Working group “Children and Youth”

Glad to announce:

This month I started the Working Group “Children & Youth” within the International Academy of Practical Theology:

Working Group “Children & Youth” –  The IAPT working group of practical theological research on faith practices with children and youth

Contact: Jos de Kock 

Important part of the study of and critical reflection on practical theological thought and action is how practical theologians (scholars and practitioners alike) and religious practices of all sorts are dealing with what might be called the issue of “the next generation”. The working group “Children & Youth” is a group in which the issue of “the next generation” is addressed, directed towards international, interracial, and ecumenical dialogue and understanding.

AIM

The aim of the working group is

  • To share and discuss results of current practical theological studies in the field of faith practices with children and youth;
  • To serve scholarship in the broad field of children, youth, faith, theology and culture.
  • To interconnect the networks and resources of the discipline of religious education, the discipline of youth ministry and children’s ministry, the
  • discipline of children’s spirituality and the discipline of child and youth theology.

TASKS

  • To organize (in close cooperation with the planning committee) of a thematic papers session and/or a round table session during each IAPT conference in which the conference main theme is applied to the field of children & youth;
  • To stimulate expert/collegial meetings in between the IAPT conferences, for example during conferences of other international associations and networks;
  • To stimulate international co-authored practical theological publications in the field of faith practices with children and youth.
    All members of the IAPT are invited to join this working group and/or to share their ideas in order to achieve our aim.

(Executive Committee Liaison: Annemie Dillen)

Advertenties

Vrouw/Man in de kerk: meer dan ventileren van mening

Korte bespreking van

Henk Folkers, Maaike Harmsen, Almatine Leene en Maarten Verkerk (red.), Zonen & dochters profeteren: Man, vrouw & kerk (Zoetermeer: Boekencentrum, 2016), 287 p., € 19,90 (ISBN 9789023971276).

Zonen & dochters profeteren behandelt het vraagstuk van mannen en vrouwen in de gemeente van Christus vanuit verschillende benaderingen, waaronder de hermeneutiek, de geschiedenis, de wetenschap, de dogmatiek en de exegese. Het boek is tot stand gekomen door medewerking van vijfentwintig auteurs die vrijwel allemaal uit kerken komen waar vrouwen niet worden toegelaten tot alle taken, ambten en bedieningen. Het boek leest als een gezamenlijke zoektocht van deze diverse groep auteurs: een zoektocht naar antwoorden op de vraag hoe christenen en hoe de kerk dienen te denken en te handelen ten aanzien van de positie van vrouwen en mannen in de gemeente van Christus. Door deze gezamenlijke zoektocht in een boek te verslaan willen de auteurs tevens de bezinning en het gesprek over dit onderwerp in de kerk bevorderen. Het boek eindigt ook met een sterk pleidooi voor deze bezinning: door deze bezinning heen zal de kerk zich op een verantwoorde manier kunnen vernieuwen.

In diverse kerken en onder christenen in het algemeen wordt verschillend gedacht over de positie van vrouwen en mannen in de gemeente van Christus. In het boek wordt een variatie aan argumenten en argumentatielijnen beschreven die in de kerkelijke praktijk werden en zijn waar te nemen. Temidden van deze variatie is het auteurscollectief echter van meet af aan, letterlijk vanaf de eerste pagina van het ‘Woord vooraf’, transparant over de belangrijkste bevinding van haar zoektocht, namelijk: “… we zijn allemaal (weer) geraakt en verrast over hoe positief de Bijbel spreekt over het spreken en leiden van vrouwen” (p. 7). Een aantal bladzijden verder zetten de auteurs dit gegeven om in een ‘droom’, namelijk dat “… jongens en meisjes de verwachting mogen hebben dat zij later alle gaven die de Geest hun geeft voor de opbouw van de kerk mogen gebruiken” (pp. 13-14). En nog meer toegespitst: “… [V]rouwen die de gave hebben om te preken en leiding te geven, kunnen zich ontwikkelen tot vrouwen in dienst van God, zonder zich onvrouwelijk te voelen” (p. 14).

Ik vind het sterk dat Zonen & dochters profeteren op deze manier van meet af aan expliciet is over de belangrijkste kern van het betoog in het boek. Dat laat de lezer niet zelf de puzzel leggen van welke positie de auteurs innemen. Tegelijkertijd nodigt het de lezer uit bij het lezen  kritisch te volgen hoe de auteurs tot deze positie zijn gekomen en hoe hij of zij zelf een positie zou willen en kunnen verantwoorden.

Zonen en dochters profeteren behandelt uiteenlopende onderwerpen: zondeval en vloek; de rechtspositie van vrouwen in de Bijbel en de relatie tot Gods wet; de plaats en rol van vrouwen in en rondom het leven van Jezus; Pinksteren en de betekenis van de zogenaamde  ‘zwijgteksten’; Bijbelse gronden voor de invulling van de ambten in de kerk; het belangrijke woord ‘dienen’ in relatie tot het thema (on)gelijkwaardigheid; en het thema profeteren. Daarnaast bevat het boek meer informatieve hoofdstukken over sekse en sekseverschillen en over een steeds veranderende kerk. Persoonlijk vond ik deze twee laatstgenoemde hoofdstukken het minst toevoegen aan het betoog van het geheel van het boek.

Al met al is Zonen & dochters profeteren een omvangrijk verslag geworden, verdeeld in vijftien hoofdstukken met een uitgebreid notenapparaat en bibliografie. Doordat elk hoofdstuk is opgedeeld in relatief korte stukjes tekst onder heldere kopjes is het boek aantrekkelijk om te lezen en zijn specifieke onderwerpen snel gevonden. Bovendien wordt gewerkt met drie soorten kaders die helpend zijn bij het bestuderen van het onderwerp: het kader ‘Verdieping’ met aanvullend materiaal, het kader ‘Stop en denk na’ met een uitnodiging om verder door te denken over een kwestie en het kader ‘In gesprek met’ met daarin een discussie met een andere auteur.

Hoewel de auteurs tot een duidelijke positiekeuze komen, is het boek veel meer dan zomaar het ventileren van een mening in een kerkelijk debat. Het is allerminst een “dubieuze bijdrage, op het irritante af” zoals ik ergens las van iemand die zich duidelijk niet kon vinden in de positiekeuze van de auteurs. Zonen & dochters profeteren is daarentegen een serieuze, constructieve, zeer lezenswaardige bijdrage voor een ieder die zich wil laten informeren over de thematiek van man/vrouw in de kerk en zich een eigen mening in de bezinning en het gesprek daarover wil vormen.

Three new publications: Ritual, Apprenticeship & Youth Ministry research

I would like to share with you the publication of the following three research articles that might be interesting for some of you. These articles are for an important part product of reflections within our IASYM community in the past years and are (to be) published in high ranked journals. I am really happy with that. The first one on ritual, worship and learning (together with Ronelle Sonnenberg) has just been published in Studia Liturgica. The second one on apprenticeship learning is to be published in the coming months in Religious Education, where the third one which is a reflection on the empirical as starting point for youth ministry research (together with Bård Eirik Hallesby Norheim) is to be published later this year in International Journal of Practical Theology.
– De Kock, A., & Sonnenberg, P.M. (2016). Ritual links worship and learning. An empirical and theoretical contribution from the perspective of young people participating in the Lord’s Supper. Studia Liturgica, 46(1-2), 68-84
– De Kock, A. (2017). Challenges to apprenticeship learning in religious education: narrow use of the apprenticeship model and current developments in youth ministry. Accepted for publication in Religious Education.
– De Kock, A., & Norheim, B.E.H. (2017). Youth ministry research and the empirical. Accepted for publication in International Journal of Practical Theology.

 

 

Meer geloofsbeleving, meer lichaam

Column, te verschijnen in Jente, nr. 24, oktober 2016lichaam

Je kent die oproep wel: “Er moet meer plaats zijn voor beleving in de kerk”. Je zou ook kunnen zeggen: “er moet meer plaats zijn voor het lichaam in de kerk”. Want geloofsbeleving heeft alles met je lichaam te maken. Daarom is het lichaam zo belangrijk in de geloofsopvoeding van kinderen. En dat is veel meer dan aan kinderen leren dat hun lichaam wonderlijk mooi gemaakt is door de Schepper.

Geloven is niet alleen een kwestie van dingen weten over God en de Bijbel. Geloven gaat ook over doen en voelen. Het lichaam speelt daarin een belangrijke rol. Beleving is een lichamelijke ervaring. Als je iets beleeft, ervaar je het bewust met je zintuigen: een omgeving, een gebeurtenis, God. Die bewuste ervaring wordt gevormd door bijvoorbeeld wat je ruikt, wat je voelt met je huid of letterlijk in je onderbuik.

Lichamelijke ervaringen vormen op een bepaalde manier je geloof. Denk maar heel concreet aan hoe de kerkbank zit, de geur van je bijbeltje, het gevoel tijdens het zingen van een lied. Deze lichamelijke ervaringen, op enig moment opgedaan, kun je een heel leven lang met je meedragen.

Het lichaam is op nog een andere manier belangrijk in de geloofsopvoeding. Je lichaam helpt je ook om uiting te geven aan je geloof: denk maar eens aan de houding waarin je bidt, de handen die je opsteekt tijdens een worship moment of de gebaren die je maakt als je met je kinderen spreekt over God. En in de kerk zijn er natuurlijk de sacramenten: het water van de doop dat je voelt, het brood en de wijn die je proeft. In rituelen en sacramenten doet het lichaam volop mee.

Het lichaam heeft dus een belangrijke rol in de vorming van geloof en de expressie van geloof. Geloofsopvoeding moet zich daarom niet beperken tot het spreken, het lezen en het Woord. Bijbelse dagboekjes en een goed gesprek op zijn tijd zijn natuurlijk belangrijk. Maar geloofsopvoeding besteedt ook aandacht aan het doen, voelen en het ritueel.

Meer geloofsbeleving kan dus alleen als er ook meer aandacht voor het lichaam is.

Theologiseren met kinderen als construerende theologie

Handelingen2015-4_omslagEind vorig jaar verscheen een Handelingen themanummer over ‘theologiseren met kinderen’. In het inleidende artikel belichten Annemie Dillen en ik een aantal recente ontwikkelingen met betrekking tot theologiseren met kinderen. Deze inleiding is hier te lezen (Dillen, A., & De Kock, A. (2015). Theologiseren met kinderen: recente ontwikkelingen. Handelingen, 42(4), 3-6.)
In hetzelfde themanummer schreef ik een bijdrage over theologiseren met kinderen als construerende theologie. De tekst van dit artikel is nu hieronder in zijn geheel te lezen.

 

 

Theologiseren met kinderen als construerende theologie

Jos de Kock

Deze tekst is gepubliceerd als:
De Kock, A. (2015). Theologiseren met kinderen als construerende theologie. Handelingen, 42(4), 59-66.

Inleiding

Theologiseren met kinderen past in de groeiende aandacht voor de ontwikkeling van religiositeit bij kinderen en jongeren en voor de levensbeschouwelijke en godsdienstige opvoeding van deze kinderen en jongeren. In dit artikel wil ik beschrijven hoe theologiseren met kinderen een vorm van construerende theologie is. Ik bedoel daarmee: een theologie die wordt opgetrokken op het fundament, de basis van de waarneming van de empirische werkelijkheid. Theologiseren met kinderen beschouw ik dan als een vorm van onderzoek doen, in het bijzonder een vorm van empirische, praktische theologie beoefening.
Theologiseren met kinderen als een vorm van academisch onderzoek en academische reflectie is volgens Dressler (2014) een van de drie uitwerkingen die aan theologiseren met kinderen kan worden gegeven. Een tweede manier is theologiseren van kinderen bezien als de vrije, ongestuurde communicatie tussen kinderen en van kinderen met volwassenen over religieuze thema’s. Een derde manier is theologiseren met kinderen als een didactische keuze in onderwijsleersituaties.
Dit artikel focust dus op de eerste uitwerking: theologiseren met kinderen als een bijzondere vorm van praktisch theologische studie naar kinderen in relatie tot geloof en God. Dressler (2014) betoogt dat de toegenomen aandacht voor theologiseren met kinderen verband houdt met een verscherping van de subject oriëntatie in de godsdienstpedagogiek. Mijn academische interesse voor theologiseren met kinderen komt vooral voort uit de meta-theoretische assumptie dat God zich openbaart in particuliere ervaringen van mensen, ook van jongeren en kinderen.
De academische aandacht voor theologiseren met kinderen sluit aan bij recente pleidooien van academici die betrokken zijn in empirisch onderzoek naar jongeren en religie. Zo betoogt Schweitzer (2014) dat om religie beter te begrijpen, empirisch onderzoekers open moeten zijn voor speciale ervaringen en eigen concepties van kinderen en jongeren en niet een ‘volwassen’ conceptie van religie leidend moeten laten zijn in hun waarnemingen en reflecties (hij gebruikt voor dat laatste het woord “adultocentrism”). En Faix (2014) betoogt dat in empirisch praktische theologisch onderzoek moet worden aangesloten bij het vermogen van jonge mensen om zich uit te spreken over hun eigen geloofsconstructies.
In lijn met auteurs als Schweitzer en Faix betoog ik in dit artikel dat theologiseren met kinderen een vorm van construerende theologie is die academische openheid betracht ten aanzien van geloofsconstructies en het religieus zelfverstaan van jonge mensen. De vraag die ik daarbij wil beantwoorden luidt: Wat zijn de belangrijkste kenmerken van theologiseren met kinderen als construerende theologie? Om die vraag te beantwoorden ga ik eerst in op de kerntaken van de praktisch theoloog die actief is in het veld van kinderen, jongeren en geloofspraktijken. Vervolgens beschrijf ik twee voorbeelden van praktisch theologisch onderzoek binnen het Onderzoekscentrum voor Jeugd, Kerk en Cultuur (zie http://www.ojkc.nl), die iets duidelijk maken van wat ik bedoel met construerende theologie. Hoewel de voorbeelden gaan over onderzoek naar (werken met) jongeren, zijn ze instructief in verband met theologiseren met kinderen. Tot slot presenteer ik op grond van de kerntaken van de praktisch theoloog en de twee voorbeelden van onderzoek een overzicht van belangrijke kenmerken van theologiseren met kinderen als construerende theologie.

Kerntaken van de praktisch theoloog in het veld van kinderen, jongeren en geloofspraktijken

Het object van praktische theologie is de religieuze praxis (Ganzevoort & Roeland, 2014) en haar strategische doel is het beschrijven, verklaren en uiteindelijk verbeteren van die religieuze praxis (Heimbrock, 2011). Maar wat is de precieze rol of taak van de praktisch theoloog in de discipline van de praktische theologie? Osmer (2005, 2008) onderscheidt vier taken voor de praktisch theoloog: de (a) de descriptief-empirische taak, (b) de interpretatieve taak, (c) de normatieve taak en (d) de pragmatische taak. In wat nu volgt leg ik deze onderscheiden taken kort uit door ze meteen te betrekken op de praktisch theoloog die werkzaam is in het veld van kinderen, jongeren en geloofspraktijken. En dan begin ik bij de pragmatische taak. Want dat is waar veel professionals ook veelal starten: de uitdaging om programma’s en activiteiten te bieden voor kinderen en jongeren in en om de kerk.
De pragmatische taak van de praktisch theoloog behelst het ontwerpen of daadwerkelijk gestalte geven aan de religieuze praxis. Theologen en professionals die bijvoorbeeld in de kerk werken met kinderen en jongeren organiseren allerlei activiteiten met of voor de doelgroep. En dat is in veel gevallen niet zomaar een programma afdraaien maar in de woorden van Osmer (2005) een ‘kunst’: in de pragmatische taak is de kinderwerker als een kunstenaar die in de studio bezig is praktijken te ontwerpen, te ontwikkelen, en uit te proberen: een werkelijk creatief proces dus.
De normatieve taak van de praktisch theoloog behelst het normeren van de religieuze praxis. Hierbij spelen (theologische) ideeën over hoe de praxis zou moeten zijn een rol; ook normatieve uitgangspunten uit andere disciplines kunnen betrokken zijn, zoals bijvoorbeeld opvoedingsidealen uit de pedagogiek. Theologen en professionals die in het veld van kinderen, jongeren geloofspraktijken werkzaam zijn, hanteren impliciet of expliciet normerende kaders. Deze variëren van theologische uitgangspunten als ‘God is liefde’ tot meer pedagogisch gestoelde overtuigingen als autonomievergroting als vormingsdoel.
De praktisch theoloog die de interpretatieve taak ter hand neemt gaat na waarom de dingen gebeuren zoals ze gebeuren. De jongerenwerker analyseert zijn ervaringen met en waarnemingen van de tieners waarmee hij werkt en probeert verbanden te leggen en verklaringen te zoeken voor gedrag . Naast theologische interpretaties bedient de praktisch theoloog zich ook van andere disciplines, zoals uit de sociale wetenschappen. Bij deze taak is de praktisch theoloog dus vaak interdisciplinair bezig. Inzichten uit de ontwikkelingspsychologie (hoe vind ik aansluiting bij de ontwikkelingsfase van een kind), de antropologie (hoe functioneert groepsdynamiek in deze leeftijdsgroep) of de sociologie (wat is kenmerkend voor de jongerencultuur vandaag) worden ingezet.
De kern van de descriptief-empirische taak van de praktisch theoloog is goed waarnemen. De theoloog of professional die betrokken is in het werken met kinderen en jongeren kijkt goed om zich heen, observeert en luistert: hoe zien geloofspraktijken van deze jongeren eruit? Hoe reageren deze kinderen op hun omgeving? Hoe verwoorden zij precies hun existentiële ervaringen? Het is deze descriptief-empirische taak van de praktisch theoloog die van wezenlijk belang is in wat ik noem een construerende theologie. Kindertheologie als construerende theologie wordt opgetrokken op het fundament, de basis van de waarneming van de empirische werkelijkheid. Maar waarom zou je dat doen? Waarom zou je dat als predikant, als kinderwerker of als leraar doen? Het antwoord op die vraag heeft te maken met mijn meta-theoretische assumptie dat God zich openbaart in particuliere ervaringen van mensen, ook van jongeren en kinderen. Dat is een theologische positie van waaruit je de waarneming van de empirische werkelijkheid verwerkt in onderzoek en praktijk van de praktisch theoloog.
Zo’n theologische positie is bepalend voor de wijze waarop de praktisch theoloog zijn taken uitvoert. Behalve het onderscheiden van vier taken van de praktisch theoloog maakt Osmer (2011) namelijk ook duidelijk dat de precieze invulling die aan die vier taken wordt gegeven mede bepaald wordt door afwegingen op het meta-theoretische niveau. Het gaat dan om afwegingen ten aanzien van de verhouding tussen theorie en praktijk, je bronnen van rechtvaardiging of verantwoording (sources of justification), de wijze waarop al dan niet verschillende (wetenschaps)disciplines op elkaar betrokken worden en grondleggende theologische overtuigingen. Ten aanzien van de sources of justification is mijn overtuiging dat God zich niet slechts openbaart in Schrift, in de traditie of in de rede maar ook in de ervaring. God openbaart zich in de empirische werkelijkheid van het hier en nu. Vanuit die theologische rationale is die descriptief-empirische taak van de praktisch theoloog zo wezenlijk en grondleggend voor een kindertheologie als construerende theologie.
Door zowel als academicus als professional kinderen en hun geloofspraktijken goed waar te nemen open je de mogelijkheid sporen van God te ontdekken en dus theologie te ontwikkelen. Ook de ervaringen van jonge mensen kunnen zo een source of justification worden die gebruikt kan worden in de “kunststudio” van de theoloog en daar in gesprek gebracht kan worden met andere bronnen, zoals bijbels-theologische overwegingen of meer systematische overwegingen. Deze theologische positie sluit aan op bijvoorbeeld de praktisch theologische methode van Miller-McLemore (2003) die de grondslag vormde voor haar boek Let the children come en die van Mercer (2005) in haar boek Welcoming children.

Voorbeeld 1: onderzoek naar youth worship

Wat precies bedoeld wordt met construerende theologie kan geïllustreerd worden aan de hand van een net afgerond promotieonderzoek bij het OJKC naar youth worship in de protestantse context. Hoewel dit voorbeeld en het tweede voorbeeld dat volgt in de volgende paragraaf gaan over onderzoek naar (werken met) jongeren, zijn ze instructief in verband met theologiseren met kinderen. Het onderzoek dat in deze paragraaf centraal staat is gedaan door Ronelle Sonnenberg en ik ga hier in op een specifiek deel van haar onderzoek dat is gepubliceerd als “God in youth worship” in Jaarboek Liturgie (Sonnenberg, 2014).
De centrale vraag in dit deel van het onderzoek was: hoe wordt God bemiddeld in youth worship en geïnterpreteerd door jongeren? Met het oog op deze vraag is in de periode 2007 – 2012 empirisch onderzoek verricht naar de participatie van jongeren aan diverse vormen van youth worship, zowel landelijke events, zoals het Flevo festival, als lokale events, zoals een jeugddienst in de plaatselijke gemeente. Een belangrijke metatheoretische overweging bij dit onderzoek was dat door het zorgvuldig waarnemen van deze geloofspraktijken en het luisteren naar wat jongeren daarover teruggeven in het etnografisch onderzoek we iets van Gods openbaring op het spoor kunnen komen.
De uitkomsten van het onderzoek laten zien dat jongeren God en het vieren tijdens youth worship op verschillende manieren percipiëren. Er is een groep jongeren die ervaart dat God aanwezig is. Deze jongeren hebben niet alleen de overtuiging van God als de aanwezige God maar zeggen deze aanwezigheid daadwerkelijk te ervaren in de liturgie. Er blijkt ook een groep jongeren te zijn die met een zekere twijfel spreken over God in de youth worship. Deze jongeren zien God en geloven als een zoektocht en hun ervaring is de ervaring van ‘God als een vraag’. En er blijkt een groep jongeren te zijn die geen relatie leggen tussen God en youth worship. Zij nemen naar eigen zeggen ‘gewoon’ deel aan een event en zijn niet bewust erop uit deze deelname aan God of Godservaringen te koppelen.
Het construeren van theologie in dit deel van het onderzoek naar youth worship start nadrukkelijk bij het goed waarnemen van geloofspraktijken van jongeren en goed luisteren naar wat jongeren zelf daarover teruggeven in het veldwerk. Dat leidde globaal tot de observatie van drie typen ervaringen: Een God als de aanwezige ervaring, een God als vraag ervaring en een ‘gewoon meedoen’ ervaring. Vervolgens is hier de vraag wat deze ervaringen en observaties leren over de bemiddeling of openbaring van God in het leven van jonge mensen. Hier start construerende theologie, namelijk met theologische vragen als: Kunnen we spreken over God als de aanwezige? Is er een God als Iemand waarnaar gegist of gezocht wordt? En: waar is God in de ‘gewoon meedoen’ ervaring? Of kun je die vraag eigenlijk niet stellen als je zo dicht mogelijk bij de ervaringen van jongeren wilt blijven?
Sonnenberg (2014) geeft aan dat voor het beantwoorden van dit soort vragen een ‘nieuwe’ interpretatieve en normatieve theologisch taal nodig is, die zo dicht mogelijk aanligt tegen de particuliere ervaringen van jongeren zelf. Allereerst gaat het dan om taal van jongeren zelf waarmee zij al dan niet religieus kunnen duiden wat zij ervaren in youth worship. Maar vervolgens gaat het dus ook om taal die praktisch theologen moeten zoeken waarmee deze ervaringen kunnen worden beschreven en theologisch bereflecteerd.

Voorbeeld 2: een reviewstudie naar het concept leren

Een reviewstudie naar hoe het concept leren wordt gebruikt in praktisch theologische studies naar geloofspraktijken van jonge mensen illustreert tevens de aard en het belang van construerende theologie. Deze review studie is door ondergetekende uitgevoerd bij het OJKC en had als doel in kaart te brengen op welke verschillende manieren leren in praktisch theologische studies naar geloofspraktijken van jonge mensen wordt gebruikt, beschreven of onderzocht en ook in verband gebracht wordt met het concept geloven (De Kock, 2015b). Uit de studie blijkt dat het concept op heel verschillende manieren wordt gebruikt en dat het niet gemakkelijk is om de essentie van leren in het verband van geloofspraktijken te benoemen. Tegelijkertijd wordt leren theologisch gesproken doorgaans wel als heel belangrijk, namelijk als kernfunctie van geloofsgemeenschappen gezien. Zo blijken er vier typen beschrijvingen van leren onderscheiden te kunnen worden. Samengevat: leren is een (a) relationeel proces, (b) een proces waarbij belangrijke principes van geloven worden verworven, (c) subjectief constructieproces van het (religieuze) zelf, en (d) een vorm van geloven in actie.
De reviewstudie legt behalve beschrijvingen van het concept leren verschillende interpretaties, normatieve posities en strategische overwegingen ten aanzien van leren bloot, zoals deze in verschillende praktisch theologische studies besloten liggen. Daarbij wordt vastgesteld dat reflecties over leren in de gereviewde studies slechts zeer ten dele gebaseerd zijn op directe interacties met of observaties van jongeren of kinderen zelf. In een van de gereviewde studies waarin dat wel gebeurde komen jongeren die als jongerenwerker actief zijn in een missionaire praktijk aan het woord (De Kock, 2015a). De onderzoeksvraag is: hoe kunnen religieuze leerprocessen in jongerenwerk in de missionaire context en het begeleiden van die leerprocessen godsdienstpedagogisch worden begrepen? De hoofdconclusie van het onderzoek was dat de ervaringen van deze jongerenwerkers zelf laten zien dat leerprocessen zijn gesitueerd in de ontmoeting: de ontmoeting tussen jongeren en jongerenwerker, de ontmoeting opgevat als samen leven en dingen ondernemen, en de ontmoeting opgevat als uitwisseling van gedachten en ervaringen ten aanzien van persoonlijke, maatschappelijke of existentiële issues.
Uit zorgvuldig luisteren en observeren blijkt in de context van deze jongerenwerkers dus dat leren in essentie een proces van ontmoeting is. De collega professional die samen met deze jongerenwerkers aan de slag gaat met de pragmatische taak om het missionaire werk verder door te ontwikkelen doet er als construerende theoloog goed aan om deze waarneming als uitgangspunt te nemen: het religieuze leren blijkt zich hier te openbaren als ontmoeting, als een sociaal en relationeel proces dus. Dat is werkelijk een ander startpunt dan leerprocessen te zien als een cognitief verwerkingsproces bijvoorbeeld. Bovendien leidt het serieus nemen van deze ervaring en waarneming tot het stellen van uitdagende theologische vragen die het ontwikkelen van geloofspraktijken ten goede komen. Twee voorbeelden: is het ultieme doel van leren de ontmoeting zelf of bijvoorbeeld het inwijden in een geloofsgemeenschap? Moeten de verlangens en concerns van jongeren als uitgangspunt genomen worden in de ontmoeting en dus in het leren of moet het uitgangspunt gezocht worden in de proclamatie van het Evangelie?

Kenmerken van theologiseren met kinderen als construerende theologie

In dit artikel beoog ik het theologiseren met kinderen te bezien als een vorm van construerende theologie. Ik denk dat de kenmerken van zo’n theologie, die ik hieronder uitwerk, ook betrekking kunnen hebben op (praktische) theologie in verband met andere leeftijdsgroepen en andere onderzoeksthema’s. In dit artikel beperk ik mijn uitwerking echter tot de thematiek van theologiseren met kinderen. Het gaat dan om een theologie die academische openheid betracht ten aanzien van geloofsconstructies, geloofspraktijken en het religieus zelfverstaan van jonge mensen. De centrale vraag is: wat zijn de belangrijkste kenmerken van theologiseren met kinderen als construerende theologie? Op grond van de kerntaken van de praktisch theoloog en de twee illustraties van praktisch theologisch onderzoek kom ik tot de volgende belangrijke kenmerken van theologiseren met kinderen als construerende theologie:

– Theologische rationale: God openbaart zichzelf in de empirische wereld: niet alleen in Schrift, traditie of rede maar ook in ervaringen; in het bijzonder ook in ervaringen van kinderen.
– Bron van (theologische) kennis: de empirische wereld en dus ook de ervaringen van kinderen zelf zijn een belangrijke bron voor het verkrijgen van inzicht in God en geloof in het leven en geloofspraktijken van kinderen.
– Ervaringen in debat: inzichten verkregen uit de empirie, uit ervaringen moeten in gesprek gebracht worden met andere sources of justification zoals bijbels-theologische of systematisch theologische overwegingen en verklarende theorieën uit andere disciplines dan de theologie.
– Waarneming eerst: principieel startpunt voor dit debat is voor theologen betrokken in kindertheologie als construerende theologie de waarneming: de waarneming van kinderen in/en hun geloofspraktijken.
– Vaardigheid 1: Kindertheologie als construerende theologie vraagt van de theoloog de vaardigheid van het zorgvuldig observeren.
– Vaardigheid 2: Kindertheologie als construerende theologie vraagt van de theoloog de vaardigheid van het zorgvuldig luisteren.
– Taal: De theoloog die betrokken is in Kindertheologie is voortdurend taal aan het leren waarmee openbaringen van God en ervaringen van geloven kunnen worden beschreven en theologisch kunnen worden bereflecteerd, op zo’n manier dat deze aansluiting vinden met de particuliere ervaringen van kinderen.
– Verrijken van de religieuze praxis: Zorgvuldig observeren en luisteren, het zorgvuldig registreren van de stemmen van kinderen is voorwaardelijk voor adequate interpretaties en normatieve reflecties, of in andere woorden: is voorwaardelijk voor goede theologie, die uiteindelijk leidt tot het verrijken van de religieuze praxis van kinderen.

In samenlevingen waar traditionele religieuze stelsels en kerkelijke instituten aan betekenis inboeten wordt het des te meer belangrijk om het religieuze zelfverstaan van jonge mensen letterlijk aan het woord te laten komen. Niet alleen om daarmee kinderen en jongeren beter te kunnen begrijpen, maar ook om God beter te kunnen begrijpen. Dat laatste, althans, als je theologische positie is dat God zich laat kennen in particuliere ervaringen van mensen, ook van jongeren en kinderen. Dat is overigens iets anders dan te zeggen dat elke ervaring een Godsopenbaring is. Het gaat fundamenteel om de mogelijkheid open houden voor het vinden van sporen van God. Construerende theologie zoals voorgesteld staat niet gelijk aan waarnemen, maar neemt waarnemen als een fundamenteel uitgangspunt voor theologiseren. In dat proces zullen waarnemingen zoals gezegd in gesprek gebracht moeten worden met (theologisch) normatieve en verklarende overwegingen van de praktisch theoloog.
Ik denk dat kindertheologie als construerende theologie een theologische onderneming is die aansluit bij de uitdagingen van geloofsgemeenschappen en in het bijzonder kinderwerkers die in een sterk seculariserende context aan het werk zijn. Kindertheologie als construerende theologie helpt ook academici om theologie met de realiteit van vlees en bloed, van het hier en nu in contact te brengen en te houden. Bovendien kan kindertheologie als construerende theologie uiteindelijk dienstbaar zijn aan kinderen om taal te ontwikkelen waarmee zij kunnen communiceren over wat zij als essentieel ervaren in het leven van nu en van later.
Kindertheologie als construerende theologie is mogelijk wat Ward (2008) beschrijft als een theologie opgevat als “participeren in God”. De theologische reflectie van praktisch theologen is volgens Ward (2008) tegelijk een ontmoeting met sociale en culturele vormen van geloven als een tasten naar God in en door deze vormen van geloven. Tegelijkertijd moet benadrukt worden dat ervaringen in geloofspraktijken niet noodzakelijkerwijs (volledig) samenvallen met hoe God is en hoe Hij zichzelf openbaart (Sonnenberg, 2014). Het is inderdaad ‘tasten’ in de kindertheologie. Kindertheologie als construerende theologie verwijst dus ook naar een theologie die principieel voortdurend under construction is.

Literatuur

De Kock, A. (2015a). Being church by religious learning at the street level. Accepted for publication in Ecclesial Practices.
De Kock, A. (2015b). What about learning in practical theological studies? Toward more conceptual clarity. SAGE OPEN, 5(2), DOI: 10.1177/2158244015592682.
Dressler, B. (2014). Zur Kritik der >>Kinder- und Jugendtheologie<<. Zeitschrift für Theologie und Kirche, 111, 332-356.
Faix, T. (2014). Semantics of faith. Methodology and results regarding young people’s ability to speak about their beliefs. Journal of Empirical Theology, 27, 36-56.
Ganzevoort, R.R., & Roeland, J. (2014). Lived religion: the praxis of practical theology. International Journal of Practical Theology, 18(1), 91-101.
Heimbrock, H.G. (2011). Practical theology as empirical theology. International Journal of Practical Theology, 14, 153-170.
Mercer, J.A. (2005). Welcoming children. A practical theology of childhood. St. Louis, Missouri: Chalice Press.
Miller-McLemore, B.J. (2003). Let the children come. Reimagining childhood from a Christian perspective. San Fransisco, CA: Jossey-Bass.
Osmer, R.R. (2005). The teaching ministry of congregations. Louisville: Westminster John Knox Press.
Osmer, R.R. (2008). Practical theology. An introduction. Grand Rapids / Cambridge: William. B. Eerdmans Publishing Company.
Osmer, R.R. (2011). Practical theology: a current international perspective. HTS Teologiese Studies/ Theological Studies, 67(2), #Art. 1058, 7 pages. http://dx.doi.org/10.4102/hts.v67i2.1058
Schweitzer, F. (2014). Religion in childhood and adolescence: how should it be sutided? A critical review of problems and challenges in methodology and research. Journal of Empirical Theology, 27, 17-35.
Sonnenberg, P.M. (2014). God in youth worship. Jaarboek voor Liturgieonderzoek, 30, 223-241.
Ward, P. (2008). Participation and mediation. A practical theology for the liquid church. London: SCM Press.

Over de auteur
Dr. A. (Jos) de Kock is godsdienstpedagoog en als Universitair Docent praktische theologie verbonden aan de Protestantse Theologische Universiteit (PThU, http://www.pthu.nl). Hij is onderzoeker bij het Onderzoekscentrum voor Jeugd, Kerk en Cultuur (www.ojkc.nl) en Chief Editor van Journal of Youth & Theology (www.brill.com/jyt).

Meer onderzoek naar catechesepraktijken wenselijk


Onderstaande tekst is ook gepubliceerd in De Waarheidsvriend van 22 januari 2016 (nummer 3, 2016):
http://dewaarheidsvriend.nl/artikelen/ontwikkelingen-in-de-catechese 

Steeds meer zeggen catecheten dat ze niet met slechts één catechesemethode uit de voeten kunnen. Vaak wordt het nut van een methode bevraagd. Op een bepaalde manier is dit een goede ontwikkeling. Daarmee komt meer dan ooit de vraag op catecheten zelf af: wat beoog ik met de catechese?
Het is de vraag die professionals in de catechese, dus predikanten opgeleide kerkelijk werkers en jongerenwerkers, zichzelf nadrukkelijk moeten stellen. Deze bijdrage richt zich vooral op de ‘professionals’, op hen die in de gemeente aangesteld en werkzaam zijn als catecheet. Wat natuurlijk onverlet laat dat veel goede catechesepraktijken ondenkbaar zijn zonder de inzet van vrijwilligers uit de gemeente.

Methode
Een catechesemethode op zichzelf is heel nuttig. In de eerste plaats biedt een methode een belangrijk houvast: het reikt een logische opbouw van een programma per jaar, en over verschillende jaren heen aan. In de tweede plaats biedt een methode het materiaal, de verwerkingsopdrachten en ideeën aan, waar je als catecheet anders maar moeilijk en met te veel inspanning op zou komen. In de derde plaats geeft een methode continuïteit in het geval dat er een (af)wisseling van catecheten optreedt En zo zijn er nog wel een aantal andere punten te noemen.
Een catechesemethode biedt dus houvast bij het geven van catechese. Het is alleen al daarom goed om te blijven investeren in goede methoden. Het is echter niet voldoende slechts een catechesemethode als uitgangspunt te nemen voor het nadenken over en ontwerpen van catechesepraktijken. De kans is groot dat de catecheet zelf en wat uiteindelijk beoogd wordt, buiten beeld raken in de catechese.
Wat is het doel van de catechese? Dit blijkt steeds weer de meest prikkelende en tegelijk leerzame vraag te zijn tijdens de colleges of nascholing over catechese. Deze vraag is ook een goed startpunt voor het vormgeven van catechesepraktijken. Het voorkomt dat het doel met het oog op catechisanten, uit beeld raakt bij het volgen van een vaststaand programma. In plaats van het programma, komt wat je beoogt in de godsdienstige ontwikkeling van jongeren meer centraal te staan.
De catechese, die in de praktijk veelal jongerencatechese is, staat niet los van de gemeente maar hoort een plaats te krijgen in het geheel van de christelijke gemeente als lerende gemeenschap. Het geloofsleren laat zich niet opsluiten in een programma en een wekelijks uur catechese maar voltrekt zich te midden van de geloofsgemeenschap en het leven van alledag.

Maatwerk
De vraag naar wat beoogd wordt, maakt ook het gesprek los over de inspiratie in de catechese: ‘Welke Bijbelse lijnen, Bijbelse personages of passages zijn voor mij en voor mijn collega’s inspirerend of richtinggevend voor het ontwerpen en verzorgen van catechese? En hoe zorg ik ervoor dat ik daarin niet afgeleid word door uitgangspunten van een methode die de mijne niet zijn? De ervaring van de beperktheid van methodes, hoeveel houvast ze ook geven, heeft alles te maken met ontwikkelingen in lokale kerken die enorm divers en ongelijktijdig zijn. Er wordt veel gevraagd van de individuele catecheet. Hij wordt veelal geacht maatwerk te leveren op een specifieke plaats en in een specifieke context. Naast een goede methodeontwikkeling is vooral de ontwikkeling van goede catecheten van belang. Dit geldt niet alleen voor de opleiding van predikanten, maar ook voor de toerusting van vrijwilligers, jongerenwerkers en voor de permanente educatie van predikanten en kerkelijk werkers.
De voortdurende ontwikkeling van catechese en catecheten is gediend met goed onderzoek en onderwijs op het gebied van de catechese. In De Waarheidsvriend 2015, nummer 39 is inzichtelijk gemaakt hoe het onderwijsprogramma van de Protestantse Theologische Universiteit daarin voorziet (zie ook het kader onderaan dit artikel). En wat gebeurt er op het gebied van onderzoek?

Onderzoek
De afgelopen jaren heb ik samen met collega’s intensief gewerkt aan een godsdienstpedagogisch kader voor het ontwerpen en onderzoeken van catechesepraktijken. Over dat kader is internationaal gepubliceerd. Het bevat een doordenking van doelen van catechese, rollen van catecheten en catechisanten, de verhouding van catechese tot de lerende gemeente en de geloofsopvoeding door ouders, en de verhouding tot de godsdienstige vorming in andere contexten zoals de school en het (digitale) leven van alledag.
Voor het ontwikkelen van dit godsdienstpedagogisch kader wordt empirisch onderzoek gedaan. Zo wordt op dit moment een promotieonderzoek verricht waarin een onderzoeksinstrument is ontwikkeld waarmee inzichtelijk kan worden gemaakt wat de verbanden zijn tussen enerzijds de wijze waarop catechese wordt vormgegeven en anderzijds wat catechisanten ervan leren. Dit is een unieke bijdrage aan het (internationale) onderzoek naar catechesepraktijken.
De ambitie is om voor de toekomst het onderzoek te verdiepen en uit te breiden. Zowel binnen de Nederlandse context als in internationaal perspectief. We kunnen inmiddels de stap zetten naar meer empirische onderzoek omtrent catechesepraktijken. Zo ontstaat er meer inzicht in het optimaliseren van de begeleiding van geloofsleren.
Dit is belangrijk voor de scholing en ondersteuning van catecheten maar ook nodig als input voor goede methodeontwikkeling. Verder draagt dit onderzoek bij aan de bezinning op catechese in kerk en opleiding. De essentiële vragen die terugkeren zijn: Wat en hoe en waartoe dient er geleerd te worden in de christelijke gemeente van nu. Bij elke verandering worden die vragen weer actueel. Zo besprak ik onlangs met studenten bijvoorbeeld de godsdienstpedagogische consequenties van de nota Kerk2025. Wat betekent het adagium ‘back to the basics’ uit de nota voor het vormgeven aan geloofsleren? En hoe kan bijvoorbeeld het ideaal van inwijding in de geloofsgemeenschap functioneren in leerprocessen binnen nieuwe vormen van geloofsgemeenschappen vergeleken met meer klassieke kerkgemeenschappen?

Wereldwijd
Onderzoek moet nooit op zichzelf staan. In samenwerking met jeugdorganisaties, klankbordgroepen, en andere netwerken rond catechese, moeten in het onderzoek de juiste vragen geagendeerd worden en resultaten vruchtbaar worden gemaakt. Een aantal jaren geleden verscheen ons boek Altijd Leerling: basisboek catechese. Dit boek vraagt bijvoorbeeld ook om een grondige update en een andere vorm, dan een boek om inzichten te delen.
In het nadenken over catechese in Nederland is het goed dat er verbondenheid is met het internationale discours over catechese en geloofsleren. De kerk in de westerse wereld krimpt. De zichtbaarheid van en verbondenheid met de wereldwijde kerk neemt toe. Bij de bestudering van catechesepraktijken is een internationaal perspectief geboden en leerzaam. Dat is een belangrijke drijfveer voor mij om te participeren in het wereldwijde academische netwerk rond jongerenwerk en catechese.
Er is veel in beweging in de catechese. Diverse professionals, netwerken en organisaties werken met elkaar aan verbetering en vernieuwing van de praktijk van catechese. Meer structureel (academisch) onderzoek naar catechesepraktijken is wenselijk. Dit kan samengaan met de academische vorming van toekomstige predikanten en kerkelijk werkers en de toerusting van zowel professionals als vrijwilligers die zich willen specialiseren in deze thematiek. En de ultieme vraag die daarbij als een refrein steeds terugkeert is: Wat beoog ik eigenlijk met de catechese?

Dr. A. de Kock is godsdienstpedagoog en als Universitair Docent Praktische Theologie (Educatie & Catechetiek) werkzaam aan de Protestantse Theologische Universiteit. Hij is bovendien vaste gastdocent catechetiek in de bacheloropleiding van de TU Kampen.

 

============================================================

PThU – onderwijs op het gebied van de catechese

Voor predikanten is het van wezenlijk belang om voldoende oog te hebben voor de godsdienstpedagogische en pedagogisch-didactische dimensies van de catechese. Aan de PThU schenk ik hier in een aantal modules dan ook aandacht aan.
In het master onderwijs in zowel Amsterdam als Groningen verzorg ik de module Leren Geloven. Studenten werken in deze module aan hun didactische én godsdienstpedagogische bekwaamheid. Het verzorgen van catechese is een van de belangrijke aandachtsvelden, zowel in colleges als in de stageactiviteiten.
Daarnaast verzorg ik in de masteropleiding de specialisatiecursus Worship & Formation: studenten worden uitgedaagd de wisselwerking tussen liturgie, vieren en leren te onderzoeken. Ook hierin komen implicaties voor de catechese aan de orde.
In het eerste jaar van het masteronderwijs in Amsterdam bieden we studenten bovendien een basiscursus didactiek.
In de joint bachelor Theologie in Amsterdam verzorg ik samen met collega’s onderwijs in de Praktische Theologie. In die modules worden studenten onder andere ingeleid in de discipline van de godsdienstpedagogiek en in dat kader zijn vormen van catechese al onderwerp van reflectie.
In het kader van de Permanente Educatie verzorg ik de module Leren: leuk en pijnlijk tegelijk: een hele praktische nascholing waarin predikanten zich (didactisch) verder kunnen bekwamen in de eigen catechesepraktijken. Daarnaast participeer ik als PThU docent in de nascholingscursus van Driestar educatief De predikant als leraar.

============================================================

Kerken moeten vooroplopen bij sportstimulering

voetbal-stockfoto-1024x575Uit onderzoek van het RIVM, in opdracht van de Hartstichting, waarover vandaag bericht werd blijkt dat het aantal mensen met hart- en vaatziekten in Nederland sterk gaat toenemen. Naast vergrijzing is een belangrijke oorzaak van deze toename een ongezonde leefstijl. Daarom speciaal vandaag het onderstaande statement:

Kerken in Nederland moeten voorop lopen bij sportstimulering.

Sporten draagt bij aan een gezonde leefstijl; het draagt bij aan plezierbeleving; en het bevredigt de behoefte aan competitie en prestatie.
Met een gezonde leefstijl wordt de schepping in ere gehouden.
Hetzelfde geldt voor plezier.
Gezondheid en plezier zijn bovendien in het algemeen belang van een samenleving.
Competitie- en prestatiedrang leidt niet zelden tot zieke en onplezierige kerken. Het hoort daar niet thuis.
Sporten kanaliseert competitie- en prestatiedrang op een gezonde en plezierige wijze. Met hulp van enkele spelregels en goodwill levert sporten veel positieve energie op.
Sportstimulering voorkomt een al te grote uitwerking van competitie- en prestatiedrang op het functioneren van gemeenschapsverbanden in het algemeen en kerken in het bijzonder.
Positieve energie is bovendien in het algemeen belang van een samenleving.
En daarom moeten kerken in Nederland voorop lopen bij sportstimulering.

Noot voor kerken: Sportstimulering is hier nadrukkelijk bedoeld als sport stimulering. Niet bedoeld is het stimuleren van sponsorlopen of andere sportieve events waarmee geld wordt ingezameld voor goede doelen. Sport is zoveel meer dan dat.

Kinder- en jongerenwerk. Wat staat de kerk te doen?

Ouderlingenblad-1062-september-2015-266x300Voor kerkenraden schreef ik in het septembernummer van het Ouderlingenblad een artikel over hoe je als kerk dienstbaar kunt zijn aan kinderen en jongeren op weg naar 2025:

De Kock, A. (2015). Kinder- en jongerenwerk. Wat staat de kerk te doen? Ouderlingenblad, 63(1062), 25-27.

Hieronder volgt de tekst van het artikel.

Hoe kun je als kerk dienstbaar zijn aan kinderen en jongeren op weg naar 2025 en daarna? Dat is een bezinningsvraag, ook voor kerkenraden, die hard nodig onder ogen gezien moet worden.

Grote verschillen

De situatie van plaatselijke gemeenten is zeer divers. Zo zijn er gemeenten met goed lopend jeugdwerk en bloeiende catechesegroepen. Maar er zijn ook gemeenten waar het kinderwerk en jongerenwerk steeds minder bezoekers trekt en waar het steeds moeilijker wordt om mensen te vinden die er leiding aan willen geven. En er zijn gemeenten voor wie geldt dat de groep van kinderen en tieners zelfs helemaal ontbreekt.
Daarnaast is er ook veel diversiteit onder de groep kinderen en jongeren waar we het over hebben. Voor de een geldt dat hij trouw meedoet aan activiteiten van de kerk maar tegelijkertijd fundamentele twijfels heeft over het geloof. Voor een ander geldt dat zij overtuigd in haar geloof staat maar zich tegelijkertijd maar moeilijk verbindt met de plaatselijke kerkgemeenschap. En er zijn natuurlijk de kinderen en jongeren die zich aan of over de ‘rand van de kerk’ bevinden, en voor wie de kerk in missionaire zin graag iets betekent.
Deze verschillende vormen van diversiteit en ongelijktijdigheid maakt het niet eenvoudig om een eenduidig antwoord te geven op de vraag hoe de kerk dienstbaar moet zijn aan kinderen en jongeren. Tenminste, een ‘one size fits all’ antwoord is niet te geven. Maar er zijn wel twee belangrijke ingrediënten te noemen voor het beleid van een kerkenraad ten aanzien van kinderen en jongeren in de kerk. De eerste is: zorg ervoor dat een opgroeiende generatie in contact is met (inspirerende) voorbeelden, mensen die in de praktijk laten zien wat het betekent te geloven. De tweede is: zorg ervoor dat een nieuwe generatie in gemeenschappen kan opgroeien waarin geloven een belangrijke plek heeft.

Inspirerende voorbeelden

Voorbeelden om kinderen en jongeren heen zijn belangrijk voor de ontwikkeling van geloven. Afkijken, aflezen, nadoen zijn belangrijke manieren waarop kinderen leren. Ook als het om geloven gaat. Het is daarom belangrijk dat een kerk erop uit is om kinderen en jongeren zo veel mogelijk in contact te laten komen met deze ‘geloofsvoorbeelden’. Meer dan een programma, een activiteit of een catecheseavond zijn zíj degenen die een nieuwe generatie in de kerk vormen. Jongeren zijn op zoek naar ankerpunten voor hun (godsdienstige) ontwikkeling: wat is waar, wat is waardevol, wat is zin in het leven? Daarin kunnen voorbeelden– mensen aan wie je in hun leven kunt zien wat waar, waardevol en zin is – een belangrijke rol vervullen.

Geloofsgemeenschap

Naast voorbeelden vormen gemeenschappen een belangrijk ingrediënt voor het dienen van kinderen en jongeren in de kerk. Nu lijkt dat een ‘open deur’. Is de kerk op zichzelf niet dé gemeenschap waarin geloven een plek heeft en waarbinnen kinderen en jongeren het geloof kunnen ontdekken en leren? Dat is natuurlijk zo, maar tegelijkertijd zien we dat een nieuwe generatie zich maar moeilijk verbindt met die kerk en dat de groep van kinderen en jongeren soms helemaal afwezig is in de kerkgemeenschap. Dat betekent dat op een andere manier dan via ‘reguliere’ programmaonderdelen op de agenda van de plaatselijke gemeente die gemeenschap moet worden gezocht. Want jongeren hebben net zo veel als vroeger behoefte aan gemeenschap om zich heen: zij komen graag samen, zoeken graag de ontmoeting met anderen om samen wat te beleven en te vieren. Maar zij vinden die ruimte kennelijk niet ‘automatisch’ meer in de plaatselijke gemeente als geloofsgemeenschap.
Jongeren, ‘in’ of ‘buiten’ de kerk, lijken zich van het instituut kerk af te bewegen. Zij blijven echter wel verlangen naar samenzijn. De beweging kan gaan in de richting van het zoeken en delen van geloof in een vriendengroep, op speciale avonden of weekenden (denk aan festivals en concerten) of gewoon in de huiselijke omgeving; op streetlevel, zo gezegd. Niet voor niets wordt het belang van de geloofsopvoeding door ouders thuis de laatste tijd breed benadrukt. Het kan ook een beweging zijn in de richting van digitale gemeenschappen, in verbinding met het wereldwijde christendom en charismatische representanten daarvan. Sociale media brengen die dichterbij dan ooit.

Community light

De kansen voor godsdienstige vorming van een nieuwe generatie moeten dan ook in toenemende mate gezocht worden in dit type gemeenschappen, die vaak losjes of niet verbonden zijn met het instituut kerk en haar geprogrammeerde activiteiten voor kinderen en jongeren. Al deze – soms tijdelijke – gemeenschappen zijn niet iets extra’s, iets leuks ‘voor erbij’; het zijn de nieuwe ruimten waarin de kerk aan haar godsdienstige vorming gestalte kan en moet geven. En die belangrijke voorbeeldfiguren zijn in die gemeenschappen te vinden. Dat is dus niet alleen moeder, de clubleiding of de catecheet, maar is soms de leraar, dan weer een leeftijdgenoot, een artiest, een auteur, een voorganger van een andere gemeente, enzovoort.

Kansen creëren

De plaatselijke gemeente is op zichzelf vaak niet meer te beschouwen als de leergemeenschap, maar is als gemeente een deelnemer aan een veel grotere pedagogische ruimte. De kunst voor de kerk is: durf gemeenschappen van kinderen en jongeren te ondersteunen of op te zetten die met de plaatselijke gemeente of het instituut misschien niet veel meer te maken hebben. En wees daarin dienend aanwezig. Maak ook daarin de rijkdom van de kerk vruchtbaar. Maar wat betekent dat praktisch voor kerkenraden die dienstbaar willen zijn voor een nieuwe generatie kinderen en jongeren?

► In de eerste plaats: vanuit de gedachte dat de plaatselijke gemeente niet dé leergemeenschap maar deelnemer aan een grotere pedagogische ruimte is, vraagt kerkelijk kinder- en jongerenwerk principieel om doordenking en leiding vanuit allianties van verschillende gemeenten in dezelfde plaats of regio. De ontmoeting van kerkenraden, jongerenwerkers en andere betrokkenen bij kinder- en jongerenwerk die breder is dan de eigen gemeente doet de ogen gemakkelijker openen voor mogelijkheden om kinderen en jongeren te ondersteunen.

► In de tweede plaats: In dat bredere verband kan nagedacht worden over: wie zijn (potentieel) belangrijke voorbeeldfiguren voor verschillende kinderen en jongeren waarmee wij te maken hebben? Zijn dat vooral de ouders, of zijn dat vooral leeftijdgenoten, of…. In de kerk zijn we gewend geraakt om jeugdactiviteiten en zeker catecheseprogramma’s op te bouwen vanuit de inhoud: waar moet het over gaan? De uitdaging lijkt mij om activiteiten en programma’s te ontwikkelen vanuit de vraag: wie zijn aansprekend en aanspreekbaar voor onze kinderen en jongeren en hoe kunnen wij deze ‘geloofsvoorbeelden’ ondersteunen bij hun samen oplopen met een nieuwe generatie?

► In de derde plaats: waar en hoe kunnen we als kerk vormen van geloofsgemeenschap voor kinderen en jongeren ondersteunen? Vaak hoef je overigens niet bij nul te beginnen. Er zijn al veel praktijken aanwijsbaar waarin die gemeenschap gezocht wordt door jongeren: denk aan een (internationale) diaconale werkvakantie waarin hands-on ervaringen met recht en gerechtigheid opgedaan worden; of filmavonden, waar jongeren hun kijkervaringen delen en waar met wat begeleiding de grote vragen over God en mens op tafel komen. Het gaat erom concrete plekken en vormen op het spoor te komen die niet noodzakelijkerwijs besloten liggen binnen de grenzen van de eigen plaatselijke gemeente: zijn het vriendengroepen, zijn het festivals, zijn het online communities of eerder hele lokale gemeenschappen in de straat?

Bij al dit denkwerk als plaatselijke gemeenten geldt natuurlijk ook: betrek hierin de nieuwe generatie zélf! Laat een aantal jongeren zelf de analyse doen van de plaatselijke situatie. Dat leidt tot eerlijke plaatjes en daagt uit om ideaal en werkelijkheid bij elkaar te houden.

Dr. A. (Jos) de Kock is godsdienstpedagoog en als universitair docent praktische theologie werkzaam voor de Protestantse Theologische Universiteit. Hij is tevens medewerker van het Onderzoekscentrum voor Jeugd, Kerk en Cultuur en Editor-in-chief van Journal of Youth and Theology.

Laat aandacht voor inwijding niet verslappen

Afbeelding1Deze tekst verscheen als opiniebijdrage in het Nederlands Dagblad van 30 september 2015 en is geschreven naar aanleiding van het publiekscollege dat ik op 30 september hield in de serie colleges ‘Jong en Geloven’ georganiseerd door AKZ+ in samenwerking met Innov8, PraktijkCentrum en Onderzoekscentrum voor Jeugd, Kerk en Cultuur.

Kerken moeten de aandacht voor inwijding in de geloofsgemeenschap niet laten verslappen. Anders heft de kerk zichzelf op, langzaam maar zeker.

In het internationale debat over christelijk jeugdwerk is het een zorg die meer dan eens naar voren wordt gebracht: ‘Er is nog maar weinig aandacht voor de inwijding van een nieuwe generatie in de geloofsgemeenschap’. Ik deel die zorg. Die zorg betreft niet per se alle praktijken van jeugdwerk in Nederland, want er is veel diversiteit; mijn zorg betreft een algemene tendens die ik in kerken en jeugdwerk bespeur.

Met inwijding bedoel ik dat kinderen en jongeren deelgenoot worden gemaakt van het evangelie én deelgenoot van een geloofsgemeenschap die dat evangelie bewaart en doorgeeft. Die geloofsgemeenschap is een voortdurende ontmoeting van mensen rond de verkondiging van het Woord, in praktijken van gebeden, sacramenten, onderling dienstbetoon en dienstbaarheid aan de wereld om haar heen. Inwijding in de geloofsgemeenschap gaat dus verder dan met kinderen en jongeren van gedachten wisselen over God en geloven. Jeugdwerk in de kerk beoogt dan ook niet alleen dat jongeren persoonlijk betrokken raken op het geloof, maar ook dat zij zich verbinden aan een geloofsgemeenschap van waaruit zij op hun beurt weer gestalte geven aan de inwijding van een volgende generatie.

vitale bron
Op verschillende manieren wordt het verslappen van aandacht voor inwijding in kerken en kerkelijk jeugdwerk naar voren gebracht. Er zijn auteurs die beweren dat modern jongerenwerk totaal is vergeten om de geloofsgemeenschap, als vitale bron voor geloven, aan te bieden aan jongeren. Andere auteurs wijzen vooral op het gebrek aan gemeenschap in de kerk en een sterke gerichtheid op individuele navolging van Christus. Zelf constateerde ik onlangs in gesprek met iemand dat het soms als vloeken in de kerk wordt ervaren als je uitspreekt dat je jongeren wil binden aan de lokale gemeente. Het gaat er toch vooral om dat je het contact niet met ze verliest, dan mag je al heel tevreden zijn.

Een aantal ontwikkelingen dragen bij aan het verslappen van aandacht voor inwijding in jeugdwerk in kerken. Deze ontwikkelingen op zichzelf zijn overigens in het geheel niet zorgelijk wat mij betreft. De combinatie ervan vraagt echter wel om een extra inspanning van kerken om aan inwijding van een nieuwe generatie gestalte te geven.

vastzitten
Een eerste ontwikkeling die je ziet, is dat wordt ingezet op vloeibare gemeenschappen rond jongeren, in plaats van op samenzijn in meer institutionele kerkstructuren. Jongeren hebben nog steeds behoefte aan gemeenschap, maar willen er niet voor altijd aan vast zitten en deze gemeenschappen komen op en gaan weer. Door in het jeugdwerk sterker deze tijdelijke groepen en tijdelijke activiteiten te ondersteunen, verschuift het accent van kerkopbouw naar jongerenopbouw. Het gaat mij er niet om dat er te kiezen zou zijn vóór het ene accent en tegen het andere. Punt is dat met deze accentverschuiving het inwijdingsideaal onder druk kan komen te staan.

ouders
Een tweede ontwikkeling is het in toenemende mate inzetten op ouders als primair verantwoordelijken voor het geloofsonderricht in de kerk en het jeugdwerk. Niet de gespecialiseerde jongerenwerker of catecheet, maar vader en moeder dienen in de gemeente het voortouw te nemen. Ouders worden de nieuwe jeugdwerkers zogezegd. En predikanten en jeugdleiders zullen de aandacht moeten verdelen over enerzijds het direct werken met kinderen en jongeren en anderzijds de toerusting van ouders in de geloofsopvoeding. Het is echter de vraag of het ideaal van inwijding vanzelfsprekend hoog gehouden wordt door alle ouders. Veel ouders zijn zich zelf al losser gaan opstellen ten opzichte van de eigen kerk als geloofsgemeenschap. Veel ouders vinden het, begrijpelijk, al heel wat als er met hun kinderen en jongeren over het evangelie van gedachten gewisseld wordt. En wat te denken van de groep ouders die zelf het geloven vaarwel aan het zeggen zijn? Kortom: ook hier zou inwijding om begrijpelijke redenen zomaar buiten het vizier kunnen raken.

missionaire praktijk
Een derde ontwikkeling is de toegenomen aandacht voor missionaire dienstbaarheid in het kerkelijk jeugdwerk. In het missionaire jongerenwerk wordt dikwijls niet een inwijding in een bestaande geloofsgemeenschap beoogd, wel het delen of belichamen van het evangelie temidden van allerlei levensvragen en -ervaringen van individuele jongeren. Ook hier geldt: binding aan een bestaande geloofsgemeenschap bevindt zich veelal buiten het vizier. Wel ontstaan in de missionaire praktijk meer dan eens nieuwe vormen van geloofsgemeenschap buiten bestaande kerkstructuren om. Maar ook hier is de vraag in hoeverre inwijding van weer een volgende generatie tot het DNA van die nieuwe, soms tijdelijke, gemeenschappen zal behoren.

Wil de aandacht voor inwijding van kinderen en jongeren niet verslappen, dan zullen kerken meer dan ooit een extra inspanning moeten leveren. Ik pleit voor een breed gesprek in Nederland van jongerenwerkers en leidinggevenden in kerken rond de vraag hoe inwijding van een nieuwe generatie op de agenda blijft van geloofsgemeenschappen. Er is geen ‘one size fits all-recept’. Dat is zeker. Wel een paar ingrediënten: een voortdurende ontmoeting van jongeren rond de verkondiging van het Woord, in praktijken van gebeden, sacramenten, onderling dienstbetoon en dienstbaarheid aan de wereld om hen heen.

dr. A. (Jos) de Kock is godsdienstpedagoog en als universitair docent verbonden aan de Protestantse Theologische Universiteit en het ­Onderzoekscentrum voor Jeugd, Kerk en Cultuur

Kerkgebouwen en jongerenwerkers: antwoord op de crisis?

Een aantal maanden terug kwam de nota “kerk naar 2025: een verkenning” uit die werd besproken in de afgelopen PKN synodevergadering van 23/24 april 2015). In deze nota wordt (slechts) viermaal expliciet gesproken over kinderen en jongeren:

– Het is voor veel tijdgenoten niet gemakkelijk zich bij bestaande gemeenschappen te voegen. “Dat geldt vaak ook voor de eigen kinderen. Zij ervaren drempels waar ze niet zomaar overheen komen.” (p. 11)
– “Hoe dragen we het geloof over aan elkaar en onze kinderen, en hoe wijden we hen in de wereld van de christelijke traditie in? Juist in de geloofsoverdracht is veelal sprake van een crisis, en daarom staan we voor de uitdaging hier op eigentijdse wijze inhoud aan te geven. “ (p. 11)
– “Ze [ambtsdragers, AK] kunnen echter ook hun speerpunt maken in missionair werk of werk onder jongeren.” (p. 13)
– “Kerkleden, vooral jongeren, identificeren zich minder of helemaal niet met een georganiseerd kerkgenootschap.” (p. 13)

Het beeld dat naar voren komt is: de volwassen generaties weten niet meer hoe het geloof overgedragen moet worden en hoe een nieuwe generatie in te wijden is in de christelijke traditie. Bovendien werkt die nieuwe generatie bepaald niet mee: die identificeert zich minder of in het geheel niet met een georganiseerd kerkgenootschap en kan maar moeilijk drempels overstappen om zich bij bestaande geloofsgemeenschappen te voegen.

Iets van dat niet willen of kunnen voegen in bestaande geloofsgemeenschappen zien we ook terug in het essay “de predikant-2025 – apostel en non-conformist”dat collega Bert de Leede heeft geschreven ter gelegenheid van zijn afscheid van de Protestantse Theologische Universiteit. De Leede stelt zich in het essay de volgende vragen: In welk maatschappelijk, cultureel en religieus krachtenveld vervult de predikant anno 2025 in de kerk en in de samenleving van 2025 ambt en beroep? Wat moet hij/zij daartoe kennen, kunnen en aankunnen? En hoe leiden wij daartoe op? Ook voor dit document geldt dat viermaal expliciet gesproken wordt over kinderen en jongeren:

– “Mijn zondagmiddag eindigt in Amsterdam, op familiebezoek, langs de oever van de Amstel. Ik zie veel ‘jong’ passeren, op hippe (bak-)fietsen. Veel is blank, welvarend, jong en stemt vermoedelijk D66.” (p. 5)
– Ten aanzien van kerken en gemeenten op de Bible Belt: “De ‘brede rand van ‘hervormde volksreligiositeit’ – onze Nederlandse variant van ‘vier-wielen-christendom’ – valt bij de (klein-) kinderen van ontkerkelijkte leden weg.” (p. 8)
– Ten aanzien van wat christelijk leven in de stad nodig heeft: “Concentratie op de oude kathedrale kerken én op (ook nu!) nieuwe kerkgebouwen met uitstraling (…) plaatsen van ‘oefening en inwijding in christelijk leven’, voor kinderen en jongeren, (…) (p. 9)
– Punt 6 van de gevolgtrekkingen “6. De verantwoordelijkheid voor de uitvoering van alle werk, voor zover betaald, berust bij een team van ambtelijk gezondenen: Predikanten (WO en HBO opgeleid), kerkelijk werkers, jongerenwerkers, pioniers, diaconaal werkenden, etc. Daarbij wordt inhoudelijk gedacht vanuit een differentiatie in verschillende bedieningen, toevertrouwd aan daartoe opgeleiden en gekwalificeerden (prediking, voorgaan in de liturgie van Woord en Sacrament, geloofsonderricht, pastoraat, representatie in het publieke domein, geestelijke begeleiding, missionair werk, jongerenwerk)”

Kinderen en jongeren voegen zich dus niet zomaar meer in voksrelgiositeit, in bestaande geloofsgemeenschappen met een jarenlange traditie. De kerk ziet vooral veel jong passeren.

Zowel de nota Kerk naar 2025 als het essay van collega De Leede wijzen in het licht van deze analyse op een belangrijk speerpunt voor kerk en opleiding: er zijn ambtsdragers of ambtelijk gezonden jongerenwerkers nodig. Volgens De Leede is dat zelfs een aparte bediening waartoe je wordt opgeleid en gekwalificeerd.
Een tweede speerpunt wordt door De Leede gezocht in kerkgebouwen (oude en nieuwe) waar kinderen en jongeren zich kunnen oefenen in christelijk leven, waar zij zogezegd worden ‘ingewijd’.

Als er, zoals de nota Kerk naar 2025 stelt, een crisis is als het om de voortgang van geloven gaat, is een pleidooi voor kerkgebouwen of andere plekken waar ingewijd kan worden en het aan het werk zetten van jongerenwerkers dan voldoende? Wat moet er in die kerkgebouwen of op andere plekken gebeuren? Waarom zouden kinderen en jongeren daar komen? En wat moeten jongerenwerkers eigenlijk doen? En wat verandert een ambtelijke zending aan wat ze nu al doen? Waar zijn de ouders en grootouders in dit verhaal? En andere leden van de gemeente? En als die er niet zijn? En waar moeten kinderen eigenlijk in ingewijd worden? En moet dat eigenlijk wel?

Een verdere godsdienstpedagogische reflectie is mijns inziens op zijn plaats. Eerder wees ik daar al op onder de titel “in elke monnik, missionaris en leider schuilt een opvoeder”. Het is opmerkelijk dat deze, wat ik noem, godsdienstpedagogische perspectieven maar mondjesmaat betrokken worden in discussies over wat dan heet ‘de toekomst van de kerk’.

Dat mag wel wat scheutiger.