Hokje

Column, verschenen in Jente, nr. 21, maart 2016box

Jij in jouw klein hokje en ik in ’t mijn.
Nee, dit is geen spelfout; geen weggevallen letter die onopgemerkt is gebleven door de eindredactie. Het is een serieuze wens: dat iedereen in z’n hokje zit. Of je een helder licht bent of niet.
Veel mensen zijn tegenwoordig allergisch voor hokjes denken. Het is tenslotte niet leuk dat er ongewild en ongevraagd een label of een stickertje op jou geplakt wordt. Of het nu gaat om je gedragsprobleem, je talent, een ziekte, of de inkomensgroep waartoe je behoort. Je hebt allergie voor zo’n hokje omdat het een ander is die jou in dat hokje stopt. Zelf wil je daar niet in, het is om gek van te worden.
Maar waar je ook gek van wordt is de voortdurende oproep om uit je hokje tevoorschijn te komen. Je kent dat wel. Je moet out of the box denken. Je moet uit je comfortzone stappen. Je moet nieuwe wegen inslaan en het vertrouwde achter je laten. Ook om gek van te worden. Alsof het zoveel opschiet als iedereen uit zijn box komt. Chaos wordt het.
Mijn wens is dat iedereen in z’n hokje blijft of daarnaar terugkeert. Niet in een hokje dat anderen voor je maken maar een die jij zelf verkiest, waar je geborgenheid, rust en vrede ervaart, waar er even niets is of moet.
Toch dagen opvoeders regelmatig kinderen uit om stappen te zetten, dingen te doen en te leren die ze nog niet kunnen. Je zoekt met kinderen, om het duur te zeggen, de zone van nabije ontwikkeling op. Maar dat is wat anders dan onbesuisd alle remmen los laten en alle ankers lichten. Bovendien gaat dit uitdagen als het goed is altijd samen met bevestigen. Een kind heeft bevestiging nodig: acceptatie van wie hij is als het niets onderneemt, als het zich niet ontwikkelt naar welke kant ook op.
Elk kind heeft een hokje waar het in past. Opvoeders moeten de deur daarvan niet dicht gooien. Je kind mag daar zijn. En elke opvoeder doet er goed aan om ook eens terug te keren naar de eigen comfort zone. Die is er niet voor niets.
Jij in jouw klein hokje en ik in’t mijn. Daar is niks mis mee; of je een helder licht bent of niet. Zolang jij zelf en niet een ander over dat hokje gaat.

Advertenties

Scoren

47293_valt-er-nog-wat-te-scoren

Column, verschenen in Jente, nr. 20, januari 2016

Maak eens een foto van hoe jij je kind ziet als het later groot is. En kijk er eens rustig naar. Grote kans dat je naar een ideaalplaatje kijkt. In dat plaatje zie je misschien ook een succesvolle carrière voor je kind.

Carrièretijger, carrière maken, carrièretests; het zijn de eerste zoekresultaten op Google als je carrière invoert. Carrière heeft te maken met scoren, en snél scoren als het even kan. De verwachting van moeten scoren sluimert in meer of mindere mate in de opvoedingspraktijk van alle ouders. Je kind moet scoren. Op het voetbalveld, in de buurt, in de familie en natuurlijk op school.

Naast me ligt het eerste rapport uit groep 4 van een van mijn dochters. Een boekje vol met scores: goed, voldoende, een 6½ , een ‘ga zo door!’. Hoe belangrijk die scores ook zijn, het leven van een kind in groep 4 valt niet te reduceren tot een rapport. Zo is ook een foto van je kind over tien of twintig jaar als het goed is niet slechts een uitvergroting van zijn succesvolle loopbaan.

Een van de simpelste omschrijvingen van carrière is: “werk dat je in je leven gedaan hebt”. Dat zet carrière in het juiste perspectief. Het ís niet je leven maar is daar een onderdeel van. Als opvoeder heb je natuurlijk aandacht voor de loopbaan van je kind. Maar opvoeding is in de eerste plaats gericht op léven. Niet de vraag “wat wil je later worden?” maar “hoe is het nu met jou?” is daarvoor essentieel.

Opvoeders bieden niet in de eerste plaats een carrièreperspectief voor de toekomst maar bieden veiligheid in het hier en nu. Als pleegouders worden wij regelmatig ‘gescoord’ op een checklist veiligheid. Bij elke nieuwe plaatsing is dat de belangrijkste score. En veiligheid gaat dan niet alleen om veilige stopcontacten en een deugdelijke fiets (dat ook!) maar gaat ook over het vermogen tot inleven, en voorspelbaar zijn in gedrag en reacties, om geborgenheid en een regelmatig dag- en nachtritme.

Waar veiligheid is, is leven; en daar is ook een carrière mogelijk. In die volgorde. Niet kinderen moeten scoren, maar wat mij betreft moeten ouders scoren. Op veiligheid wel te verstaan. Scoren op veiligheid betekent volgens de checklist ook: kinderen ruimte geven voor experimenteergedrag. Voor ouders betekent dat: gepaste verwachtingen koesteren. Geen overspannen verwachtingen en niet per se het ideaalplaatje dus.

Offeren

 

kerstsnoep

Column, verschenen in Jente, nr. 19, december/januari 2015/2016, p. 51

 

Offeren

 

Alles is te koop. Opvoeden ook?

Je kent die openingszinnetjes wel: “We leven deze weken toe naar kerst”. En dan weet je hoe laat het is: er volgt een verhaaltje over het thema “verwachting”, over de betekenis van kerst en met een aansporing tot het een of het ander in deze donkere tijd.

Ik heb een ander openingszinnetje gekozen: “Alles is te koop”. Want zeg nu zelf: wat hebben advent en kerstfeest nu met opvoeding te maken? We lezen in de Bijbel over de geboorte van de Here Jezus maar niet uitgebreid over hoe Hij opgevoed wordt. Bovendien lezen we ook niet over hoe Jezus een gezin runt, zoals jij dat elke dag wél moet doen.

Ik dacht wel: op weg naar kerst is alles te koop. Nou ja, alles? In ieder geval heel veel lekkers. Ik houd daar eerlijk gezegd wel van: kerstkransjes, bonbons, pudding. Heerlijk, ik verheug me er al op.

Alles is te koop. Dat kenmerkt ook wel een beetje hoe ons leven is ingericht. Ook voor opvoeders is trouwens veel kostbaars te koop: zelfhulpboeken, educatief speelgoed, ouderschapsverlof en natuurlijk Jente. Veel is te koop, maar is ook álles te koop voor opvoeders? Nee, wel veel lekkers, maar dat is natuurlijk niet alles.

Het belangrijkste dat niet te koop is ben jij zelf. Zonder jou zélf als opvoeder zijn al die kostbaarheden waardeloos, een arme bedoening. Opvoeding vraagt opvoeders die niet kopen maar die offeren. Je kind mag een belangrijk deel van jouw tijd, energie en wie je bent voor zichzelf opmaken.

Opvoeden beperkt zich niet tot het geven van aanwijzingen, voorbeeldig gedrag en zo nu en dan iets samen ondernemen met je kroost. Opvoeden kost je leven. Een kind is niet geholpen met een opvoeder die dicht bij zichzelf, zijn eigen agenda en verlangens blijft, maar met een opvoeder die zichzelf geeft aan het leven van een kind.

Offeren voelt niet altijd prettig. Je wordt gestoord in je eigen hobby. Er is even geen plek in huis waar je rustig kunt zitten. Je moet je bezighouden met vragen die de jouwe niet zijn. Inderdaad: jouw leven wordt door een ander geleefd. Dat is wat offeren, wat opvoeden is.

Er is een simpele oefening om weer eens te ontdekken dat opvoeden niet te koop is. Houd eens een maand lang geld en andere hulpmiddelen op zak bij het opvoeden van je kind. Alleen je eigen tijd en energie, je eigen leven. Laat het opmaken door je kind.

Alles is te koop; maar opvoeden niet. Offeren dus: jouw leven voor dat van je kind. Bij nader inzien: dat heeft misschien toch iets met advent en kerst te maken.

 

Jos de Kock (37) is getrouwd met Belianne (33) en vader van twee dochters; samen zijn zij pleeggezin. Jos loopt hard, drinkt koffie en is godsdienstpedagoog aan de Protestantse Theologische Universiteit.

Raarheid

Column, verschenen in Jente, nr. 18, oktober/november 2015, p. 45.

Geloofsopvoeding draait om de Raarheid.

Raar maar waar: het is het thema van de afgelopen kinderboekenweek [7-18 oktober]. Kinderen voor kinderen maakte onder dezelfde titel een erg leuk lied en geweldige videoclip. Check www.kvk.vara.nl en zing en dans lekker mee:

Het is raar maar waar, dat een vliegtuig vliegen kan, dat een boot ook drijven kan, dat een auto rijden kan. Het is raar maar waar, dat de wind hard waaien kan, water bevriezen kan. Ik word er zo nieuwsgierig van, het is raar maar waar.

Het Kinderen voor kinderen lied gaat over verwondering (‘raar’), vertrouwen (‘waar’) en nieuwsgierigheid. Ik zie er een ritme van geloofsopvoeding in. Het kind verwondert zich over de werkelijkheid om zich heen. De opvoeder laat het kind er vragen bij stellen, zoekt samen met het kind naar antwoorden en probeert te laten zien waar God en waarheid in die wondere wereld is te ontdekken. Die gezamenlijke ontdekkingstocht wakkert nieuwsgierigheid aan: hoe begrijp ik die werkelijkheid en hoe God daarin aanwezig is? Dit is wat ik noem het raar maar waar ritme. Omdat het inzet bij de Raarheid.

Er is nog een ander ritme van geloofsopvoeding, wat ik dan maar noem het waar maar raar ritme. Dat zet in bij de Waarheid. Je kent dit ritme ook vast wel. Het start niet bij de verwondering, maar bij het vertrouwen. De opvoeder laat het kind kennisnemen van wie God is en wat geloven is. Verhalen en in het bijzonder Bijbelverhalen spelen een belangrijke rol. Met deze verhalen en inzichten treedt het kind de wijde wereld in, kijkt om zich heen en verwondert zich: spoort de wereld om mij heen wel met al die verhalen en inzichten? Het kind ontmoet de Raarheid. Die ontmoeting wakkert nieuwsgierigheid aan: hoe kan ik God eigenlijk begrijpen?

Beide ritmen van geloofsopvoeding leiden tot wezenlijke vragen over God en de werkelijkheid om ons heen. Geloofsopvoeding danst nu eens op het raar maar waar ritme, en dan eens op het waar maar raar ritme. Voor beide ritmen geldt: het draait altijd om de Raarheid. Soms is dat lastig, vaak is dat mooi. Kinderen en opvoeders lezen, leven en ontdekken samen in een werkelijkheid die groter is dan zij zelf zijn. Zij verwonderen zich over de dingen om zich heen en over de dingen die zij lezen en horen. Opvoeden is leren verwonderen over het rare maar ware van de werkelijkheid van God.

Linksom, of rechtsom: geloofsopvoeding draait om de Raarheid. Ik zou zeggen: Dansen maar, zodat de wind hard waaien kan…

 
Jos de Kock (37) is getrouwd met Belianne (33) en vader van twee dochters; samen zijn zij pleeggezin. Jos loopt hard, drinkt koffie en is godsdienstpedagoog aan de Protestantse Theologische Universiteit.

Laat aandacht voor inwijding niet verslappen

Afbeelding1Deze tekst verscheen als opiniebijdrage in het Nederlands Dagblad van 30 september 2015 en is geschreven naar aanleiding van het publiekscollege dat ik op 30 september hield in de serie colleges ‘Jong en Geloven’ georganiseerd door AKZ+ in samenwerking met Innov8, PraktijkCentrum en Onderzoekscentrum voor Jeugd, Kerk en Cultuur.

Kerken moeten de aandacht voor inwijding in de geloofsgemeenschap niet laten verslappen. Anders heft de kerk zichzelf op, langzaam maar zeker.

In het internationale debat over christelijk jeugdwerk is het een zorg die meer dan eens naar voren wordt gebracht: ‘Er is nog maar weinig aandacht voor de inwijding van een nieuwe generatie in de geloofsgemeenschap’. Ik deel die zorg. Die zorg betreft niet per se alle praktijken van jeugdwerk in Nederland, want er is veel diversiteit; mijn zorg betreft een algemene tendens die ik in kerken en jeugdwerk bespeur.

Met inwijding bedoel ik dat kinderen en jongeren deelgenoot worden gemaakt van het evangelie én deelgenoot van een geloofsgemeenschap die dat evangelie bewaart en doorgeeft. Die geloofsgemeenschap is een voortdurende ontmoeting van mensen rond de verkondiging van het Woord, in praktijken van gebeden, sacramenten, onderling dienstbetoon en dienstbaarheid aan de wereld om haar heen. Inwijding in de geloofsgemeenschap gaat dus verder dan met kinderen en jongeren van gedachten wisselen over God en geloven. Jeugdwerk in de kerk beoogt dan ook niet alleen dat jongeren persoonlijk betrokken raken op het geloof, maar ook dat zij zich verbinden aan een geloofsgemeenschap van waaruit zij op hun beurt weer gestalte geven aan de inwijding van een volgende generatie.

vitale bron
Op verschillende manieren wordt het verslappen van aandacht voor inwijding in kerken en kerkelijk jeugdwerk naar voren gebracht. Er zijn auteurs die beweren dat modern jongerenwerk totaal is vergeten om de geloofsgemeenschap, als vitale bron voor geloven, aan te bieden aan jongeren. Andere auteurs wijzen vooral op het gebrek aan gemeenschap in de kerk en een sterke gerichtheid op individuele navolging van Christus. Zelf constateerde ik onlangs in gesprek met iemand dat het soms als vloeken in de kerk wordt ervaren als je uitspreekt dat je jongeren wil binden aan de lokale gemeente. Het gaat er toch vooral om dat je het contact niet met ze verliest, dan mag je al heel tevreden zijn.

Een aantal ontwikkelingen dragen bij aan het verslappen van aandacht voor inwijding in jeugdwerk in kerken. Deze ontwikkelingen op zichzelf zijn overigens in het geheel niet zorgelijk wat mij betreft. De combinatie ervan vraagt echter wel om een extra inspanning van kerken om aan inwijding van een nieuwe generatie gestalte te geven.

vastzitten
Een eerste ontwikkeling die je ziet, is dat wordt ingezet op vloeibare gemeenschappen rond jongeren, in plaats van op samenzijn in meer institutionele kerkstructuren. Jongeren hebben nog steeds behoefte aan gemeenschap, maar willen er niet voor altijd aan vast zitten en deze gemeenschappen komen op en gaan weer. Door in het jeugdwerk sterker deze tijdelijke groepen en tijdelijke activiteiten te ondersteunen, verschuift het accent van kerkopbouw naar jongerenopbouw. Het gaat mij er niet om dat er te kiezen zou zijn vóór het ene accent en tegen het andere. Punt is dat met deze accentverschuiving het inwijdingsideaal onder druk kan komen te staan.

ouders
Een tweede ontwikkeling is het in toenemende mate inzetten op ouders als primair verantwoordelijken voor het geloofsonderricht in de kerk en het jeugdwerk. Niet de gespecialiseerde jongerenwerker of catecheet, maar vader en moeder dienen in de gemeente het voortouw te nemen. Ouders worden de nieuwe jeugdwerkers zogezegd. En predikanten en jeugdleiders zullen de aandacht moeten verdelen over enerzijds het direct werken met kinderen en jongeren en anderzijds de toerusting van ouders in de geloofsopvoeding. Het is echter de vraag of het ideaal van inwijding vanzelfsprekend hoog gehouden wordt door alle ouders. Veel ouders zijn zich zelf al losser gaan opstellen ten opzichte van de eigen kerk als geloofsgemeenschap. Veel ouders vinden het, begrijpelijk, al heel wat als er met hun kinderen en jongeren over het evangelie van gedachten gewisseld wordt. En wat te denken van de groep ouders die zelf het geloven vaarwel aan het zeggen zijn? Kortom: ook hier zou inwijding om begrijpelijke redenen zomaar buiten het vizier kunnen raken.

missionaire praktijk
Een derde ontwikkeling is de toegenomen aandacht voor missionaire dienstbaarheid in het kerkelijk jeugdwerk. In het missionaire jongerenwerk wordt dikwijls niet een inwijding in een bestaande geloofsgemeenschap beoogd, wel het delen of belichamen van het evangelie temidden van allerlei levensvragen en -ervaringen van individuele jongeren. Ook hier geldt: binding aan een bestaande geloofsgemeenschap bevindt zich veelal buiten het vizier. Wel ontstaan in de missionaire praktijk meer dan eens nieuwe vormen van geloofsgemeenschap buiten bestaande kerkstructuren om. Maar ook hier is de vraag in hoeverre inwijding van weer een volgende generatie tot het DNA van die nieuwe, soms tijdelijke, gemeenschappen zal behoren.

Wil de aandacht voor inwijding van kinderen en jongeren niet verslappen, dan zullen kerken meer dan ooit een extra inspanning moeten leveren. Ik pleit voor een breed gesprek in Nederland van jongerenwerkers en leidinggevenden in kerken rond de vraag hoe inwijding van een nieuwe generatie op de agenda blijft van geloofsgemeenschappen. Er is geen ‘one size fits all-recept’. Dat is zeker. Wel een paar ingrediënten: een voortdurende ontmoeting van jongeren rond de verkondiging van het Woord, in praktijken van gebeden, sacramenten, onderling dienstbetoon en dienstbaarheid aan de wereld om hen heen.

dr. A. (Jos) de Kock is godsdienstpedagoog en als universitair docent verbonden aan de Protestantse Theologische Universiteit en het ­Onderzoekscentrum voor Jeugd, Kerk en Cultuur

Het goede voorbeeld? Laat maar lopen!

In het tijdschrift Jente schrijf ik regelmatig columns. Onderstaande column schreef ik in het themanummer “Voorbeeldig”. JosdeKock-700x210

 

 

 

Stippen aan de horizon
Column, verschenen in Jente, nr. 17, augustus/september 2015, p. 45. Zie ook online op de website van Jente.

Het goede voorbeeld volgen, pakt niet altijd goed uit.
Daar werd ik kort geleden nog mee geconfronteerd tijdens het lopen van een halve marathon. Ik ben een fanatieke hardloper, maar de beste tijden loop ik tijdens wedstrijden. Dat komt door de adrenaline wellicht, maar ook doordat ik me aan andere lopers kan optrekken. Je rent niet in je eentje, maar je loopt achter goede voorbeelden aan.
Sommige van die goede voorbeelden blijken na verloop van tijd toch iets te rap te lopen. Als dat besef tot je doordringt, kun je twee dingen doen. Optie één: blijven aanklampen en maar doorharken, met als resultaat dat je jezelf opblaast. Dat overkwam me dus een tijdje terug. Wat baal je dan, en wat is de eindstreep dan nog ver. Optie twee: je eigen ritme kiezen, je eigen tempo gaan lopen en je goede voorbeeld laten gaan. Die tweede optie − en stom genoeg had ik die ervaring natuurlijk al veel langer − leidt doorgaans tot de beste resultaten. Het goede voorbeeld moet je gewoon laten lopen.
Het belang van goede voorbeelden in de opvoeding van kinderen wordt alom onderstreept. De vraag is alleen: wat moet een kind met een goed voorbeeld? Erachteraan gaan of laten lopen? Als vader betrap ik me er weleens op: ik verwacht dat mijn dochter mijn instructie nauwgezet opvolgt, precies doet wat ik heb gezegd, op mijn manier: hoe je netjes je limonade opdrinkt, hoe je het beste kunt gaan zitten. Niet zelden leidt dat tot frustratie. Bij mij, omdat de imitatie niet geslaagd is. Bij haar, omdat het te veel gevraagd is.
Goed voorbeeld doet goed volgen. Maar dat is iets anders dan imiteren. Het betekent eerder: laten lopen. Net als in die halve marathon. Je klampt een tijdje aan, je geniet van de snelheid, je proeft het succes, kijkt de techniek af en laat je inspireren door die prachtige outfit. Maar dan komt het moment dat je dat laat lopen, totdat je goede voorbeeld is veranderd in een stipje aan de horizon.
Kinderen doen dat ook. Ze klampen even aan, maar doen het vervolgens net even anders. Ze kiezen hun eigen cadans en eigen tempo. Ze kiezen andere kleding, houden van een andere sport, kiezen voor een andere houding in de kerkbank. Het heeft iets weg van wat je als vader of moeder laat zien, maar tegelijkertijd is het helemaal anders. Opvoeders worden al snel als stippen aan de horizon.
Vaders en moeders zijn ook gebaat bij goede voorbeelden. Christelijke opvoeders noemen hen geloofshelden: van die authentieke voorbeeldfiguren met hun hoofden in de bladen. Ik zeg: je blaast jezelf op als je ze imiteert. Laat ze lopen! Zoek de eigen cadans, dan kunnen je kinderen misschien ook nog volgen.

Jos de Kock (37) is getrouwd met Belianne (33) en vader van twee dochters; samen zijn zij pleeggezin. Jos loopt hard, drinkt koffie en is godsdienstpedagoog aan de Protestantse Theologische Universiteit.

 

Promotie: hoe moslimjongeren hun religieuze identiteit ontwikkelen

gw_hum_moslimjongeren_770x510

© iStockphoto.com/1001nights

Je hebt wel eens een idee. In 2008 was er zo’n moment. Een onderzoek naar de religieuze identiteitsontwikkeling van moslimjongeren in onze samenleving. Want: wat weten we daar eigenlijk over en hoe kunnen we er meer over te weten komen?

 
Het idee werd werkelijkheid en een promotieonderzoek ging van start in 2010. En volgende maand wordt het onderzoek verdedigd, door promovenda Elsbeth Visser-Vogel. Met veel plezier heb ik samen met collega’s Cok Bakker (UU) en Marcel Barnard (PThU) het onderzoek gedurende de afgelopen jaren begeleid.

 
Centrale vraag in het onderzoek is: Hoe beleven en ontwikkelen moslimjongeren hun religieuze identiteit? Op 19 mei verdedigt Elsbeth Visser-Vogel haar proefschrift, met als titel ‘Religious identity development of orthoprax Muslim adolescents in the Netherlands’.
Het onderzoek werd mogelijk gemaakt door een gezamenlijke inspanning van de Universiteit Utrecht, de Protestantse Theologische Universiteit en Driestar educatief.

Meer inhoudelijke informatie over het proefschrift en praktische gegevens over de promotie zijn te vinden op de website van de Universiteit Utrecht: http://www.uu.nl/agenda/hoe-moslimjongeren-hun-religieuze-identiteit-ontwikkelen

Roep om eigentijdse catechese is altijd actueel

gggHieronder volgt een deel van een trendartikel over catechese dat verscheen in het Reformatorisch Dagblad van 13 september 2014. In dit deel kom ik aan het woord over ontwikkelingen in catechesepraktijken in de protestantse kerken. Het hele artikel, met daarin ook interviews met ds. Wielie Elhorst (JOP) en ds. Schot (Gereformeerde Gemeenten) is hier te vinden

 

Door Albert-Jan Regterschot

Eigentijdse catechisatiemethoden: ze zijn er altijd geweest. Aandacht voor kennisoverdracht keert ook in iedere generatie terug. Antwoorden op de vraag hoe de praktijk van de catechese er anno 2014 uitziet, of wat recente ontwikkelingen zijn, zijn dan ook niet eenduidig te geven.

Hij zoekt even naar woorden om de spanning aan te duiden tussen twee belangrijke thema’s bij de catechese: de aandacht voor kennisoverdracht enerzijds en aandacht voor jongeren anderzijds. Het liefst kiest dr. Jos de Kock, universitair docent educatie en catechetiek aan de Protestantse Theologische Universiteit (PThU), niet voor een van deze twee. Maar als het dan toch moet? „Dan ga ik voor het serieus nemen van vragen van jongeren.”

De meest over het hoofd geziene vraag in de kerk, zo noemt hij het: de vraag of God bestaat. De Kock: „Je kunt zeggen: het gaat bij catechese over kennisoverdracht. Dat een belangrijk onderdeel. Maar als catecheet moet je weten wat er leeft onder jongeren. Het moet mogelijk zijn dat jongeren met de vraag komen: Bestaat God? Als catechese alleen eenrichtingsverkeer is, in het overdragen van de kerkelijke leer, en je ziet zo’n cruciale vraag van jongeren over het hoofd, dan is er iets mis.”

Aan de vooravond van de start van catechese en winterwerk in veel kerkelijke gemeenten concludeert De Kock dat er een breed palet van ontwikkelingen zichtbaar is op het terrein van de catechese. Dat maakt het ook lastig om over ”de catechese” te spreken, legt hij uit. „Wat bij de ene kerk als nieuw gepresenteerd wordt, is bij de andere al achterhaald en andersom.”

Door de eeuwen heen is er al sprake van een behoefte om de catechese ”eigentijds” te laten zijn, stelt de onderzoeker. „Er kan een valse tegenstelling worden geschapen tussen wat de klassieke catechese heet, waarbij kennisoverdracht centraal staat, en eigentijdse catechese. Kennisoverdracht komt namelijk net zo goed terug in iets eigentijds als de Alpha-cursus, waarbij mensen vertrouwd worden gemaakt met begrippen uit het christelijke geloof. Er is ook een groep predikanten aan het nadenken over een nieuwe catechismus. Dat is heel stoer en eigentijds, maar het gaat wel degelijk over kennisoverdracht. Het is denk ik eigen aan het christendom om telkens opnieuw de vraag te stellen: Waarover hebben we het in de kerk?”

Doelgroep

De aandacht voor wat er leeft onder catechisanten is vooral in ontwikkeling omdat de doelgroep verandert, zegt De Kock. Binnen de kerk komt dat doordat jongeren in het gezin en op school lang niet altijd meer vertrouwd worden gemaakt met de Bijbel en kernbegrippen uit het christelijk geloof. Aan de rand van de kerk zijn er nieuwe toetreders, onder meer in missionaire gemeenten. „In pioniersplekken kun je niet volstaan met het overdragen van waarheden. Het begint met het zoeken van aangrijpingspunten in het leven van mensen, en aan de hand daarvan samen kijken naar hoe God en geloven hiermee in verband kunnen staan.”

Volgens de PThU-docent leeft in de breedte van de kerk het besef dat catechese een van de kurken is waarop de gemeenten drijven. „Ik ontmoet veel predikanten bij nascholingen. De vraag hoe op een goede manier aan kennisoverdracht kan worden gedaan, en wat kernthema’s zijn, leeft bij vrijwel iedereen.”

Leer en leven

De Kock ziet in de Protestantse Kerk in Nederland dat de aandacht voor catechese steeds breder wordt getrokken „dan het wekelijkse lesuurtje in een zaaltje bij de kerk op dinsdagavond. Het besef groeit dat geloofsleren gestalte krijgt in het leven van alledag. Dat betekent enerzijds midden in de samenleving staan om met anderen Gods handelen te zien en te erkennen. Anderzijds is het van belang dat de kerkelijke gemeente een plaats is waar je kunt leren, waar het dagelijkse en het kerkelijke leven worden geduid. Het bijbrengen van Bijbelkennis en discussiëren over het geloof kunnen bijdragen aan het samen leren van en over God.”

Daarnaast is het volgens hem van belang dat kerken onderkennen dat de rol van ouders bij geloofsonderwijs groter wordt. „We hebben in Nederland een lange tijd achter de rug waarin geloofsopvoeding is uitbesteed aan de predikant, de catecheet, de onderwijzer of de godsdienstleraar. Waar die rol wegvalt, komt bij ouders de vraag op hoe ze gestalte kunnen geven aan geloofsopvoeding. De kerkelijke catechese en de huiselijke geloofsopvoeding vallen steeds meer samen.”

Zeker in de rechterflank van de gereformeerde gezindte wordt het belang van kennisoverdracht tijdens de catechese benadrukt. Terecht?

„Leren behoort tot het wezen van de kerk. Maar kennis laten ontstaan bij jongeren over de Bijbel, de leer en de traditie is één ding. De ervaring van Gods werk, van gemeenschap en liefde en een element zoals de houding van een christen, zijn ook belangrijk. Ik denk dat de roep om kennis over te dragen gebaseerd kan zijn op de ervaring dat bepaalde kennis afwezig is. Het is op zich goed om daar aandacht aan te schenken, maar niet eenzijdig. De christelijke gemeente bestaat uit meer dan alleen kennis.”

Hoe kan daar in de catechese ruimte voor worden gemaakt?

„Bijvoorbeeld door praktisch dienstbaar te zijn aan mensen buiten de eigen gemeenschap. Dat vergt dat je met een andere blik kijkt naar de invulling van het begrip catechese. Als het gaat om de ander dienen, dan is dat ook zeker iets wat op jongeren kan worden overgedragen.”

U bepleit aandacht voor vragen rond het bestaan van God. Hoe kan een catecheet dat aanpakken?

„In ieder geval niet door in alle gevallen meteen met allerlei bewijzen te komen dat God bestaat. Diep zo’n vraag eerst eens samen uit. Wat zijn de feitelijke verlangens en behoeften van jongeren? Overdenk vanuit dat perspectief thema’s over God en de Bijbel. Dan moet je soms concluderen dat niet alle vragen zich sluitend laten beantwoorden. Dat is ook onderdeel van het geloofsleren.”

Opvoeding in tien uitgangspunten

OF TIEN STELLINGEN OVER OPVOEDINGlogoWvdO

Wat vind jij belangrijk in de opvoeding? En waar komen die ideeën vandaan? In deze blog zet ik tien uitgangspunten voor opvoeding op een rij.

Van 6 tot en met 12 oktober vindt voor de vierde keer de Week van de Opvoeding plaats (www.deweekvandeopvoeding.nl). De Week van de Opvoeding draait volgens de initiatiefnemers om ontmoeting en uitwisseling tussen ouders, medeopvoeders, kinderen en jongeren. Dit jaar is het motto ‘Ik tel tot tien’.

De eerste associatie is dan natuurlijk “ah! dat gaat over je geduld bewaren”. En dat is inderdaad een belangrijke bezigheid van elke opvoeder. ‘Ik tel tot tien’ (of #ikteltottien) staat echter voor veel meer zaken dan geduld alleen. En dat is ook waar de organisatoren toe willen inspireren.

Het thema bracht mij tot het samenstellen van tien belangrijke uitgangspunten voor opvoeding. Tien uitgangspunten die soms onder de oppervlakte van mijn werk, soms onder de oppervlakte van mijn eigen rol als opvoeder sluimeren. Ik heb ze naar boven gevist en op een rij gezet.

Het zijn uitgangspunten waarover valt te twisten. Je zou ze daarom ook kunnen opvatten als tien stellingen over opvoeding. En een stelling roept een reactie op.
Ik hoop dat die reacties komen, waardoor een gesprek ontstaat. Een gesprek over belangrijke uitgangspunten bij opvoeding. Wat is goede opvoeding en wat vraagt deze tijd van opvoeders? Maar ook een gesprek over praktische consequenties. Door na te denken over praktische consequenties kijk je in een spiegel: doe ik als opvoeder ook echt, waarvan ik zeg dat ik het belangrijk vind?

Ik ben zeer benieuwd naar de reacties. Je kunt ze kwijt onderaan deze blog of via Twitter @josdekock. Gebruik in dat geval ook de hashtag #ikteltottien.

En hier komen ze:

  1. Opvoeding is gericht op vrijheid en recht: kinderen worden vrije mensen die bijdragen aan een rechtvaardige wereld.
  2. Een mens is geen individu zonder de ander. Door opvoeding wordt een kind zichzelf door andermans leven een deel van zijn eigen leven te laten zijn.
  3. Opvoeden is niet roepen langs de zijlijn. Een opvoeder geeft zelf gestalte aan wat waar, waardevol en zin in het leven is.
  4. Opvoeding is een speeltuin. Kinderen en opvoeders spelen samen in een werkelijkheid die groter is dan zij zelf zijn.
  5. Opvoeding is niet oeverloos. Het leven laten stromen kan niet zonder de bedding van de bestaande gemeenschap (je roots); en kan niet zonder de bedding van uitzicht op nieuwe avonturen (je verlangens).
  6. Liefde voor alles. Een veilig nest is geen eindpunt van opvoeding; met liefde de wereld in treden is het volgende station.
  7. Opvoeding maakt wat los. Kinderen worden niet groot door kennis over de status quo maar door de mogelijkheid iets goeds te maken in het leven.
  8. Opvoeden kost je leven. Een mens is niet geholpen met een opvoeder die dicht bij zichzelf blijft maar met een opvoeder die zichzelf geeft aan het leven van een kind.
  9. Opvoeding sticht gemeenschap. Kinderen worden groot, niet door hen anderen te besparen maar door hen deel te laten zijn van een sociaal verband.
  10. Wat moeten we leren? Het nut van kennis en bekwaamheid staat of valt met een goede levenswandel: vreedzaam zijn, welwillend zijn, en voor rede vatbaar zijn om maar wat te noemen.