kijk mij, christen, eens eventjes leven! Je geeft als vader, als ambtsdrager of bandleider een inkijkje in jouw leven of, als je erg gemotiveerd bent: je stalt je leven uit. Je leven delen wil dan zeggen: een voorbeeld van een leven als christen neerzetten en daar een kind of jongere inzicht in geven.

In de tweede plaats kan je leven delen het volgende betekenen: jouw leven samen op laten lopen met dat van de volgende generatie. Het gaat hier om samen dingen ondernemen met die leuke tieners op zaterdagavond. Je leven delen wil hier zeggen: wij bundelen voor een tijdje mijn leven als opvoeder en jouw leven als kind of jongere: wij leven samen.

In de derde plaats kan je leven delen betekenen: je leven uitdelen. Dit betekent dat een gemeentelid, een moeder of welke opvoeder dan ook een kleiner of groter stuk van haar leven niet voor zichzelf houdt maar aan een ander, een kind of jongere gunt. Die jongere of dat kind mag een deel van jouw leven leven. De opvoeder verliest zichzelf ten gunste van het kind. De opvoeder offert op, geeft leven aan een ander. Hij laat zich storen in zijn eigen hobby en besteedt zijn aandacht niet uit aan die of gene specialist of vrijwilliger in de kerk. De opvoeder heeft geen plek meer om rustig te zitten omdat zijn huis wordt overgenomen door tieners met inbegrip van de meest indringende vragen.

Alle drie vormen van leven delen hebben zo hun waarde in de christelijke gemeente. Maar het is die laatste vorm die vaak blijft liggen. Dat gemeenteleden, dat opvoeders zich laten storen. Dat zij zichzelf een kleiner of groter beetje verliezen. Dat je jezelf verliest, jezelf offert ten gunste van het leven van anderen.

Dat vraagt niet alleen tijd. Ook dat. Dat vraagt energie, dat vraagt jezelf, dat vraagt een offer: het afzien van jezelf. En dat is heel frustrerend en pijnlijk. Het is ook heel mooi, maar: het is ook frustrerend, pijnlijk en ontregelend. En daar houden we niet van. Ook niet in de kerk.

Geloofsopvoeding, christelijke vorming en jongerenwerk draait niet om een paar trucjes die je even tussendoor doet en al helemaal niet om een paar activiteiten die je wel kunt uitbesteden aan een ander. Het draait om offeren en dat voelt niet lekker: dit deel van mij en mijn generatie mag jij en jouw generatie opmaken.

Maar als de kerk niet wil offeren is het uit met het sprookje.

kinderen-jongeren-geloof-kerk: wat gebeurt er in onderzoeksland?

research fotoIn Christelijk Weekblad van 21 maart 2014 staat onderstaande bijdrage van mijn hand als voorschot op de studiedag Re-search & Re-act op 28 maart (http://www.ea.nl/researchreact)

Kerkelijk jeugdwerk kan profiteren van wetenschappelijk onderzoek. Er gebeurt op dat terrein van alles in binnen- en buitenland maar wat kan de jeugdwerker er in de praktijk mee? Jos de Kock neemt een voorschot op een studiedag over dat onderwerp.

Op 28 maart vindt in Ede de studiedag Re-search & Re-act plaats. In kort bestek worden daar de laatste onderzoeken op het gebied van jeugd en kerk gepresenteerd aan iedereen die betrokken is bij kinderen en jongeren en de kerk. Bovendien is er aandacht voor de vraag: wat kan ik ermee, als jongerenwerker, predikant, als ouder of als beleidsmaker?

Er komen niet minder dan twaalf onderzoekers aan het woord. Ik mag ingaan op de stand van zaken in onderzoek naar het brede thema van kinderen, jongeren, geloof en kerk. Kinderen in de kerk, jongeren en de toekomst van de kerk, de geloofsopvoeding in het gezin: het zijn geliefde onderwerpen op kerk- en geloofpagina’s, in programma’s en op websites van diverse christelijke media. Maar wat weten we er eigenlijk echt van?

Er is veel ervaringskennis en die is zonder meer van belang. Maar meer systematisch inzicht in de geloofsontwikkeling en geloofsopvoeding van kinderen en jongeren is ook nodig: dat kan dienstbaar zijn aan de praktijk van ouders, vrijwilligers en professionals in de kerk. Ik denk dat er nog ontzettend veel valt te ontdekken.

Wat valt er op dit moment op in onderzoeksland, nationaal en internationaal? Ik kan niet alles de revue laten passeren maar schets drie hoofdlijnen en selecteer daarbinnen een klein aantal voorbeelden van onderzoek.

Een eerste hoofdlijn is dat in internationale onderzoeksliteratuur veelvuldig geschreven wordt over de ‘theologie van jongeren en jongerenwerk’ met vaak het concept discipelschap als onderwerp. Verschillende auteurs proberen het werken met jongeren in de kerk te doordenken vanuit het discipel zijn van Jezus. Kerkelijk jongerenwerk zou dan gericht moeten zijn op het ontwikkelen van een christelijke levenswandel en levenshouding van jongeren.
Bij deze benadering past ook dat de jeugdleider een goed voorbeeld moet zijn: aan hem of haar moeten jongeren kunnen aflezen wat het volgen van Jezus concreet inhoudt.

In een tweede hoofdlijn treedt een aantal centrale thema’s van empirisch onderzoek op de voorgrond. Ik geef hier twee voorbeelden van die thema’s.
Veel onderzoeken leggen het belang bloot van het multisensorische karakter van geloven: niet alleen aandacht voor lezen, praten en denken maar ook concreet ervaren en doen. In dat kader wordt onderzoek gedaan naar de impact en werking van jongerenevents, zoals concerten en festivals, voor het geloven van jongeren. En hoe werken Taizé-vieringen of Passion-uitvoeringen uit op het geloof van jongeren?

Hoe je ook denkt over de vaak gehoorde oproep om meer ‘beleving’ in de kerk, beleving op zichzelf is erg belangrijk voor de geloofsontwikkeling van jongeren. Beleving gaat vaak niet zonder belichaming van geloof. Dat kunnen zichtbare voorbeeldgelovigen in de omgeving van kinderen en jongeren zijn, maar ook rituelen en vieringen in de kerk of het gezin. Zij laten ruimte voor ervaringen en het voelen en uiten van emoties.

Wat is de vormende werking van vieringen, of het nu gaat om een klassieke kerkdienst of een relipopfestival, en welke rol hebben deze in de geloofsontwikkeling van jongeren? Op welke wijze kunnen christelijke rituelen in het gezin gestalte geven aan de geloofsopvoeding?

De laatste vraag raakt aan een ander opvallend thema dat op steeds meer aandacht mag rekenen in het internationale onderzoeksveld: de rol van ouders en het gezinsleven voor de godsdienstige ontwikkeling van kinderen en tieners. Ouders zijn de primaire opvoeders van een nieuwe generatie en in het gezin vindt een belangrijk deel van het leren en geloofsleren plaats.

Daniëlle van de Koot-Dees kwam vorig jaar met een inzichtgevend proefschrift over de rol van geloven in de opvoeding in jonge gezinnen in Amsterdam. Dat onderzoek vraagt om een vervolg. Het belang van de geloofsopvoeding in het gezin neemt alleen maar toe waar in het algemeen de binding met de kerk als instituut afneemt. Hoe kunnen ouders en kerken op nieuwe manieren gestalte geven aan een leergemeenschap voor een nieuwe generatie?
In Nederland zijn relatief nieuwe praktijken als ‘Kerk op schoot’ en Godly Play voorbeelden om in dit kader verder te onderzoeken. Een aantal studenten aan de PThU geeft hier bijvoorbeeld al op kleine schaal uitvoering aan.

Een derde hoofdlijn is de constatering dat er globaal twee manieren zijn waarop het brede thema van kinderen, jongeren, geloof en kerk onderzoeksmatig wordt benaderd. In de eerste benaderingswijze is jongerenwerk ingebed in een kerkelijke geloofsgemeenschap. Voorbeelden hiervan is onderzoek naar catechesepraktijken. In Nederland is daar opvallend veel animo voor.

In de tweede benaderingswijze is jongerenwerk ingebed in universele zingevingsvragen. Vanuit een christelijk perspectief werken met kinderen en jongeren is een bijzondere manier om dienstbaar te zijn aan een nieuwe generatie die zoekt naar zin en betekenis in het leven. Deze benadering sluit een kerkelijke invulling van het jongerenwerk niet uit maar vraagt wel meer oog voor geloven en geloofsgemeenschappen die niet of minder institutioneel verbonden zijn. Een Nederlands onderzoek dat hieraan raakt is het onderzoek van Harmen van Wijnen naar de werking van zogenaamde small groups van jongeren.

Er is veel beweging in het kinder- en jongerenwerk in Nederlandse kerken en een groot aantal organisaties en bewegingen in en om de kerk investeren daarin. In diverse fora, denktanks en netwerken ontmoeten professionals in het kinder- en jongerenwerk elkaar en werken daar aan verbetering en vernieuwing van praktijken van geloofsopvoeding.

Er moet meer en structureel (academisch) onderzoek worden gedaan naar kinderen, jongeren, geloof en kerk. Dit kan gelijk oplopen met wetenschappelijke vorming van toekomstige predikanten en kerkelijk werkers en de beroepsgerichte vorming van alle professionals die zich willen specialiseren in deze thematiek.

Dr. A. de Kock is godsdienstpedagoog en universitair docent aan de Protestantse Theologische Universiteit (www. pthu.nl). Hij is onderzoeker bij het Onderzoekscentrum voor Jeugd, Kerk en Cultuur (www.ojkc.nl) en is hoofdredacteur van Journal of Youth & Theology (www.iasym.net)

 

Niet te romantisch over geloofsopvoeding

Deze blog verscheen als opiniebijdrage in het Nederlands Dagblad van 8 februari 2014.

We doen vaak te romantisch over geloofsopvoeding: wat is het toch geweldig om het mooiste wat je hebt te delen met lieve kindertjes en toffe tieners. Nee dus.

We stellen het ons voor: de moeder, de jongerenwerker of de leraar die daar glimmend met een grote doos staat; rode strik eromheen; en blij dat Pietje is om het cadeau uit te pakken. Maar geloofsopvoeding gaat niet over cadeautjes. Geloofsopvoeding is samen leven en dat is weerbarstig.

Weerbarstig was het ook toen ik dochter Esra van vijf voorlas uit de kinderbijbel. Ik las de geschiedenis van Judas, over zijn verraad en hoe het met hem afliep. Het verhaal was ten einde. ‘Maar papa, waarom ging Judas de Heere Jezus verraden?’ Ik stamelde wat, niet in staat in kort bestek een sluitend antwoord te formuleren, en sloeg ternauwernood een brug naar het avondgebedje. Mooi cadeau is dat.

Nu ja, in de geloofsopvoeding gaat het er niet om dat er op elke moeilijke vraag een antwoord komt. Maar waar gaat het dan wel om? De een zegt dat je kinderen bagage meegeeft: kennis van de Bijbelverhalen en Bijbelse waarden en normen. Een tweede zegt dan dat het uiteindelijk gaat om een relatie met God. En een derde zegt vervolgens: ‘moeten we zo onderhand niet weer eens meer aandacht geven aan kennisoverdracht, want kinderen weten maar weinig meer over wat er in de Bijbel staat’.

Maar dit raakt de kern niet. Geloofsopvoeding is zo weerbarstig, omdat je over Judas vertelt en je de enige juiste vraag van een vijfjarige niet van een bevredigend antwoord kan voorzien. Het is weerbarstig omdat de omgeving je aanstaart en denkt: moet je je kinderen in 2014 nu nog lastigvallen met achterhaalde ideeën over God? En het is weerbarstig omdat de geloofsopvoeder zélf garant kan staan voor de meest fundamentele vraag die op hem afkomt, namelijk: bestaat God eigenlijk wel? In de aanwezigheid van deze Godstwijfel wordt geloofsopvoeding ‘doen alsof God bestaat’; je houdt het als hypothese hoog, bij gebrek aan beter en enig ander houvast.

Ik vind het belangrijk om het weerbarstige van sprakeloosheid, achterhaaldheid, en Godstwijfel eerlijk onder ogen te zien. Daarom kan ik er ook niet zo goed tegen als er te romantisch wordt gedaan over geloofsopvoeding. En daarom zoek ik naar andere woorden, beelden of gedachten die helpend kunnen zijn.

Geloofsopvoeders willen maar wat graag af van het woord ‘geloofsoverdracht’. Geloof is niet over te dragen, zeggen we dan. Een woord als ‘geloofsoverdracht’ heeft plaatsgemaakt voor ‘modelfiguur zijn’. De aandacht is verlegd van de opvoeding naar de opvoeder en van wat je hebt naar wat je doet. Maar de geloofsopvoeder als modelfiguur kan een lege huls worden als voorbeeldig gedrag gepaard gaat met het angstvallig buiten de deur houden van moeilijke vragen en het niet onder ogen zien van twijfel. Dan wordt geloofsopvoeding doenerig: een cultuurtje in stand houden dat bestaat uit knutselwerkjes over een God waarvan je je afvraagt of die wel bestaat.

Geloofsopvoeding is geen knutselwerkje. Zo romantisch is het niet. Geloofsopvoeding gaat niet over het delen van geschenken, verpakt in goed gedrag. Geloofsopvoeding is samen leven in een door God geschonken tijd en ruimte. Het is buiten spelen, buiten onszelf spelen. De geloofsopvoeder deelt samen met kinderen in Gods gave, in Gods verbond. Dat is geen kwestie van overdragen of voordoen, maar van samen spelen.

Ik gebruik bewust het woord ‘spelen’. Spelen is mooi, maar ook weerbarstig. Ik denk dan aan een speeltuin; daar wordt heel veel geleerd. Vallen, opstaan, en weer doorgaan. Gevoel voor afstand en snelheid, maar ook kennis over zwaartekracht en hoe hard stoeptegels kunnen zijn. Ervaring van plezier, pijn en troost en soms de afwezigheid daarvan. En je leert je overgeven aan een wereld die groter is dan de jouwe.

Dat laatste raakt de kern van wat geloofsopvoeding is: dat opvoeders en kinderen zich overgeven aan een wereld die groter is dan eigen twijfel en goed gedrag. Daar past geen doos, laat staan een rode strik omheen.

Deze bijdrage is gebaseerd op een lezing tijdens de Rondom het Kind conferentie (7-8 februari, Lelystad).