Mogelijkheid onderzoekssamenwerking kinderen/jongeren & geloof

Er is een interessante mogelijkheid tot onderzoekssamenwerking op het gebied van kinderen/jongeren & geloof:

Gepromoveerde predikanten en andere gepromoveerde theologen hebben nu de mogelijkheid om aan de PThU als geassocieerd onderzoeker te werken aan wetenschappelijk onderzoek en een wetenschappelijke publicatie.

Diverse collega’s uit de verschillende onderzoeksgroepen zijn bereid om daarin met je samen te werken. Dat geldt natuurlijk ook voor mij. Dus: ben jij gepromoveerd predikant/theoloog en geinteresseerd in verder empirisch praktisch theologisch onderzoek op het gebied van kinderen/jongeren & geloof? Neem dan gerust contact met me op. Meer informatie is hier te vinden.

Jos de Kock doet onderzoek op het terrein van kinderen/jongeren & geloof; het snijvlak van leren en vieren; vormgeving van en resultaten van catechesepraktijken; begeleiden van leerprocessen in de christelijke gemeente;  en godsdienstige vorming in geloofsgemeenschappen, waaronder scholen. Het onderzoek betreft praktisch theologisch onderzoek met een sterke empirische component en de discipline van de godsdienstpedagogiek is het specialisme van De Kock.

Advertenties

Meer onderzoek naar catechesepraktijken wenselijk


Onderstaande tekst is ook gepubliceerd in De Waarheidsvriend van 22 januari 2016 (nummer 3, 2016):
http://dewaarheidsvriend.nl/artikelen/ontwikkelingen-in-de-catechese 

Steeds meer zeggen catecheten dat ze niet met slechts één catechesemethode uit de voeten kunnen. Vaak wordt het nut van een methode bevraagd. Op een bepaalde manier is dit een goede ontwikkeling. Daarmee komt meer dan ooit de vraag op catecheten zelf af: wat beoog ik met de catechese?
Het is de vraag die professionals in de catechese, dus predikanten opgeleide kerkelijk werkers en jongerenwerkers, zichzelf nadrukkelijk moeten stellen. Deze bijdrage richt zich vooral op de ‘professionals’, op hen die in de gemeente aangesteld en werkzaam zijn als catecheet. Wat natuurlijk onverlet laat dat veel goede catechesepraktijken ondenkbaar zijn zonder de inzet van vrijwilligers uit de gemeente.

Methode
Een catechesemethode op zichzelf is heel nuttig. In de eerste plaats biedt een methode een belangrijk houvast: het reikt een logische opbouw van een programma per jaar, en over verschillende jaren heen aan. In de tweede plaats biedt een methode het materiaal, de verwerkingsopdrachten en ideeën aan, waar je als catecheet anders maar moeilijk en met te veel inspanning op zou komen. In de derde plaats geeft een methode continuïteit in het geval dat er een (af)wisseling van catecheten optreedt En zo zijn er nog wel een aantal andere punten te noemen.
Een catechesemethode biedt dus houvast bij het geven van catechese. Het is alleen al daarom goed om te blijven investeren in goede methoden. Het is echter niet voldoende slechts een catechesemethode als uitgangspunt te nemen voor het nadenken over en ontwerpen van catechesepraktijken. De kans is groot dat de catecheet zelf en wat uiteindelijk beoogd wordt, buiten beeld raken in de catechese.
Wat is het doel van de catechese? Dit blijkt steeds weer de meest prikkelende en tegelijk leerzame vraag te zijn tijdens de colleges of nascholing over catechese. Deze vraag is ook een goed startpunt voor het vormgeven van catechesepraktijken. Het voorkomt dat het doel met het oog op catechisanten, uit beeld raakt bij het volgen van een vaststaand programma. In plaats van het programma, komt wat je beoogt in de godsdienstige ontwikkeling van jongeren meer centraal te staan.
De catechese, die in de praktijk veelal jongerencatechese is, staat niet los van de gemeente maar hoort een plaats te krijgen in het geheel van de christelijke gemeente als lerende gemeenschap. Het geloofsleren laat zich niet opsluiten in een programma en een wekelijks uur catechese maar voltrekt zich te midden van de geloofsgemeenschap en het leven van alledag.

Maatwerk
De vraag naar wat beoogd wordt, maakt ook het gesprek los over de inspiratie in de catechese: ‘Welke Bijbelse lijnen, Bijbelse personages of passages zijn voor mij en voor mijn collega’s inspirerend of richtinggevend voor het ontwerpen en verzorgen van catechese? En hoe zorg ik ervoor dat ik daarin niet afgeleid word door uitgangspunten van een methode die de mijne niet zijn? De ervaring van de beperktheid van methodes, hoeveel houvast ze ook geven, heeft alles te maken met ontwikkelingen in lokale kerken die enorm divers en ongelijktijdig zijn. Er wordt veel gevraagd van de individuele catecheet. Hij wordt veelal geacht maatwerk te leveren op een specifieke plaats en in een specifieke context. Naast een goede methodeontwikkeling is vooral de ontwikkeling van goede catecheten van belang. Dit geldt niet alleen voor de opleiding van predikanten, maar ook voor de toerusting van vrijwilligers, jongerenwerkers en voor de permanente educatie van predikanten en kerkelijk werkers.
De voortdurende ontwikkeling van catechese en catecheten is gediend met goed onderzoek en onderwijs op het gebied van de catechese. In De Waarheidsvriend 2015, nummer 39 is inzichtelijk gemaakt hoe het onderwijsprogramma van de Protestantse Theologische Universiteit daarin voorziet (zie ook het kader onderaan dit artikel). En wat gebeurt er op het gebied van onderzoek?

Onderzoek
De afgelopen jaren heb ik samen met collega’s intensief gewerkt aan een godsdienstpedagogisch kader voor het ontwerpen en onderzoeken van catechesepraktijken. Over dat kader is internationaal gepubliceerd. Het bevat een doordenking van doelen van catechese, rollen van catecheten en catechisanten, de verhouding van catechese tot de lerende gemeente en de geloofsopvoeding door ouders, en de verhouding tot de godsdienstige vorming in andere contexten zoals de school en het (digitale) leven van alledag.
Voor het ontwikkelen van dit godsdienstpedagogisch kader wordt empirisch onderzoek gedaan. Zo wordt op dit moment een promotieonderzoek verricht waarin een onderzoeksinstrument is ontwikkeld waarmee inzichtelijk kan worden gemaakt wat de verbanden zijn tussen enerzijds de wijze waarop catechese wordt vormgegeven en anderzijds wat catechisanten ervan leren. Dit is een unieke bijdrage aan het (internationale) onderzoek naar catechesepraktijken.
De ambitie is om voor de toekomst het onderzoek te verdiepen en uit te breiden. Zowel binnen de Nederlandse context als in internationaal perspectief. We kunnen inmiddels de stap zetten naar meer empirische onderzoek omtrent catechesepraktijken. Zo ontstaat er meer inzicht in het optimaliseren van de begeleiding van geloofsleren.
Dit is belangrijk voor de scholing en ondersteuning van catecheten maar ook nodig als input voor goede methodeontwikkeling. Verder draagt dit onderzoek bij aan de bezinning op catechese in kerk en opleiding. De essentiële vragen die terugkeren zijn: Wat en hoe en waartoe dient er geleerd te worden in de christelijke gemeente van nu. Bij elke verandering worden die vragen weer actueel. Zo besprak ik onlangs met studenten bijvoorbeeld de godsdienstpedagogische consequenties van de nota Kerk2025. Wat betekent het adagium ‘back to the basics’ uit de nota voor het vormgeven aan geloofsleren? En hoe kan bijvoorbeeld het ideaal van inwijding in de geloofsgemeenschap functioneren in leerprocessen binnen nieuwe vormen van geloofsgemeenschappen vergeleken met meer klassieke kerkgemeenschappen?

Wereldwijd
Onderzoek moet nooit op zichzelf staan. In samenwerking met jeugdorganisaties, klankbordgroepen, en andere netwerken rond catechese, moeten in het onderzoek de juiste vragen geagendeerd worden en resultaten vruchtbaar worden gemaakt. Een aantal jaren geleden verscheen ons boek Altijd Leerling: basisboek catechese. Dit boek vraagt bijvoorbeeld ook om een grondige update en een andere vorm, dan een boek om inzichten te delen.
In het nadenken over catechese in Nederland is het goed dat er verbondenheid is met het internationale discours over catechese en geloofsleren. De kerk in de westerse wereld krimpt. De zichtbaarheid van en verbondenheid met de wereldwijde kerk neemt toe. Bij de bestudering van catechesepraktijken is een internationaal perspectief geboden en leerzaam. Dat is een belangrijke drijfveer voor mij om te participeren in het wereldwijde academische netwerk rond jongerenwerk en catechese.
Er is veel in beweging in de catechese. Diverse professionals, netwerken en organisaties werken met elkaar aan verbetering en vernieuwing van de praktijk van catechese. Meer structureel (academisch) onderzoek naar catechesepraktijken is wenselijk. Dit kan samengaan met de academische vorming van toekomstige predikanten en kerkelijk werkers en de toerusting van zowel professionals als vrijwilligers die zich willen specialiseren in deze thematiek. En de ultieme vraag die daarbij als een refrein steeds terugkeert is: Wat beoog ik eigenlijk met de catechese?

Dr. A. de Kock is godsdienstpedagoog en als Universitair Docent Praktische Theologie (Educatie & Catechetiek) werkzaam aan de Protestantse Theologische Universiteit. Hij is bovendien vaste gastdocent catechetiek in de bacheloropleiding van de TU Kampen.

 

============================================================

PThU – onderwijs op het gebied van de catechese

Voor predikanten is het van wezenlijk belang om voldoende oog te hebben voor de godsdienstpedagogische en pedagogisch-didactische dimensies van de catechese. Aan de PThU schenk ik hier in een aantal modules dan ook aandacht aan.
In het master onderwijs in zowel Amsterdam als Groningen verzorg ik de module Leren Geloven. Studenten werken in deze module aan hun didactische én godsdienstpedagogische bekwaamheid. Het verzorgen van catechese is een van de belangrijke aandachtsvelden, zowel in colleges als in de stageactiviteiten.
Daarnaast verzorg ik in de masteropleiding de specialisatiecursus Worship & Formation: studenten worden uitgedaagd de wisselwerking tussen liturgie, vieren en leren te onderzoeken. Ook hierin komen implicaties voor de catechese aan de orde.
In het eerste jaar van het masteronderwijs in Amsterdam bieden we studenten bovendien een basiscursus didactiek.
In de joint bachelor Theologie in Amsterdam verzorg ik samen met collega’s onderwijs in de Praktische Theologie. In die modules worden studenten onder andere ingeleid in de discipline van de godsdienstpedagogiek en in dat kader zijn vormen van catechese al onderwerp van reflectie.
In het kader van de Permanente Educatie verzorg ik de module Leren: leuk en pijnlijk tegelijk: een hele praktische nascholing waarin predikanten zich (didactisch) verder kunnen bekwamen in de eigen catechesepraktijken. Daarnaast participeer ik als PThU docent in de nascholingscursus van Driestar educatief De predikant als leraar.

============================================================

Kerkgebouwen en jongerenwerkers: antwoord op de crisis?

Een aantal maanden terug kwam de nota “kerk naar 2025: een verkenning” uit die werd besproken in de afgelopen PKN synodevergadering van 23/24 april 2015). In deze nota wordt (slechts) viermaal expliciet gesproken over kinderen en jongeren:

– Het is voor veel tijdgenoten niet gemakkelijk zich bij bestaande gemeenschappen te voegen. “Dat geldt vaak ook voor de eigen kinderen. Zij ervaren drempels waar ze niet zomaar overheen komen.” (p. 11)
– “Hoe dragen we het geloof over aan elkaar en onze kinderen, en hoe wijden we hen in de wereld van de christelijke traditie in? Juist in de geloofsoverdracht is veelal sprake van een crisis, en daarom staan we voor de uitdaging hier op eigentijdse wijze inhoud aan te geven. “ (p. 11)
– “Ze [ambtsdragers, AK] kunnen echter ook hun speerpunt maken in missionair werk of werk onder jongeren.” (p. 13)
– “Kerkleden, vooral jongeren, identificeren zich minder of helemaal niet met een georganiseerd kerkgenootschap.” (p. 13)

Het beeld dat naar voren komt is: de volwassen generaties weten niet meer hoe het geloof overgedragen moet worden en hoe een nieuwe generatie in te wijden is in de christelijke traditie. Bovendien werkt die nieuwe generatie bepaald niet mee: die identificeert zich minder of in het geheel niet met een georganiseerd kerkgenootschap en kan maar moeilijk drempels overstappen om zich bij bestaande geloofsgemeenschappen te voegen.

Iets van dat niet willen of kunnen voegen in bestaande geloofsgemeenschappen zien we ook terug in het essay “de predikant-2025 – apostel en non-conformist”dat collega Bert de Leede heeft geschreven ter gelegenheid van zijn afscheid van de Protestantse Theologische Universiteit. De Leede stelt zich in het essay de volgende vragen: In welk maatschappelijk, cultureel en religieus krachtenveld vervult de predikant anno 2025 in de kerk en in de samenleving van 2025 ambt en beroep? Wat moet hij/zij daartoe kennen, kunnen en aankunnen? En hoe leiden wij daartoe op? Ook voor dit document geldt dat viermaal expliciet gesproken wordt over kinderen en jongeren:

– “Mijn zondagmiddag eindigt in Amsterdam, op familiebezoek, langs de oever van de Amstel. Ik zie veel ‘jong’ passeren, op hippe (bak-)fietsen. Veel is blank, welvarend, jong en stemt vermoedelijk D66.” (p. 5)
– Ten aanzien van kerken en gemeenten op de Bible Belt: “De ‘brede rand van ‘hervormde volksreligiositeit’ – onze Nederlandse variant van ‘vier-wielen-christendom’ – valt bij de (klein-) kinderen van ontkerkelijkte leden weg.” (p. 8)
– Ten aanzien van wat christelijk leven in de stad nodig heeft: “Concentratie op de oude kathedrale kerken én op (ook nu!) nieuwe kerkgebouwen met uitstraling (…) plaatsen van ‘oefening en inwijding in christelijk leven’, voor kinderen en jongeren, (…) (p. 9)
– Punt 6 van de gevolgtrekkingen “6. De verantwoordelijkheid voor de uitvoering van alle werk, voor zover betaald, berust bij een team van ambtelijk gezondenen: Predikanten (WO en HBO opgeleid), kerkelijk werkers, jongerenwerkers, pioniers, diaconaal werkenden, etc. Daarbij wordt inhoudelijk gedacht vanuit een differentiatie in verschillende bedieningen, toevertrouwd aan daartoe opgeleiden en gekwalificeerden (prediking, voorgaan in de liturgie van Woord en Sacrament, geloofsonderricht, pastoraat, representatie in het publieke domein, geestelijke begeleiding, missionair werk, jongerenwerk)”

Kinderen en jongeren voegen zich dus niet zomaar meer in voksrelgiositeit, in bestaande geloofsgemeenschappen met een jarenlange traditie. De kerk ziet vooral veel jong passeren.

Zowel de nota Kerk naar 2025 als het essay van collega De Leede wijzen in het licht van deze analyse op een belangrijk speerpunt voor kerk en opleiding: er zijn ambtsdragers of ambtelijk gezonden jongerenwerkers nodig. Volgens De Leede is dat zelfs een aparte bediening waartoe je wordt opgeleid en gekwalificeerd.
Een tweede speerpunt wordt door De Leede gezocht in kerkgebouwen (oude en nieuwe) waar kinderen en jongeren zich kunnen oefenen in christelijk leven, waar zij zogezegd worden ‘ingewijd’.

Als er, zoals de nota Kerk naar 2025 stelt, een crisis is als het om de voortgang van geloven gaat, is een pleidooi voor kerkgebouwen of andere plekken waar ingewijd kan worden en het aan het werk zetten van jongerenwerkers dan voldoende? Wat moet er in die kerkgebouwen of op andere plekken gebeuren? Waarom zouden kinderen en jongeren daar komen? En wat moeten jongerenwerkers eigenlijk doen? En wat verandert een ambtelijke zending aan wat ze nu al doen? Waar zijn de ouders en grootouders in dit verhaal? En andere leden van de gemeente? En als die er niet zijn? En waar moeten kinderen eigenlijk in ingewijd worden? En moet dat eigenlijk wel?

Een verdere godsdienstpedagogische reflectie is mijns inziens op zijn plaats. Eerder wees ik daar al op onder de titel “in elke monnik, missionaris en leider schuilt een opvoeder”. Het is opmerkelijk dat deze, wat ik noem, godsdienstpedagogische perspectieven maar mondjesmaat betrokken worden in discussies over wat dan heet ‘de toekomst van de kerk’.

Dat mag wel wat scheutiger.

God en geloof: begrijpen we er nog iets van?

Onderstaande tekst is een weergave van mijn bijdrage aan de CHE-werkconferentie “Grensoverschrijdend geloven”, gehouden op 13 november 2014 in Ede. Ter gelegenheid van de start van het lectoraat “Geloven in context” van de Academie Theologie aan de CHE.de sloot (2)

God en geloof in het leven van kinderen en jongeren: daar begrijpen we maar weinig van. Kerkmensen niet, en ook theologen niet. Dat komt door twee dingen: (1) Wij denken te veel, en dan vooral over de kerk of geloofsgemeenschap, en (2) we kijken te weinig, en dan vooral naar het leven: het leven van kinderen en jongeren. De belangrijkste kennisuitdaging die ik heb meegebracht is deze: Hoe zijn God en geloven in het leven van kinderen en jongeren te beschrijven en van daaruit óók te begrijpen?

Voor ons huis langs loopt een brede stoep, daarachter een plantsoen en daarachter een sloot. En daar weer achter scheidt een hek de sloot van de weg. Als onze kinderen een balletje trappen op de stoep, belandt de bal onherroepelijk een keer in de sloot. Soms banen zij zich een weg door het plantsoen om de bal aan déze zijde van de sloot uit het water te vissen. Niet zelden begeven zij zich naar de straatkant om gewapend met een bladhark de bal er aan gene zijde uit te vissen. Het volgende gebeurt maar zelden: De kinderen gaan in het plantsoen zitten en gaan met elkaar in gesprek over hoe mooi het zou zijn als de bal niet aan gene zijde van de sloot maar aan deze zijde van de sloot voorbij zou gaan; “het zou het beste voor die bal zijn, het is tenslotte zo’n mooi plantsoen; gene zijde van de sloot, dat kan nooit goed zijn voor een bal, zo vlak langs de weg.”

Wij denken (en praten) te veel over de kerk of de geloofsgemeenschap. Dat is als zitten in het plantsoen aan deze zijde van de sloot. Bijvoorbeeld: Methodes volschrijven over de rijke betekenis van de doop, terwijl aan gene zijde van de sloot kinderen en jongeren zich vertwijfeld afvragen of God eigenlijk wel bestaat.

We kijken te weinig naar het leven van kinderen en jongeren. Nu ja, we kijken nog wel op een afstandje naar gene zijde van de sloot.  Maar om daadwerkelijk wat te zien en te begrijpen van God en geloven in het leven van kinderen en jongeren zullen we moeten omlopen: gene zijde wordt dan deze zijde en we komen in de nabijheid van wat er daadwerkelijk gebeurt. We gaan dan echt zien en begrijpen.

Een jongerenwerker vertelt over een meisje die al het leed dat haar is overkomen niet kan rijmen met God: zij zegt niets te kunnen met het beeld van een toornende en straffende God. De jongerenwerker aan deze zijde van de sloot stelt zichzelf de vraag: hoe kan ik het Godsbeeld van dat meisje toch meer in balans brengen? De vraag aan gene zijde van de sloot is: wat leert de ervaring van dit meisje haar én mij over God en over geloven?

De belangrijkste kennisuitdaging ligt mijns inziens aan gene zijde van de sloot: Hoe zijn God en geloven in het leven van kinderen en jongeren te beschrijven en van daaruit óók te begrijpen? Dat betekent dat we theologie moeten bedrijven vanuit het goed waarnemen van kinderen en jongeren in hun levens, in hun praktijken. En goed waarnemen betekent ook goed luisteren.

Goed waarnemen is een belangrijke (te ontwikkelen) attitude en vaardigheid van de professionele theoloog en vormt de kern van het broodnodige empirisch, praktisch theologisch onderzoek dat aan academies theologie zou moeten plaatsvinden. Werkveld en academie hebben een gezamenlijke taak: een descriptief-empirische taak: we moeten leren goed waar te nemen en God en geloven te ontdekken in de werkelijkheid. God en geloof openbaren zich niet alleen in S/schrift, traditie of in ons denken. God en geloof openbaren zich ook in de empirie.

Hoe ervaren kinderen en jongeren God in het leven? Hoe denken zij over God, geloof, de kerk, het leven, de mens, de wereld, de Bijbel? Wat beleven zij aan vieringen, vormingspraktijken, pastorale praktijken, events en kerkvormen? Theologen doen er goed aan nabij de eigen interpretaties en constructies van kinderen en jongeren ten aanzien van geloven en God te komen. Zowel het theologiseren van kinderen en jongeren zélf, als de uitkomsten van praktisch theologisch praktijkonderzoek en academisch onderzoek voeden meer beschrijvingen, meer inzicht en meer begrip.

Goed waarnemen is de kiem van meer begrip; de vrucht zal moeten zijn het gestalte kunnen geven aan (nieuwe) geloofspraktijken, al dan niet vanuit bestaande kerkgemeenschappen voor een nieuwe generatie kinderen en jongeren. Deze nieuwe generatie groeit in steeds meer gevallen op buiten de randen van traditionele geloofsgemeenschappen. Maar ook daar is het leven van alledag een zoektocht naar zin en betekenis. Vanaf de oever van de traditionele geloofsgemeenschap wordt vaak wat neerbuigend over die universele vraag naar zin en betekenis gesproken. Het gaat tenslotte niet om zin en betekenis maar om het vinden van geloof en God.

Maar, zeg ik dan: de ontwikkeling en vorming van kinderen en jongeren is niet oeverloos. Zoals elke rivier of sloot twee oevers heeft, heeft de stroom van de godsdienstige ontwikkeling er ook twee: die van geloofsgemeenschappen aan de ene kant en die van de verlangens en vragen naar zin en betekenis aan de andere. Willen we uiteindelijk kinderen en jongeren deel laten hebben aan geloofspraktijken van geloofsgemeenschappen dan kunnen we er niet omheen om aan gene zijde van de sloot te gaan zoeken naar God en geloof: door te luisteren, te observeren, te interpreteren en te theologiseren. Daar ben ik vast van overtuigd. Het is doodzonde als we daar niet aan willen, en het getuigt van een hiaat in onze vorming en opleiding als we daar niet aan kunnen.

Vier stellingen over theologiebeoefening en theologieopleidingen

HandelingenDeze week verscheen een themanummer van Handelingen over de professionalisering van theologen. Centrale vraag in dit nummer: Wat is nodig om theologen adequaat voor te bereiden op het werkveld waarin zij als professionals werkzaam zullen zijn? Samen met Henk van den Bosch stelde ik dit themanummer samen; zie voor een overzicht van de verschillende bijdragen: overzicht themanummer

In het slothoofdstuk maken we de balans op en poneren we de volgende vier stellingen voor de theologiebeoefening in initiële en post-initiële theologie opleidingen (De Kock & Van den Bosch, p. 68):

1. De universele zingevingsvraag is de bedding voor hedendaagse theologiebeoefening en het narratieve paradigma is daarin een wezenlijk uitgangspunt.

2. Theologische opleidingen moeten hedendaagse zingevingsvragen thematiseren en toekomstig theologen helpen om gevoeligheid en taal te ontwikkelen voor levensbeschouwelijke of existentiële vragen in samenleving en cultuur

3. De theologiebeoefening dient stevig verbonden te zijn met andere disciplines die het lezen van de cultuur helpen mogelijk te maken en ondernemerschap en samenwerking in het werkveld met professionals van andere disciplines bevorderen

4. De theologiebeoefening moet ruimte herbergen voor verschillende verhoudingen tot kerkelijke en/of belijdende geloofsgemeenschappen: zowel een kritisch gedistantieerde houding, een kritisch betrokken houding en een gelovig kerygmatische houding.

Voor meer achtergronden en het aanvragen van het themanummer, ga naar de Handelingen website

Bron
De Kock, A., & Van den Bosch, H. (2014). Waar begin je? Waar eindig je? Handelingen – themanummer professionalisering van theologen, 41(3), 64-68.

radiointerview over geloof en wetenschap

Op 19 mei 2014 interviewde Andries Knevel mij rond het thema ‘geloof en wetenschap’. Luister via de onderstaande link de radiouitzending:

radiointerview 

 

 

kinderen-jongeren-geloof-kerk: wat gebeurt er in onderzoeksland?

research fotoIn Christelijk Weekblad van 21 maart 2014 staat onderstaande bijdrage van mijn hand als voorschot op de studiedag Re-search & Re-act op 28 maart (http://www.ea.nl/researchreact)

Kerkelijk jeugdwerk kan profiteren van wetenschappelijk onderzoek. Er gebeurt op dat terrein van alles in binnen- en buitenland maar wat kan de jeugdwerker er in de praktijk mee? Jos de Kock neemt een voorschot op een studiedag over dat onderwerp.

Op 28 maart vindt in Ede de studiedag Re-search & Re-act plaats. In kort bestek worden daar de laatste onderzoeken op het gebied van jeugd en kerk gepresenteerd aan iedereen die betrokken is bij kinderen en jongeren en de kerk. Bovendien is er aandacht voor de vraag: wat kan ik ermee, als jongerenwerker, predikant, als ouder of als beleidsmaker?

Er komen niet minder dan twaalf onderzoekers aan het woord. Ik mag ingaan op de stand van zaken in onderzoek naar het brede thema van kinderen, jongeren, geloof en kerk. Kinderen in de kerk, jongeren en de toekomst van de kerk, de geloofsopvoeding in het gezin: het zijn geliefde onderwerpen op kerk- en geloofpagina’s, in programma’s en op websites van diverse christelijke media. Maar wat weten we er eigenlijk echt van?

Er is veel ervaringskennis en die is zonder meer van belang. Maar meer systematisch inzicht in de geloofsontwikkeling en geloofsopvoeding van kinderen en jongeren is ook nodig: dat kan dienstbaar zijn aan de praktijk van ouders, vrijwilligers en professionals in de kerk. Ik denk dat er nog ontzettend veel valt te ontdekken.

Wat valt er op dit moment op in onderzoeksland, nationaal en internationaal? Ik kan niet alles de revue laten passeren maar schets drie hoofdlijnen en selecteer daarbinnen een klein aantal voorbeelden van onderzoek.

Een eerste hoofdlijn is dat in internationale onderzoeksliteratuur veelvuldig geschreven wordt over de ‘theologie van jongeren en jongerenwerk’ met vaak het concept discipelschap als onderwerp. Verschillende auteurs proberen het werken met jongeren in de kerk te doordenken vanuit het discipel zijn van Jezus. Kerkelijk jongerenwerk zou dan gericht moeten zijn op het ontwikkelen van een christelijke levenswandel en levenshouding van jongeren.
Bij deze benadering past ook dat de jeugdleider een goed voorbeeld moet zijn: aan hem of haar moeten jongeren kunnen aflezen wat het volgen van Jezus concreet inhoudt.

In een tweede hoofdlijn treedt een aantal centrale thema’s van empirisch onderzoek op de voorgrond. Ik geef hier twee voorbeelden van die thema’s.
Veel onderzoeken leggen het belang bloot van het multisensorische karakter van geloven: niet alleen aandacht voor lezen, praten en denken maar ook concreet ervaren en doen. In dat kader wordt onderzoek gedaan naar de impact en werking van jongerenevents, zoals concerten en festivals, voor het geloven van jongeren. En hoe werken Taizé-vieringen of Passion-uitvoeringen uit op het geloof van jongeren?

Hoe je ook denkt over de vaak gehoorde oproep om meer ‘beleving’ in de kerk, beleving op zichzelf is erg belangrijk voor de geloofsontwikkeling van jongeren. Beleving gaat vaak niet zonder belichaming van geloof. Dat kunnen zichtbare voorbeeldgelovigen in de omgeving van kinderen en jongeren zijn, maar ook rituelen en vieringen in de kerk of het gezin. Zij laten ruimte voor ervaringen en het voelen en uiten van emoties.

Wat is de vormende werking van vieringen, of het nu gaat om een klassieke kerkdienst of een relipopfestival, en welke rol hebben deze in de geloofsontwikkeling van jongeren? Op welke wijze kunnen christelijke rituelen in het gezin gestalte geven aan de geloofsopvoeding?

De laatste vraag raakt aan een ander opvallend thema dat op steeds meer aandacht mag rekenen in het internationale onderzoeksveld: de rol van ouders en het gezinsleven voor de godsdienstige ontwikkeling van kinderen en tieners. Ouders zijn de primaire opvoeders van een nieuwe generatie en in het gezin vindt een belangrijk deel van het leren en geloofsleren plaats.

Daniëlle van de Koot-Dees kwam vorig jaar met een inzichtgevend proefschrift over de rol van geloven in de opvoeding in jonge gezinnen in Amsterdam. Dat onderzoek vraagt om een vervolg. Het belang van de geloofsopvoeding in het gezin neemt alleen maar toe waar in het algemeen de binding met de kerk als instituut afneemt. Hoe kunnen ouders en kerken op nieuwe manieren gestalte geven aan een leergemeenschap voor een nieuwe generatie?
In Nederland zijn relatief nieuwe praktijken als ‘Kerk op schoot’ en Godly Play voorbeelden om in dit kader verder te onderzoeken. Een aantal studenten aan de PThU geeft hier bijvoorbeeld al op kleine schaal uitvoering aan.

Een derde hoofdlijn is de constatering dat er globaal twee manieren zijn waarop het brede thema van kinderen, jongeren, geloof en kerk onderzoeksmatig wordt benaderd. In de eerste benaderingswijze is jongerenwerk ingebed in een kerkelijke geloofsgemeenschap. Voorbeelden hiervan is onderzoek naar catechesepraktijken. In Nederland is daar opvallend veel animo voor.

In de tweede benaderingswijze is jongerenwerk ingebed in universele zingevingsvragen. Vanuit een christelijk perspectief werken met kinderen en jongeren is een bijzondere manier om dienstbaar te zijn aan een nieuwe generatie die zoekt naar zin en betekenis in het leven. Deze benadering sluit een kerkelijke invulling van het jongerenwerk niet uit maar vraagt wel meer oog voor geloven en geloofsgemeenschappen die niet of minder institutioneel verbonden zijn. Een Nederlands onderzoek dat hieraan raakt is het onderzoek van Harmen van Wijnen naar de werking van zogenaamde small groups van jongeren.

Er is veel beweging in het kinder- en jongerenwerk in Nederlandse kerken en een groot aantal organisaties en bewegingen in en om de kerk investeren daarin. In diverse fora, denktanks en netwerken ontmoeten professionals in het kinder- en jongerenwerk elkaar en werken daar aan verbetering en vernieuwing van praktijken van geloofsopvoeding.

Er moet meer en structureel (academisch) onderzoek worden gedaan naar kinderen, jongeren, geloof en kerk. Dit kan gelijk oplopen met wetenschappelijke vorming van toekomstige predikanten en kerkelijk werkers en de beroepsgerichte vorming van alle professionals die zich willen specialiseren in deze thematiek.

Dr. A. de Kock is godsdienstpedagoog en universitair docent aan de Protestantse Theologische Universiteit (www. pthu.nl). Hij is onderzoeker bij het Onderzoekscentrum voor Jeugd, Kerk en Cultuur (www.ojkc.nl) en is hoofdredacteur van Journal of Youth & Theology (www.iasym.net)

 

Meer academische aandacht voor kinderen, jongeren, kerk en geloof

Deze week is de week van de opvoeding. Voor de derde keer is deze week in Nederland gelanceerd. Het thema dit jaar is: Word spelenderwijs. Want spelenderwijs ontdekken kinderen de wereld om zich heen. Dat is leuk en leerzaam tegelijk. De initiatiefnemers van deze week stellen: “Het is belangrijk om kinderen de ruimte te bieden om vol verwondering te verkennen, te experimenteren en te ervaren.”

En zo is het. En zo is het ook in de geloofsopvoeding, thuis en in de kerk. Kinderen en jongeren moeten vol verwondering kunnen verkennen, experimenteren en ervaren als het gaat om geloven. Althans, dat is een veel verwoorde opvatting in debatten over kerk en de opvoeding van een nieuwe generatie kinderen en jongeren. Kinderen in de kerk, jongeren en de toekomst van de kerk, de geloofsopvoeding in het gezin: het zijn geliefde onderwerpen op kerk- en geloofpagina’s, in programma’s en op websites van diverse christelijke media. Maar wat weten we er eigenlijk echt van?

Er is ontzettend veel ervaringskennis natuurlijk en dat is zonder meer van belang. Maar meer systematisch inzicht in de geloofsontwikkeling en geloofsopvoeding van kinderen en jongeren in deze tijd is ook nodig: dat kan dienstbaar zijn aan de praktijk van ouders, vrijwilligers en professionals in de kerk en de reflectie op die praktijk. Ik denk dat er nog veel valt te ontdekken. Ik pleit daarom voor meer en structurele academische aandacht voor het brede thema van kinderen, jongeren, geloof en kerk. In termen van de week van de opvoeding: Waar en hoe kan er worden gespeeld? Waar is de verwondering in de geloofsopvoeding? Hoe ontstaat ruimte om het geloof te verkennen en te experimenteren met een gelovige praktijk? Hoe kunnen ouders en de kerk daar dienstbaar aan zijn en wat werkt dat uit? Waar en hoe wordt het geloof door kinderen en jongeren daadwerkelijk ervaren?

Midden in deze week van de opvoeding houd ik vandaag in het kader van de lezingencyclus De kerk leeft! aan de Christelijke Hogeschool Ede een bijdrage over de kerk als leergemeenschap. Ik denk inderdaad dat de kerk leeft; ik denk echter niet dat in deze tijd die (leer)gemeenschap vanzelfsprekend is gegeven door het instituut kerk of het instituutje plaatselijke gemeente. Ik betoog in mijn lezing dat om een nieuwe generatie in te wijden in het christelijk geloof houvast gezocht moet worden in principes als leren door doen en leren door ontmoeting. Het houvast moet bovendien meer en meer gezocht worden in gemeenschappen van gelovigen die minder organisatorisch en institutioneel en meer organisch en spontaan zich aandienen.

In het licht van die analyse denk ik dat op dit moment tenminste vier thema’s centraal moeten staan in academisch onderzoek en onderwijs op het gebied van kinderen, jongeren, geloof en kerk.

Ten eerste: de rol van ouders in de geloofsopvoeding. Ouders zijn de primaire opvoeders van een nieuwe generatie en in het gezin vindt een belangrijk deel van het leren en geloofsleren plaats. Collega Daniëlle van de Koot-Dees leverde onlangs een inzichtgevend proefschrift op over de rol van geloven in de opvoeding in jonge gezinnen in Amsterdam. Dat onderzoek vraagt om een vervolg. Het relatieve belang van de geloofsopvoeding in het gezin neemt alleen maar toe waar in z’n algemeenheid de binding met de kerk als instituut afneemt. Hoe kunnen ouders en kerken op nieuwe manieren gestalte geven aan een leergemeenschap voor een nieuwe generatie?

Ten tweede: de rol of functie van beleving en belichaming in de geloofsgemeenschap. Hoe je ook denkt over de vaak gehoorde oproep om meer ‘beleving’ in de kerk, beleving op zichzelf is erg belangrijk voor de geloofsontwikkeling van jongeren. En beleving gaat vaak niet zonder belichaming van geloof. Dat kunnen zichtbare, tastbare voorbeeldgelovigen in de omgeving van kinderen en jongeren zijn; dat kunnen ook de rituelen en vieringen in de kerk of in het gezin zijn die ruimte laten voor ervaringen en het voelen en uiten van emoties. Wat is de vormende werking van uiteenlopende vieringen, of het nu gaat om een klassieke kerkdienst of om een relipopfestival, en welke rol hebben deze in de geloofsontwikkeling van jongeren? Op welke wijze kunnen christelijke rituelen in het gezin gestalte geven aan de geloofsopvoeding?

Ten derde: de rol of functie van nieuwe (sociale) media in de geloofsontwikkeling van kinderen en jongeren. Nieuwe media bieden kansen om op nieuwe manieren aan geloofsgemeenschappen gestalte te geven. De vraag is ook hoe zich dat verhoudt tot het belang van belichaming van geloof. Wat betekent het gebrek aan fysieke nabijheid voor de geloofsontwikkeling? Wat kan wel en niet verwacht worden van bijvoorbeeld een internetkerk of van het virtuele netwerk van christenen wereldwijd voor de geloofsontwikkeling van een nieuwe generatie?

Ten vierde: de vormende werking van diaconale en missionaire kerkpraktijken. Gemeenteleden, niet zelden jongeren, worden in diaconale en missionaire activiteiten via de buitenkerkelijke context uitgedaagd om stil te staan bij het eigen geloven en de eigen traditie, bij eigen antwoorden en eigen geloofspraktijken. Zij leren vaak dat het geloof niet zomaar in woorden te vangen is. Diaconale en missionaire presentie schept leeromgevingen die binnen de kerkmuren maar moeilijk zijn te organiseren. Leveren deze praktijken de nieuwe gemeenschappen op waarin nieuwe generaties van binnen én buiten de kerkmuren ingewijd worden in het christelijk geloof? En: welke factoren dragen bij aan het ontstaan van duurzame geloofsgemeenschappen onder jongeren, als een institutionele band met een kerk niet (meer) relevant, haalbaar of zelfs onwenselijk is?

Er is veel beweging in het kinderwerk en jongerenwerk in kerken in Nederland. Een groot aantal organisaties en bewegingen in en om de kerk investeren daarin. In diverse fora, denktanks en netwerken ontmoeten professionals in het kinder- en jongerenwerk elkaar en werken daar aan verbetering en vernieuwing van praktijken van geloofsopvoeding. Ik acht het nodig dat er ook meer en structureel academisch onderzoek wordt gedaan naar het brede thema van kinderen, jongeren, geloof en kerk. Dit kan gelijk oplopen met wetenschappelijke vorming van toekomstige predikanten in de kerk en andere professionals die zich willen specialiseren in deze thematiek. Het Onderzoekscentrum voor Jeugd, Kerk & Cultuur dat verbonden is aan Protestantse Theologische Universiteit kan daarvoor een mooi platform bieden.

Kinderen, jongeren, geloof en kerk: een brede thematiek die de jongste generatie op het oog heeft: een generatie die, en dat is van alle tijden, spelenderwijs vol verwondering de wereld verkent, daarin experimenteert en ervaringen opdoet. Hoe richten kerken en gezinnen daar de ruimte voor in? Dat is de vraag die mij mateloos boeit. Spelenderwijs ga ik daar maar al te graag mee aan de slag.

De theologie gevierendeeld: voorstellen voor vernieuwing ontbreken

Een bespreking van De theologie gevierendeeld:

De theologie gevierendeeld – Vier spanningsvelden voor de theologiebeoefening in Nederland. Stephan van Erp en Harm Goris (Red.). Uitgever: Valkhof Pers. Verschenen: 2013.

Van Erp en Goris redigeerden een bundeling van acht bijdragen over vier spanningsvelden die bepalend lijken te zijn voor de huidige theologiebeoefening in Nederland. Het boekje is uitgegeven in de annalen van het Thijmgenootschap (jaargang 101, aflevering 1). Het is het bestuur van de afdeling Katholieke Theologie van het Thijmgenootschap die de vier spanningsvelden die worden besproken in het boekje heeft gedefinieerd: (1) de relatie van de theologie tot de geesteswetenschappen, (2) de plaats van de dogmatiek in het theologisch curriculum, (3) het beeld van de theologie in de media, en (4) de aansluiting van de opleidingen bij de beroepsmarkt van de zorg. In de periode 2010-2012 is een aantal studiebijeenkomsten belegd waarin theologen hun visie op een van de spanningsvelden gaven. Hun bijdragen zijn in de vorm van hoofdstukken opgenomen in De theologie gevierendeeld, dat vooral kijkt naar de katholieke theologiebeoefening in Nederland.

Aanleiding voor het schrijven van dit boekje is de observatie dat de beoefening van universitaire katholieke theologie sterk aan het veranderen is. Aan welke krachten zijn de katholieke Nederlandse theologieopleidingen onderhevig en hoe bepalen deze de toekomst van de theologiebeoefening in ons land? Doel van het boekje is dat de acht bijdragen belangrijke aanzetten en concrete voorstellen bieden “… voor de hervorming en vernieuwing van deze theologiebeoefening in Nederland” (p. 16).

Aan het slot van deze bespreking volgt per spanningsveld een indruk van wat de verschillende auteurs erover schrijven. Maar nu eerst een aantal overwegingen van mijn kant naar aanleiding van het lezen van het boekje.

De theologie gevierendeeld laat de lezer kennismaken met een variëteit aan thema’s die het actuele (katholieke) theologische bedrijf bezighoudt. De verschillende hoofdstukken lezen vlot. Het boekje is aan te bevelen aan iedereen die graag op de hoogte komt of op de hoogte blijft van de (katholieke) theologie beoefening in Nederland. Het boekje heeft echter ook zijn beperkingen. De belangrijkste daarvan is wat mij betreft de keuze voor de vier genoemde spanningsvelden. Er zijn verschillende andere spanningsvelden, uitdagingen, acute thema´s te noemen waar de hedendaagse theologie(opleiding) zich voor geplaatst weet. De vier spanningsvelden in De theologie gevierendeeld zijn gekozen door het bestuur van de afdeling Katholieke Theologie van het Thijmgenootschap. Er wordt echter onvoldoende verantwoord waarom deze vier spanningsvelden zo bepalend zouden zijn. Ontwikkelingen in de samenleving als secularisering, toenemende multireligiositeit, toenemende aandacht voor spiritualiteit, maar ook toenemende pluriformiteit binnen de kerk komen wel her en der aan bod maar ik had verwacht dat bijvoorbeeld deze thema’s systematischer zouden worden doordacht.

Wat verder opvalt is dat de hoofdstukken qua aard sterk van elkaar verschillen. De twee hoofdstukken over de relatie van de theologie tot de geesteswetenschappen bevatten voorzichtige, genuanceerde en zorgvuldige argumentaties. Hetzelfde geldt voor de hoofdstukken over het spanningsveld t.a.v. de dogmatiek. De hoofdstukken over theologie en de media, het derde spanningsveld, zijn op dit punt teleurstellend. Daar is nauwelijks sprake van een argumentatie maar slechts een beschrijving van enkele tendensen zonder conclusies te trekken voor de actuele theologiebeoefening. De hoofdstukken over de geestelijke verzorging, tot slot, zijn dan weer zeer uitgesproken in evaluatieve zin, getuige de volgende citaten: “het vak gaat ‘naar de bliksem’ wanneer niet snel een aantal zaken wordt opgepakt” en “de zichtbaarheid, toegankelijkheid en professionaliteit van geestelijk verzorgers laat veel te wensen over”.

De theologie gevierendeeld concentreert zich op de katholieke theologiebeoefening in Nederland. Af en toe komt ook de protestantse theologiebeoefening ter sprake (zeker in het deel over geestelijke verzorging). Voor een heel aantal thema’s is duidelijk dat deze parallellen kennen in de protestantse theologie(opleidingen). Dat geldt in ieder geval voor actuele uitdagingen voor de dogmatiek en de verhouding tussen religie en media. Het zou interessant zijn om rond een aantal spanningsvelden een serie opstellen te laten maken met het oog op de protestantse theologiebeoefening: zijn er inderdaad zoveel parallellen, waar liggen er breuklijnen en vooral: liggen er fundamenteel mogelijk andere spanningsvelden?

De theologie gevierendeeld beoogt belangrijke aanzetten en concrete voorstellen te geven voor de hervorming en vernieuwing van de (katholieke) theologiebeoefening in Nederland. Ik betwijfel of het boekje daarin geslaagd is. Dat komt vooral doordat de implicaties van de verschillende bijdragen niet ver genoeg worden doordacht: het ontbreekt aan aanwijzingen voor aanpassing van curricula en beroepsbeelden voor opleidingen; eveneens vind je nergens voorstellen voor vernieuwing of actualisering van bijvoorbeeld onderzoeksprogramma´s. Het meest concrete voorstel komt van Frans Vosman die pleit voor het terugbrengen van het diverse opleidingsaanbod voor het werkveld van geestelijk verzorgers naar twee levenskrachtige opleidingen, namelijk twee tweejarige masters “die voorbereiden op de laatmoderne werkelijkheid”. Dat De theologie gevierendeeld juist op dit punt niet aan de verwachtingen voldoet is een gemiste kans.

De vier spanningsvelden van De theologie gevierendeeld in vogelvlucht:

(1) de relatie van de theologie tot de geesteswetenschappen
Willem Frijhoff gaat in zijn bijdrage in op de spanning tussen enerzijds theologie als groepsbepaald gelovig spreken over God en anderzijds theologie als autonoom proces van wetenschapsvorming, als discipline. Deze (eeuwenoude) spanning werpt de vraag op of een opleiding theologie geheel zelfstandig voor beroep, zorg en wetenschap zou moeten opleiden of zich juist moet focussen op de core business, namelijk samen met verwante wetenschappen het godsgeloof, en de culturele dimensies van geloof in de wereld te bestuderen. Een definitief antwoord biedt Frijhoff niet, wel de oproep aan de theologie om zich van andere geesteswetenschappen te onderscheiden en die andere geesteswetenschappen tot kritische zelfreflectie te brengen.
Adelbert Denaux stelt in het volgende hoofdstuk geneigd te zijn bevestigend te antwoorden op de vraag of theologie thuis hoort in de geesteswetenschappen. Theologie en geesteswetenschappen gaan namelijk uit van dezelfde benadering van de werkelijkheid, namelijk van het onderscheid en de samenhang tussen materie en geest. Bovendien deelt theologie fundamenteel dezelfde hermeneutische benadering van het object dat ze bestudeert. Een integratie van de theologie als departement in de faculteit geesteswetenschappen is in zekere mate wenselijk, echter in de praktijk zal het snel leiden tot verschraling of ontmanteling van het theologisch onderzoek en onderricht. Daarom is het pleidooi van Denaux uiteindelijk om toch vrijplaatsen te behouden, faculteiten met een relatieve zelfstandigheid waar theologie beoefend kan worden.

(2) de plaats van de dogmatiek in het theologisch curriculum
Stephan van Erp gaat in op drie typen uitdagingen voor de dogmatiek: (1) uitdagingen van de systematische theologie zelf die betrekking hebben op de vraag naar de wetenschappelijkheid van de dogmatiek; (2) uitdagingen van de ontwikkelingen in de geesteswetenschappen die de vraag oproepen welke rol de dogmatiek heeft tussen andere wetenschappelijke disciplines; en (3) uitdagingen van de seculiere cultuur die te maken hebben met onbegrip en onverstaanbaarheid in die cultuur enerzijds en het verband tussen geloof en diezelfde cultuur als studieobject anderzijds. Als antwoord op die uitdagingen schetst Van Erp karakteristieken van een hedendaagse dogmatiek waarin behalve voor autoriteitsvragen en de waarheidsvraag ook aandacht is voor interdisciplinariteit voor actuele, hedendaagse godsvragen in verbinding met levend geloof.
Herwi Rikhof verdedigt in een volgende bijdrage de stelling dat de dogmatiek een centrale rol in kerk en theologie kan en moet spelen. Reden daarvoor is dat in de dogmatiek het karakteristieke element van het christendom expliciet en fundamenteel ter sprake komt. “Een theologie waarin de dogmatiek en haar kerninzichten niet centraal staan, is uiteindelijk geen christelijke theologie” (p. 79). Een christelijke theologie met daarin de dogmatiek centraal is volgens Rikhof ook een kerkelijke theologie. De taak van dogmatici is ook om te reflecteren op leergezag en ontwikkelingen daarin.

(3) het beeld van de theologie in de media
Hans Geybels beschrijft tendensen met betrekking tot religie in de media. Hij stelt vast dat de kerk voor de algemene media van belang is omdat ze voor en tot vele mensen spreekt. Vooral dat laatste is belangrijk stelt Geybels: “slechts in de mate dat het kerkelijk nieuws ook algemeen nieuws is, haalt het de algemene media. De nieuwswaarde van het kerkelijke nieuws wordt met dezelfde parameters gemeten als al het overige nieuws” (p. 111). Verder signaleert hij dat het doorgaans moet gaan om nieuws door en voor mensen: persoonlijkheden, meer dan zaken, staan centraal in berichtgeving. Dat heeft met een andere factor te maken, namelijk dat de doorsneelezer niet alleen geïnformeerd maar ook geraakt wil worden. Met nieuws dat een gezicht krijgt lukt dat beter. De auteur illustreert een en ander met voorbeelden uit m.n. de krantenwereld en radio/tv in Vlaanderen.
Het kortste hoofdstuk in De theologie gevierendeeld is van de hand van Leo Fijen die vier ‘terreinen van aandacht’ voor theologie in de media beschrijft: (1) de bijdrage van theologie/theologen in het maatschappelijke debat, (2) de bijdrage van theologie/theologen tijdens scharniermomenten van het leven, (3) de betekenis van theologie voor de behoefte aan verhalen, (4) de bijdrage van theologie/theologen aan de vitaliteit van het lokale geloofsleven, juist nu de katholieke kerk zo met zichzelf bezig is en parochies in de overleefstand zitten.

(4) de aansluiting van de opleidingen bij de beroepsmarkt van de zorg
Frans Vosman spreekt in zijn bijdrage de twijfel uit of de zorg over de toekomst voor het vak van geestelijk verzorger voldoende wordt doordacht. De typisch Nederlandse situatie van geestelijke verzorging is volgens Vosman snel en ingrijpend veranderd en bestaande modellen van geestelijke verzorging voldoen niet meer. Zijn urgente vraag is: “… wordt er wel over de problemen van nu nagedacht, zitten de betrokkenen wel samen?” (p. 120). Zijn antwoord is: nee, nog onvoldoende. Geestelijk verzorgers hebben een probleem om hun eigen werk te legitimeren naar andere betrokkenen in instellingen en samenleving en het vak gaat volgens Vos “naar de bliksem” wanneer niet snel een aantal zaken wordt opgepakt. Een van die zaken betreft de inrichting van opleidingen voor geestelijk verzorger in Nederland: het is niet zeker dat deze zijn voorbereid op de werkelijkheid van de instituties waarbinnen de geestelijk verzorgers werkzaam zijn: “Vaak staat de eigen denominatie heel centraal en niet de ontvangende institutie, vaak is het psychologisch-pastoraal model sterk aanwezig, en vrijwel steeds ligt de nadruk op het woord” (p. 129). Vosman pleit voor een herbezinning op de opleidingen die moet leiden tot een ander conceptueel raamwerk voor geestelijke verzorging. En hij pleit voor het terugbrengen van het diverse opleidingsaanbod naar twee levenskrachtige opleidingen, tweejarige masters die voorbereiden op de laatmoderne werkelijkheid.
Christa Anbeek, Jaap Schuurmans en Ger Palmboom constateren in de laatste bijdrage van het boekje dat de zichtbaarheid, toegankelijkheid en professionaliteit van geestelijk verzorgers veel te wensen over laat. Daar zijn vijf oorzaken voor: geestelijk verzorgers profileren hun specifieke expertise onvoldoende; traditionele geestelijk verzorgers werken langs de lijnen van verschillende denominaties, hetgeen steeds minder aansluit op de levensbeschouwelijke werkelijkheid in onze samenleving; de financieringsmogelijkheden voor hulp bij levensvragen in de extramurale zorg zijn zeer beperkt; levensvragen worden door hulpverleners en hulpvragers onvoldoende als zodanig onderkend; vanuit de geestelijke verzorging is soms te weinig bereidheid en competentie om binnen een eerstelijns teamverband te werken. Vervolgens bespreken zij de opzet, werkwijze, doel en voorlopige resultaten van het onderzoeksproject ´Geestelijke verzorging in de eerstelijns gezondheidszorg´ van de Universiteit voor Humanistiek.

Jos de Kock

Universitair Docent Educatie en Catechetiek Protestantse Theologische Universiteit (PThU) http://www.pthu.nl
Medewerker Onderzoekscentrum voor Jeugd, Kerk en Cultuur (OJKC)
http://www.ojkc.nl

Wat my fascineert aan onderwijs en of ik niet erg jong ben

Deze week interviewde reliwerk.nl mij over mijn werk als Directeur Onderwijs aan de PThU. Hieronder vind je de tekst van het artikel dat ook is terug te lezen op http://www.reliwerk.nl/2013/02/je-moet-voortdurend-op-zoek-naar-synergie/.

“Je moet voortdurend op zoek naar synergie”

Regelmatig legt de redactie van Reliwerk enkele vragen voor aan een reliprof. Vandaag wordt geïnterviewd: Jos de Kock, Directeur Onderwijs aan de PThU en actief Twitteraar.

Door: Kimberley van Eijkel

Wat fascineert u zo aan onderwijs?
“Ik ben al lange tijd vooral gefascineerd door leerprocessen: wat is leren, hoe leren mensen, etc. Onderwijs is een manier waarop dat leren op een bepaalde manier gestimuleerd wordt. Hoe kun je dat het beste inrichten, wat werkt wel, wat werkt niet etc. Dat zijn vragen die mij erg boeien. Dat zijn ook de vragen die me als Directeur Onderwijs aan de PThU bezig houden. Het boeiende vind ik vooral hoe in een onderwijssetting als onze universiteit verschillende lijnen bij elkaar moeten komen: er zijn verwachtingen, wensen en ideeën van studenten t.a.v. goed onderwijs. We hebben een geweldig mooie groep docenten aan de PThU die allemaal hun kwaliteiten hebben die nodig zijn voor goed onderwijs. Er zijn verwachtingen vanuit het beroepsveld van theologen en predikanten over hoe studenten het beste voorbereid kunnen worden op de uitdagingen en eisen in de werkpraktijk van vandaag en morgen. En niet onbelangrijk: er zijn eisen vanuit de overheid over hoe goed onderwijs gestalte krijgt. Vanzelfsprekend heb je ook een basis voor je opleiding in de vorm van een beroepsbeeld en kerninhouden en leerlijnen in je curriculum. Het samenspel van al deze verwachtingen, kwaliteiten, eisen, inhouden en wensen maakt wat wij onderwijs noemen. En het goed aaneenknopen van die verschillende lijntjes is geweldig boeiend en leuk om te doen.”

U heeft dagelijks te maken met jonge theologen. Merkt u dat zij problemen hebben om aan een baan te komen en zo ja, hoe probeert u ze te helpen?
“Het grootste deel van onze afgestudeerden gaat als predikant aan het werk, in een gemeente of in een instelling. Een ander deel van onze afgestudeerden gaat aan het werk in bijvoorbeeld het onderwijs of in dienstverlenende beroepen of als zelfstandige. Er is niet zozeer een probleem om aan een baan te komen. Wel kan het soms wat langer duren voordat iemand als predikant in zijn of haar eerste gemeente kan beginnen met werken. Dit heeft te maken met het gegeven dat je als predikant ‘beroepen’ wordt door een plaatselijke gemeente. Dit beroepingstraject neemt soms wat tijd in beslag, bij de een wat meer dan bij de ander.”

U bent nog hartstikke jong, maar al wel Directeur Onderwijs aan de PThU. Merkt u dat u soms minder serieus wordt genomen door uw leeftijd?
“Ben ik jong? Dat valt best mee toch? Ik heb in ieder geval niet de indruk dat ik er meer of minder serieus door word genomen. Ik draai het liever om: ik vind het belangrijk en heel behulpzaam in mijn werk om anderen heel serieus te nemen. Je bent als Directeur Onderwijs ook gewoon een docent onder de docenten. Je hebt dan wel een bijzondere verantwoordelijkheid, maar dat maakt je natuurlijk niet tot iemand die meer weet of meer kan dan anderen. We maken het onderwijs met elkaar. En voor mij geldt dat ik in mijn positie alleen maar goed kan presteren als ik ook geholpen wordt met de kennis en inzichten van anderen. Ik neem daarom ook veel ruimte voor gesprekken over het onderwijs; met collega’s, gepland of ongepland tijdens de koffie, en met net afgestudeerden of met mensen buiten de PThU. Gewoon omdat je daar zoveel wijzer van wordt. Die wijsheid heb ik niet, maar die heb je met elkaar. Als je kijkt naar de docenten die aan de PThU werken: dan heb je heel veel moois bij elkaar.

Welke kwaliteiten dient men, volgens u, te hebben om de functie Directeur Onderwijs op een goede manier te vervullen?
“De taak van Directeur Onderwijs combineer je met je ‘reguliere’ taak als docent en onderzoeker. Voor mij geldt dat ik onderwijs verzorg over thema’s als godsdienstpedagogiek, catechetiek, leerprocessen in de gemeente en jongeren en de kerk. Daarnaast doe ik veel onderzoek. Ik doe zelf godsdienstpedagogisch onderzoek en begeleid daarnaast op dit moment zes promotieonderzoeken, de meeste daarvan ook op het gebied van de godsdienstpedagogiek. En daar ligt voor mij ook een belangrijk deel van mijn ambities: je wilt de discipline van de godsdienstpedagogiek verder tot ontwikkeling brengen en daarom ben je druk bezig met onderzoek doen, onderzoeksplannen ontwikkelen, de financiering daarvoor vinden, daarover publiceren en er onderwijs over geven etc. Daarnaast draag ik ook graag verantwoordelijkheid in mijn werk die breder is dan alleen mijn eigen vakgebied. Dat is ook een ambitie. En die krijgt dan nu vorm in mijn rol als Directeur Onderwijs. Maar dat is wel een hele andere rol dan die je hebt als docent en onderzoeker in je eigen vakgebied. Dat maakt het elke werkweek weer een spannende onderneming om die twee rollen of twee posities in een goede balans te vervullen. Dat is denk ik een belangrijke kwaliteit: dat je een meer bestuurlijke verantwoordelijkheid, zowel in je hoofd als in je agenda, weet in balans te houden met je andere verantwoordelijkheid in de organisatie. En daar moet je dan ook nog lol in hebben natuurlijk. Een andere kwaliteit is denk ik dat je verschillende belangen op elkaar kunt afstemmen. Als Directeur Onderwijs dien je het belang van goed onderwijs en alles wat daarvoor nodig is in de organisatie. Maar als universiteit heb je niet alleen de taak om onderwijs te geven maar ook om met elkaar verschillende onderzoeksprogramma’s neer te zetten en te werken aan kennisvalorisatie. Je moet dus voortdurend op zoek naar synergie tussen al deze deelterreinen. Ik vind dat je als Directeur Onderwijs daar ook visie op moet hebben en samen met, in ons geval, de directeur bedrijfsvoering en het CvB tot goede besluiten moet kunnen komen. En bij dit alles moet je je altijd bedenken dat onderwijs over mensen gaat: dus continu je verbeelden wat alle cijfers en alle besluitsvoorstellen betekenen voor concrete docenten en voor studenten: zijn zij met een besluit het beste in staat gesteld om het onderwijs onder gegeven omstandigheden gestalte te geven?”

Wat vindt u helemaal niet leuk aan uw baan?
“Ik vind het een geweldige baan. Niet in de laatste plaats omdat ik zelf ook ontzettend veel leer. En er is vertrouwen dat ik dit werk goed kan doen. En als er iets stimulerend is in je werk dan is het vertrouwen krijgen. En overigens is dat bij het begeleiden van leerprocessen, bij het verzorgen van onderwijs dus ook, heel belangrijk: vertrouwen geven! Ik kan niet zo snel iets bedenken dat ik echt niet leuk vind aan mijn werk. Het een ligt je wat beter dan het ander natuurlijk, maar ik besef dat je heel veel kleine dingen moet doen, heel veel kleine stapjes moet zetten om uiteindelijk ergens te komen. En als je dat doel steeds maar voor ogen houdt, goed onderwijs, dan is elke dag de moeite weer meer dan waard.”

Jos de Kock is te volgen op Twitter via @josdekock.

Kimberley van Eijkel is eindredacteur van Reliwerk.nl