Vier stellingen over theologiebeoefening en theologieopleidingen

HandelingenDeze week verscheen een themanummer van Handelingen over de professionalisering van theologen. Centrale vraag in dit nummer: Wat is nodig om theologen adequaat voor te bereiden op het werkveld waarin zij als professionals werkzaam zullen zijn? Samen met Henk van den Bosch stelde ik dit themanummer samen; zie voor een overzicht van de verschillende bijdragen: overzicht themanummer

In het slothoofdstuk maken we de balans op en poneren we de volgende vier stellingen voor de theologiebeoefening in initiële en post-initiële theologie opleidingen (De Kock & Van den Bosch, p. 68):

1. De universele zingevingsvraag is de bedding voor hedendaagse theologiebeoefening en het narratieve paradigma is daarin een wezenlijk uitgangspunt.

2. Theologische opleidingen moeten hedendaagse zingevingsvragen thematiseren en toekomstig theologen helpen om gevoeligheid en taal te ontwikkelen voor levensbeschouwelijke of existentiële vragen in samenleving en cultuur

3. De theologiebeoefening dient stevig verbonden te zijn met andere disciplines die het lezen van de cultuur helpen mogelijk te maken en ondernemerschap en samenwerking in het werkveld met professionals van andere disciplines bevorderen

4. De theologiebeoefening moet ruimte herbergen voor verschillende verhoudingen tot kerkelijke en/of belijdende geloofsgemeenschappen: zowel een kritisch gedistantieerde houding, een kritisch betrokken houding en een gelovig kerygmatische houding.

Voor meer achtergronden en het aanvragen van het themanummer, ga naar de Handelingen website

Bron
De Kock, A., & Van den Bosch, H. (2014). Waar begin je? Waar eindig je? Handelingen – themanummer professionalisering van theologen, 41(3), 64-68.

radiointerview over geloof en wetenschap

Op 19 mei 2014 interviewde Andries Knevel mij rond het thema ‘geloof en wetenschap’. Luister via de onderstaande link de radiouitzending:

radiointerview 

 

 

kinderen-jongeren-geloof-kerk: wat gebeurt er in onderzoeksland?

research fotoIn Christelijk Weekblad van 21 maart 2014 staat onderstaande bijdrage van mijn hand als voorschot op de studiedag Re-search & Re-act op 28 maart (http://www.ea.nl/researchreact)

Kerkelijk jeugdwerk kan profiteren van wetenschappelijk onderzoek. Er gebeurt op dat terrein van alles in binnen- en buitenland maar wat kan de jeugdwerker er in de praktijk mee? Jos de Kock neemt een voorschot op een studiedag over dat onderwerp.

Op 28 maart vindt in Ede de studiedag Re-search & Re-act plaats. In kort bestek worden daar de laatste onderzoeken op het gebied van jeugd en kerk gepresenteerd aan iedereen die betrokken is bij kinderen en jongeren en de kerk. Bovendien is er aandacht voor de vraag: wat kan ik ermee, als jongerenwerker, predikant, als ouder of als beleidsmaker?

Er komen niet minder dan twaalf onderzoekers aan het woord. Ik mag ingaan op de stand van zaken in onderzoek naar het brede thema van kinderen, jongeren, geloof en kerk. Kinderen in de kerk, jongeren en de toekomst van de kerk, de geloofsopvoeding in het gezin: het zijn geliefde onderwerpen op kerk- en geloofpagina’s, in programma’s en op websites van diverse christelijke media. Maar wat weten we er eigenlijk echt van?

Er is veel ervaringskennis en die is zonder meer van belang. Maar meer systematisch inzicht in de geloofsontwikkeling en geloofsopvoeding van kinderen en jongeren is ook nodig: dat kan dienstbaar zijn aan de praktijk van ouders, vrijwilligers en professionals in de kerk. Ik denk dat er nog ontzettend veel valt te ontdekken.

Wat valt er op dit moment op in onderzoeksland, nationaal en internationaal? Ik kan niet alles de revue laten passeren maar schets drie hoofdlijnen en selecteer daarbinnen een klein aantal voorbeelden van onderzoek.

Een eerste hoofdlijn is dat in internationale onderzoeksliteratuur veelvuldig geschreven wordt over de ‘theologie van jongeren en jongerenwerk’ met vaak het concept discipelschap als onderwerp. Verschillende auteurs proberen het werken met jongeren in de kerk te doordenken vanuit het discipel zijn van Jezus. Kerkelijk jongerenwerk zou dan gericht moeten zijn op het ontwikkelen van een christelijke levenswandel en levenshouding van jongeren.
Bij deze benadering past ook dat de jeugdleider een goed voorbeeld moet zijn: aan hem of haar moeten jongeren kunnen aflezen wat het volgen van Jezus concreet inhoudt.

In een tweede hoofdlijn treedt een aantal centrale thema’s van empirisch onderzoek op de voorgrond. Ik geef hier twee voorbeelden van die thema’s.
Veel onderzoeken leggen het belang bloot van het multisensorische karakter van geloven: niet alleen aandacht voor lezen, praten en denken maar ook concreet ervaren en doen. In dat kader wordt onderzoek gedaan naar de impact en werking van jongerenevents, zoals concerten en festivals, voor het geloven van jongeren. En hoe werken Taizé-vieringen of Passion-uitvoeringen uit op het geloof van jongeren?

Hoe je ook denkt over de vaak gehoorde oproep om meer ‘beleving’ in de kerk, beleving op zichzelf is erg belangrijk voor de geloofsontwikkeling van jongeren. Beleving gaat vaak niet zonder belichaming van geloof. Dat kunnen zichtbare voorbeeldgelovigen in de omgeving van kinderen en jongeren zijn, maar ook rituelen en vieringen in de kerk of het gezin. Zij laten ruimte voor ervaringen en het voelen en uiten van emoties.

Wat is de vormende werking van vieringen, of het nu gaat om een klassieke kerkdienst of een relipopfestival, en welke rol hebben deze in de geloofsontwikkeling van jongeren? Op welke wijze kunnen christelijke rituelen in het gezin gestalte geven aan de geloofsopvoeding?

De laatste vraag raakt aan een ander opvallend thema dat op steeds meer aandacht mag rekenen in het internationale onderzoeksveld: de rol van ouders en het gezinsleven voor de godsdienstige ontwikkeling van kinderen en tieners. Ouders zijn de primaire opvoeders van een nieuwe generatie en in het gezin vindt een belangrijk deel van het leren en geloofsleren plaats.

Daniëlle van de Koot-Dees kwam vorig jaar met een inzichtgevend proefschrift over de rol van geloven in de opvoeding in jonge gezinnen in Amsterdam. Dat onderzoek vraagt om een vervolg. Het belang van de geloofsopvoeding in het gezin neemt alleen maar toe waar in het algemeen de binding met de kerk als instituut afneemt. Hoe kunnen ouders en kerken op nieuwe manieren gestalte geven aan een leergemeenschap voor een nieuwe generatie?
In Nederland zijn relatief nieuwe praktijken als ‘Kerk op schoot’ en Godly Play voorbeelden om in dit kader verder te onderzoeken. Een aantal studenten aan de PThU geeft hier bijvoorbeeld al op kleine schaal uitvoering aan.

Een derde hoofdlijn is de constatering dat er globaal twee manieren zijn waarop het brede thema van kinderen, jongeren, geloof en kerk onderzoeksmatig wordt benaderd. In de eerste benaderingswijze is jongerenwerk ingebed in een kerkelijke geloofsgemeenschap. Voorbeelden hiervan is onderzoek naar catechesepraktijken. In Nederland is daar opvallend veel animo voor.

In de tweede benaderingswijze is jongerenwerk ingebed in universele zingevingsvragen. Vanuit een christelijk perspectief werken met kinderen en jongeren is een bijzondere manier om dienstbaar te zijn aan een nieuwe generatie die zoekt naar zin en betekenis in het leven. Deze benadering sluit een kerkelijke invulling van het jongerenwerk niet uit maar vraagt wel meer oog voor geloven en geloofsgemeenschappen die niet of minder institutioneel verbonden zijn. Een Nederlands onderzoek dat hieraan raakt is het onderzoek van Harmen van Wijnen naar de werking van zogenaamde small groups van jongeren.

Er is veel beweging in het kinder- en jongerenwerk in Nederlandse kerken en een groot aantal organisaties en bewegingen in en om de kerk investeren daarin. In diverse fora, denktanks en netwerken ontmoeten professionals in het kinder- en jongerenwerk elkaar en werken daar aan verbetering en vernieuwing van praktijken van geloofsopvoeding.

Er moet meer en structureel (academisch) onderzoek worden gedaan naar kinderen, jongeren, geloof en kerk. Dit kan gelijk oplopen met wetenschappelijke vorming van toekomstige predikanten en kerkelijk werkers en de beroepsgerichte vorming van alle professionals die zich willen specialiseren in deze thematiek.

Dr. A. de Kock is godsdienstpedagoog en universitair docent aan de Protestantse Theologische Universiteit (www. pthu.nl). Hij is onderzoeker bij het Onderzoekscentrum voor Jeugd, Kerk en Cultuur (www.ojkc.nl) en is hoofdredacteur van Journal of Youth & Theology (www.iasym.net)

 

Meer academische aandacht voor kinderen, jongeren, kerk en geloof

Deze week is de week van de opvoeding. Voor de derde keer is deze week in Nederland gelanceerd. Het thema dit jaar is: Word spelenderwijs. Want spelenderwijs ontdekken kinderen de wereld om zich heen. Dat is leuk en leerzaam tegelijk. De initiatiefnemers van deze week stellen: “Het is belangrijk om kinderen de ruimte te bieden om vol verwondering te verkennen, te experimenteren en te ervaren.”

En zo is het. En zo is het ook in de geloofsopvoeding, thuis en in de kerk. Kinderen en jongeren moeten vol verwondering kunnen verkennen, experimenteren en ervaren als het gaat om geloven. Althans, dat is een veel verwoorde opvatting in debatten over kerk en de opvoeding van een nieuwe generatie kinderen en jongeren. Kinderen in de kerk, jongeren en de toekomst van de kerk, de geloofsopvoeding in het gezin: het zijn geliefde onderwerpen op kerk- en geloofpagina’s, in programma’s en op websites van diverse christelijke media. Maar wat weten we er eigenlijk echt van?

Er is ontzettend veel ervaringskennis natuurlijk en dat is zonder meer van belang. Maar meer systematisch inzicht in de geloofsontwikkeling en geloofsopvoeding van kinderen en jongeren in deze tijd is ook nodig: dat kan dienstbaar zijn aan de praktijk van ouders, vrijwilligers en professionals in de kerk en de reflectie op die praktijk. Ik denk dat er nog veel valt te ontdekken. Ik pleit daarom voor meer en structurele academische aandacht voor het brede thema van kinderen, jongeren, geloof en kerk. In termen van de week van de opvoeding: Waar en hoe kan er worden gespeeld? Waar is de verwondering in de geloofsopvoeding? Hoe ontstaat ruimte om het geloof te verkennen en te experimenteren met een gelovige praktijk? Hoe kunnen ouders en de kerk daar dienstbaar aan zijn en wat werkt dat uit? Waar en hoe wordt het geloof door kinderen en jongeren daadwerkelijk ervaren?

Midden in deze week van de opvoeding houd ik vandaag in het kader van de lezingencyclus De kerk leeft! aan de Christelijke Hogeschool Ede een bijdrage over de kerk als leergemeenschap. Ik denk inderdaad dat de kerk leeft; ik denk echter niet dat in deze tijd die (leer)gemeenschap vanzelfsprekend is gegeven door het instituut kerk of het instituutje plaatselijke gemeente. Ik betoog in mijn lezing dat om een nieuwe generatie in te wijden in het christelijk geloof houvast gezocht moet worden in principes als leren door doen en leren door ontmoeting. Het houvast moet bovendien meer en meer gezocht worden in gemeenschappen van gelovigen die minder organisatorisch en institutioneel en meer organisch en spontaan zich aandienen.

In het licht van die analyse denk ik dat op dit moment tenminste vier thema’s centraal moeten staan in academisch onderzoek en onderwijs op het gebied van kinderen, jongeren, geloof en kerk.

Ten eerste: de rol van ouders in de geloofsopvoeding. Ouders zijn de primaire opvoeders van een nieuwe generatie en in het gezin vindt een belangrijk deel van het leren en geloofsleren plaats. Collega Daniëlle van de Koot-Dees leverde onlangs een inzichtgevend proefschrift op over de rol van geloven in de opvoeding in jonge gezinnen in Amsterdam. Dat onderzoek vraagt om een vervolg. Het relatieve belang van de geloofsopvoeding in het gezin neemt alleen maar toe waar in z’n algemeenheid de binding met de kerk als instituut afneemt. Hoe kunnen ouders en kerken op nieuwe manieren gestalte geven aan een leergemeenschap voor een nieuwe generatie?

Ten tweede: de rol of functie van beleving en belichaming in de geloofsgemeenschap. Hoe je ook denkt over de vaak gehoorde oproep om meer ‘beleving’ in de kerk, beleving op zichzelf is erg belangrijk voor de geloofsontwikkeling van jongeren. En beleving gaat vaak niet zonder belichaming van geloof. Dat kunnen zichtbare, tastbare voorbeeldgelovigen in de omgeving van kinderen en jongeren zijn; dat kunnen ook de rituelen en vieringen in de kerk of in het gezin zijn die ruimte laten voor ervaringen en het voelen en uiten van emoties. Wat is de vormende werking van uiteenlopende vieringen, of het nu gaat om een klassieke kerkdienst of om een relipopfestival, en welke rol hebben deze in de geloofsontwikkeling van jongeren? Op welke wijze kunnen christelijke rituelen in het gezin gestalte geven aan de geloofsopvoeding?

Ten derde: de rol of functie van nieuwe (sociale) media in de geloofsontwikkeling van kinderen en jongeren. Nieuwe media bieden kansen om op nieuwe manieren aan geloofsgemeenschappen gestalte te geven. De vraag is ook hoe zich dat verhoudt tot het belang van belichaming van geloof. Wat betekent het gebrek aan fysieke nabijheid voor de geloofsontwikkeling? Wat kan wel en niet verwacht worden van bijvoorbeeld een internetkerk of van het virtuele netwerk van christenen wereldwijd voor de geloofsontwikkeling van een nieuwe generatie?

Ten vierde: de vormende werking van diaconale en missionaire kerkpraktijken. Gemeenteleden, niet zelden jongeren, worden in diaconale en missionaire activiteiten via de buitenkerkelijke context uitgedaagd om stil te staan bij het eigen geloven en de eigen traditie, bij eigen antwoorden en eigen geloofspraktijken. Zij leren vaak dat het geloof niet zomaar in woorden te vangen is. Diaconale en missionaire presentie schept leeromgevingen die binnen de kerkmuren maar moeilijk zijn te organiseren. Leveren deze praktijken de nieuwe gemeenschappen op waarin nieuwe generaties van binnen én buiten de kerkmuren ingewijd worden in het christelijk geloof? En: welke factoren dragen bij aan het ontstaan van duurzame geloofsgemeenschappen onder jongeren, als een institutionele band met een kerk niet (meer) relevant, haalbaar of zelfs onwenselijk is?

Er is veel beweging in het kinderwerk en jongerenwerk in kerken in Nederland. Een groot aantal organisaties en bewegingen in en om de kerk investeren daarin. In diverse fora, denktanks en netwerken ontmoeten professionals in het kinder- en jongerenwerk elkaar en werken daar aan verbetering en vernieuwing van praktijken van geloofsopvoeding. Ik acht het nodig dat er ook meer en structureel academisch onderzoek wordt gedaan naar het brede thema van kinderen, jongeren, geloof en kerk. Dit kan gelijk oplopen met wetenschappelijke vorming van toekomstige predikanten in de kerk en andere professionals die zich willen specialiseren in deze thematiek. Het Onderzoekscentrum voor Jeugd, Kerk & Cultuur dat verbonden is aan Protestantse Theologische Universiteit kan daarvoor een mooi platform bieden.

Kinderen, jongeren, geloof en kerk: een brede thematiek die de jongste generatie op het oog heeft: een generatie die, en dat is van alle tijden, spelenderwijs vol verwondering de wereld verkent, daarin experimenteert en ervaringen opdoet. Hoe richten kerken en gezinnen daar de ruimte voor in? Dat is de vraag die mij mateloos boeit. Spelenderwijs ga ik daar maar al te graag mee aan de slag.

De theologie gevierendeeld: voorstellen voor vernieuwing ontbreken

Een bespreking van De theologie gevierendeeld:

De theologie gevierendeeld – Vier spanningsvelden voor de theologiebeoefening in Nederland. Stephan van Erp en Harm Goris (Red.). Uitgever: Valkhof Pers. Verschenen: 2013.

Van Erp en Goris redigeerden een bundeling van acht bijdragen over vier spanningsvelden die bepalend lijken te zijn voor de huidige theologiebeoefening in Nederland. Het boekje is uitgegeven in de annalen van het Thijmgenootschap (jaargang 101, aflevering 1). Het is het bestuur van de afdeling Katholieke Theologie van het Thijmgenootschap die de vier spanningsvelden die worden besproken in het boekje heeft gedefinieerd: (1) de relatie van de theologie tot de geesteswetenschappen, (2) de plaats van de dogmatiek in het theologisch curriculum, (3) het beeld van de theologie in de media, en (4) de aansluiting van de opleidingen bij de beroepsmarkt van de zorg. In de periode 2010-2012 is een aantal studiebijeenkomsten belegd waarin theologen hun visie op een van de spanningsvelden gaven. Hun bijdragen zijn in de vorm van hoofdstukken opgenomen in De theologie gevierendeeld, dat vooral kijkt naar de katholieke theologiebeoefening in Nederland.

Aanleiding voor het schrijven van dit boekje is de observatie dat de beoefening van universitaire katholieke theologie sterk aan het veranderen is. Aan welke krachten zijn de katholieke Nederlandse theologieopleidingen onderhevig en hoe bepalen deze de toekomst van de theologiebeoefening in ons land? Doel van het boekje is dat de acht bijdragen belangrijke aanzetten en concrete voorstellen bieden “… voor de hervorming en vernieuwing van deze theologiebeoefening in Nederland” (p. 16).

Aan het slot van deze bespreking volgt per spanningsveld een indruk van wat de verschillende auteurs erover schrijven. Maar nu eerst een aantal overwegingen van mijn kant naar aanleiding van het lezen van het boekje.

De theologie gevierendeeld laat de lezer kennismaken met een variëteit aan thema’s die het actuele (katholieke) theologische bedrijf bezighoudt. De verschillende hoofdstukken lezen vlot. Het boekje is aan te bevelen aan iedereen die graag op de hoogte komt of op de hoogte blijft van de (katholieke) theologie beoefening in Nederland. Het boekje heeft echter ook zijn beperkingen. De belangrijkste daarvan is wat mij betreft de keuze voor de vier genoemde spanningsvelden. Er zijn verschillende andere spanningsvelden, uitdagingen, acute thema´s te noemen waar de hedendaagse theologie(opleiding) zich voor geplaatst weet. De vier spanningsvelden in De theologie gevierendeeld zijn gekozen door het bestuur van de afdeling Katholieke Theologie van het Thijmgenootschap. Er wordt echter onvoldoende verantwoord waarom deze vier spanningsvelden zo bepalend zouden zijn. Ontwikkelingen in de samenleving als secularisering, toenemende multireligiositeit, toenemende aandacht voor spiritualiteit, maar ook toenemende pluriformiteit binnen de kerk komen wel her en der aan bod maar ik had verwacht dat bijvoorbeeld deze thema’s systematischer zouden worden doordacht.

Wat verder opvalt is dat de hoofdstukken qua aard sterk van elkaar verschillen. De twee hoofdstukken over de relatie van de theologie tot de geesteswetenschappen bevatten voorzichtige, genuanceerde en zorgvuldige argumentaties. Hetzelfde geldt voor de hoofdstukken over het spanningsveld t.a.v. de dogmatiek. De hoofdstukken over theologie en de media, het derde spanningsveld, zijn op dit punt teleurstellend. Daar is nauwelijks sprake van een argumentatie maar slechts een beschrijving van enkele tendensen zonder conclusies te trekken voor de actuele theologiebeoefening. De hoofdstukken over de geestelijke verzorging, tot slot, zijn dan weer zeer uitgesproken in evaluatieve zin, getuige de volgende citaten: “het vak gaat ‘naar de bliksem’ wanneer niet snel een aantal zaken wordt opgepakt” en “de zichtbaarheid, toegankelijkheid en professionaliteit van geestelijk verzorgers laat veel te wensen over”.

De theologie gevierendeeld concentreert zich op de katholieke theologiebeoefening in Nederland. Af en toe komt ook de protestantse theologiebeoefening ter sprake (zeker in het deel over geestelijke verzorging). Voor een heel aantal thema’s is duidelijk dat deze parallellen kennen in de protestantse theologie(opleidingen). Dat geldt in ieder geval voor actuele uitdagingen voor de dogmatiek en de verhouding tussen religie en media. Het zou interessant zijn om rond een aantal spanningsvelden een serie opstellen te laten maken met het oog op de protestantse theologiebeoefening: zijn er inderdaad zoveel parallellen, waar liggen er breuklijnen en vooral: liggen er fundamenteel mogelijk andere spanningsvelden?

De theologie gevierendeeld beoogt belangrijke aanzetten en concrete voorstellen te geven voor de hervorming en vernieuwing van de (katholieke) theologiebeoefening in Nederland. Ik betwijfel of het boekje daarin geslaagd is. Dat komt vooral doordat de implicaties van de verschillende bijdragen niet ver genoeg worden doordacht: het ontbreekt aan aanwijzingen voor aanpassing van curricula en beroepsbeelden voor opleidingen; eveneens vind je nergens voorstellen voor vernieuwing of actualisering van bijvoorbeeld onderzoeksprogramma´s. Het meest concrete voorstel komt van Frans Vosman die pleit voor het terugbrengen van het diverse opleidingsaanbod voor het werkveld van geestelijk verzorgers naar twee levenskrachtige opleidingen, namelijk twee tweejarige masters “die voorbereiden op de laatmoderne werkelijkheid”. Dat De theologie gevierendeeld juist op dit punt niet aan de verwachtingen voldoet is een gemiste kans.

De vier spanningsvelden van De theologie gevierendeeld in vogelvlucht:

(1) de relatie van de theologie tot de geesteswetenschappen
Willem Frijhoff gaat in zijn bijdrage in op de spanning tussen enerzijds theologie als groepsbepaald gelovig spreken over God en anderzijds theologie als autonoom proces van wetenschapsvorming, als discipline. Deze (eeuwenoude) spanning werpt de vraag op of een opleiding theologie geheel zelfstandig voor beroep, zorg en wetenschap zou moeten opleiden of zich juist moet focussen op de core business, namelijk samen met verwante wetenschappen het godsgeloof, en de culturele dimensies van geloof in de wereld te bestuderen. Een definitief antwoord biedt Frijhoff niet, wel de oproep aan de theologie om zich van andere geesteswetenschappen te onderscheiden en die andere geesteswetenschappen tot kritische zelfreflectie te brengen.
Adelbert Denaux stelt in het volgende hoofdstuk geneigd te zijn bevestigend te antwoorden op de vraag of theologie thuis hoort in de geesteswetenschappen. Theologie en geesteswetenschappen gaan namelijk uit van dezelfde benadering van de werkelijkheid, namelijk van het onderscheid en de samenhang tussen materie en geest. Bovendien deelt theologie fundamenteel dezelfde hermeneutische benadering van het object dat ze bestudeert. Een integratie van de theologie als departement in de faculteit geesteswetenschappen is in zekere mate wenselijk, echter in de praktijk zal het snel leiden tot verschraling of ontmanteling van het theologisch onderzoek en onderricht. Daarom is het pleidooi van Denaux uiteindelijk om toch vrijplaatsen te behouden, faculteiten met een relatieve zelfstandigheid waar theologie beoefend kan worden.

(2) de plaats van de dogmatiek in het theologisch curriculum
Stephan van Erp gaat in op drie typen uitdagingen voor de dogmatiek: (1) uitdagingen van de systematische theologie zelf die betrekking hebben op de vraag naar de wetenschappelijkheid van de dogmatiek; (2) uitdagingen van de ontwikkelingen in de geesteswetenschappen die de vraag oproepen welke rol de dogmatiek heeft tussen andere wetenschappelijke disciplines; en (3) uitdagingen van de seculiere cultuur die te maken hebben met onbegrip en onverstaanbaarheid in die cultuur enerzijds en het verband tussen geloof en diezelfde cultuur als studieobject anderzijds. Als antwoord op die uitdagingen schetst Van Erp karakteristieken van een hedendaagse dogmatiek waarin behalve voor autoriteitsvragen en de waarheidsvraag ook aandacht is voor interdisciplinariteit voor actuele, hedendaagse godsvragen in verbinding met levend geloof.
Herwi Rikhof verdedigt in een volgende bijdrage de stelling dat de dogmatiek een centrale rol in kerk en theologie kan en moet spelen. Reden daarvoor is dat in de dogmatiek het karakteristieke element van het christendom expliciet en fundamenteel ter sprake komt. “Een theologie waarin de dogmatiek en haar kerninzichten niet centraal staan, is uiteindelijk geen christelijke theologie” (p. 79). Een christelijke theologie met daarin de dogmatiek centraal is volgens Rikhof ook een kerkelijke theologie. De taak van dogmatici is ook om te reflecteren op leergezag en ontwikkelingen daarin.

(3) het beeld van de theologie in de media
Hans Geybels beschrijft tendensen met betrekking tot religie in de media. Hij stelt vast dat de kerk voor de algemene media van belang is omdat ze voor en tot vele mensen spreekt. Vooral dat laatste is belangrijk stelt Geybels: “slechts in de mate dat het kerkelijk nieuws ook algemeen nieuws is, haalt het de algemene media. De nieuwswaarde van het kerkelijke nieuws wordt met dezelfde parameters gemeten als al het overige nieuws” (p. 111). Verder signaleert hij dat het doorgaans moet gaan om nieuws door en voor mensen: persoonlijkheden, meer dan zaken, staan centraal in berichtgeving. Dat heeft met een andere factor te maken, namelijk dat de doorsneelezer niet alleen geïnformeerd maar ook geraakt wil worden. Met nieuws dat een gezicht krijgt lukt dat beter. De auteur illustreert een en ander met voorbeelden uit m.n. de krantenwereld en radio/tv in Vlaanderen.
Het kortste hoofdstuk in De theologie gevierendeeld is van de hand van Leo Fijen die vier ‘terreinen van aandacht’ voor theologie in de media beschrijft: (1) de bijdrage van theologie/theologen in het maatschappelijke debat, (2) de bijdrage van theologie/theologen tijdens scharniermomenten van het leven, (3) de betekenis van theologie voor de behoefte aan verhalen, (4) de bijdrage van theologie/theologen aan de vitaliteit van het lokale geloofsleven, juist nu de katholieke kerk zo met zichzelf bezig is en parochies in de overleefstand zitten.

(4) de aansluiting van de opleidingen bij de beroepsmarkt van de zorg
Frans Vosman spreekt in zijn bijdrage de twijfel uit of de zorg over de toekomst voor het vak van geestelijk verzorger voldoende wordt doordacht. De typisch Nederlandse situatie van geestelijke verzorging is volgens Vosman snel en ingrijpend veranderd en bestaande modellen van geestelijke verzorging voldoen niet meer. Zijn urgente vraag is: “… wordt er wel over de problemen van nu nagedacht, zitten de betrokkenen wel samen?” (p. 120). Zijn antwoord is: nee, nog onvoldoende. Geestelijk verzorgers hebben een probleem om hun eigen werk te legitimeren naar andere betrokkenen in instellingen en samenleving en het vak gaat volgens Vos “naar de bliksem” wanneer niet snel een aantal zaken wordt opgepakt. Een van die zaken betreft de inrichting van opleidingen voor geestelijk verzorger in Nederland: het is niet zeker dat deze zijn voorbereid op de werkelijkheid van de instituties waarbinnen de geestelijk verzorgers werkzaam zijn: “Vaak staat de eigen denominatie heel centraal en niet de ontvangende institutie, vaak is het psychologisch-pastoraal model sterk aanwezig, en vrijwel steeds ligt de nadruk op het woord” (p. 129). Vosman pleit voor een herbezinning op de opleidingen die moet leiden tot een ander conceptueel raamwerk voor geestelijke verzorging. En hij pleit voor het terugbrengen van het diverse opleidingsaanbod naar twee levenskrachtige opleidingen, tweejarige masters die voorbereiden op de laatmoderne werkelijkheid.
Christa Anbeek, Jaap Schuurmans en Ger Palmboom constateren in de laatste bijdrage van het boekje dat de zichtbaarheid, toegankelijkheid en professionaliteit van geestelijk verzorgers veel te wensen over laat. Daar zijn vijf oorzaken voor: geestelijk verzorgers profileren hun specifieke expertise onvoldoende; traditionele geestelijk verzorgers werken langs de lijnen van verschillende denominaties, hetgeen steeds minder aansluit op de levensbeschouwelijke werkelijkheid in onze samenleving; de financieringsmogelijkheden voor hulp bij levensvragen in de extramurale zorg zijn zeer beperkt; levensvragen worden door hulpverleners en hulpvragers onvoldoende als zodanig onderkend; vanuit de geestelijke verzorging is soms te weinig bereidheid en competentie om binnen een eerstelijns teamverband te werken. Vervolgens bespreken zij de opzet, werkwijze, doel en voorlopige resultaten van het onderzoeksproject ´Geestelijke verzorging in de eerstelijns gezondheidszorg´ van de Universiteit voor Humanistiek.

Jos de Kock

Universitair Docent Educatie en Catechetiek Protestantse Theologische Universiteit (PThU) http://www.pthu.nl
Medewerker Onderzoekscentrum voor Jeugd, Kerk en Cultuur (OJKC)
http://www.ojkc.nl

Wat my fascineert aan onderwijs en of ik niet erg jong ben

Deze week interviewde reliwerk.nl mij over mijn werk als Directeur Onderwijs aan de PThU. Hieronder vind je de tekst van het artikel dat ook is terug te lezen op http://www.reliwerk.nl/2013/02/je-moet-voortdurend-op-zoek-naar-synergie/.

“Je moet voortdurend op zoek naar synergie”

Regelmatig legt de redactie van Reliwerk enkele vragen voor aan een reliprof. Vandaag wordt geïnterviewd: Jos de Kock, Directeur Onderwijs aan de PThU en actief Twitteraar.

Door: Kimberley van Eijkel

Wat fascineert u zo aan onderwijs?
“Ik ben al lange tijd vooral gefascineerd door leerprocessen: wat is leren, hoe leren mensen, etc. Onderwijs is een manier waarop dat leren op een bepaalde manier gestimuleerd wordt. Hoe kun je dat het beste inrichten, wat werkt wel, wat werkt niet etc. Dat zijn vragen die mij erg boeien. Dat zijn ook de vragen die me als Directeur Onderwijs aan de PThU bezig houden. Het boeiende vind ik vooral hoe in een onderwijssetting als onze universiteit verschillende lijnen bij elkaar moeten komen: er zijn verwachtingen, wensen en ideeën van studenten t.a.v. goed onderwijs. We hebben een geweldig mooie groep docenten aan de PThU die allemaal hun kwaliteiten hebben die nodig zijn voor goed onderwijs. Er zijn verwachtingen vanuit het beroepsveld van theologen en predikanten over hoe studenten het beste voorbereid kunnen worden op de uitdagingen en eisen in de werkpraktijk van vandaag en morgen. En niet onbelangrijk: er zijn eisen vanuit de overheid over hoe goed onderwijs gestalte krijgt. Vanzelfsprekend heb je ook een basis voor je opleiding in de vorm van een beroepsbeeld en kerninhouden en leerlijnen in je curriculum. Het samenspel van al deze verwachtingen, kwaliteiten, eisen, inhouden en wensen maakt wat wij onderwijs noemen. En het goed aaneenknopen van die verschillende lijntjes is geweldig boeiend en leuk om te doen.”

U heeft dagelijks te maken met jonge theologen. Merkt u dat zij problemen hebben om aan een baan te komen en zo ja, hoe probeert u ze te helpen?
“Het grootste deel van onze afgestudeerden gaat als predikant aan het werk, in een gemeente of in een instelling. Een ander deel van onze afgestudeerden gaat aan het werk in bijvoorbeeld het onderwijs of in dienstverlenende beroepen of als zelfstandige. Er is niet zozeer een probleem om aan een baan te komen. Wel kan het soms wat langer duren voordat iemand als predikant in zijn of haar eerste gemeente kan beginnen met werken. Dit heeft te maken met het gegeven dat je als predikant ‘beroepen’ wordt door een plaatselijke gemeente. Dit beroepingstraject neemt soms wat tijd in beslag, bij de een wat meer dan bij de ander.”

U bent nog hartstikke jong, maar al wel Directeur Onderwijs aan de PThU. Merkt u dat u soms minder serieus wordt genomen door uw leeftijd?
“Ben ik jong? Dat valt best mee toch? Ik heb in ieder geval niet de indruk dat ik er meer of minder serieus door word genomen. Ik draai het liever om: ik vind het belangrijk en heel behulpzaam in mijn werk om anderen heel serieus te nemen. Je bent als Directeur Onderwijs ook gewoon een docent onder de docenten. Je hebt dan wel een bijzondere verantwoordelijkheid, maar dat maakt je natuurlijk niet tot iemand die meer weet of meer kan dan anderen. We maken het onderwijs met elkaar. En voor mij geldt dat ik in mijn positie alleen maar goed kan presteren als ik ook geholpen wordt met de kennis en inzichten van anderen. Ik neem daarom ook veel ruimte voor gesprekken over het onderwijs; met collega’s, gepland of ongepland tijdens de koffie, en met net afgestudeerden of met mensen buiten de PThU. Gewoon omdat je daar zoveel wijzer van wordt. Die wijsheid heb ik niet, maar die heb je met elkaar. Als je kijkt naar de docenten die aan de PThU werken: dan heb je heel veel moois bij elkaar.

Welke kwaliteiten dient men, volgens u, te hebben om de functie Directeur Onderwijs op een goede manier te vervullen?
“De taak van Directeur Onderwijs combineer je met je ‘reguliere’ taak als docent en onderzoeker. Voor mij geldt dat ik onderwijs verzorg over thema’s als godsdienstpedagogiek, catechetiek, leerprocessen in de gemeente en jongeren en de kerk. Daarnaast doe ik veel onderzoek. Ik doe zelf godsdienstpedagogisch onderzoek en begeleid daarnaast op dit moment zes promotieonderzoeken, de meeste daarvan ook op het gebied van de godsdienstpedagogiek. En daar ligt voor mij ook een belangrijk deel van mijn ambities: je wilt de discipline van de godsdienstpedagogiek verder tot ontwikkeling brengen en daarom ben je druk bezig met onderzoek doen, onderzoeksplannen ontwikkelen, de financiering daarvoor vinden, daarover publiceren en er onderwijs over geven etc. Daarnaast draag ik ook graag verantwoordelijkheid in mijn werk die breder is dan alleen mijn eigen vakgebied. Dat is ook een ambitie. En die krijgt dan nu vorm in mijn rol als Directeur Onderwijs. Maar dat is wel een hele andere rol dan die je hebt als docent en onderzoeker in je eigen vakgebied. Dat maakt het elke werkweek weer een spannende onderneming om die twee rollen of twee posities in een goede balans te vervullen. Dat is denk ik een belangrijke kwaliteit: dat je een meer bestuurlijke verantwoordelijkheid, zowel in je hoofd als in je agenda, weet in balans te houden met je andere verantwoordelijkheid in de organisatie. En daar moet je dan ook nog lol in hebben natuurlijk. Een andere kwaliteit is denk ik dat je verschillende belangen op elkaar kunt afstemmen. Als Directeur Onderwijs dien je het belang van goed onderwijs en alles wat daarvoor nodig is in de organisatie. Maar als universiteit heb je niet alleen de taak om onderwijs te geven maar ook om met elkaar verschillende onderzoeksprogramma’s neer te zetten en te werken aan kennisvalorisatie. Je moet dus voortdurend op zoek naar synergie tussen al deze deelterreinen. Ik vind dat je als Directeur Onderwijs daar ook visie op moet hebben en samen met, in ons geval, de directeur bedrijfsvoering en het CvB tot goede besluiten moet kunnen komen. En bij dit alles moet je je altijd bedenken dat onderwijs over mensen gaat: dus continu je verbeelden wat alle cijfers en alle besluitsvoorstellen betekenen voor concrete docenten en voor studenten: zijn zij met een besluit het beste in staat gesteld om het onderwijs onder gegeven omstandigheden gestalte te geven?”

Wat vindt u helemaal niet leuk aan uw baan?
“Ik vind het een geweldige baan. Niet in de laatste plaats omdat ik zelf ook ontzettend veel leer. En er is vertrouwen dat ik dit werk goed kan doen. En als er iets stimulerend is in je werk dan is het vertrouwen krijgen. En overigens is dat bij het begeleiden van leerprocessen, bij het verzorgen van onderwijs dus ook, heel belangrijk: vertrouwen geven! Ik kan niet zo snel iets bedenken dat ik echt niet leuk vind aan mijn werk. Het een ligt je wat beter dan het ander natuurlijk, maar ik besef dat je heel veel kleine dingen moet doen, heel veel kleine stapjes moet zetten om uiteindelijk ergens te komen. En als je dat doel steeds maar voor ogen houdt, goed onderwijs, dan is elke dag de moeite weer meer dan waard.”

Jos de Kock is te volgen op Twitter via @josdekock.

Kimberley van Eijkel is eindredacteur van Reliwerk.nl

Hoe de godsdienstpedagogiek mij bezighoudt

De godsdienstpedagogiek houdt mij bezig. Het boeit me en dat is niet verwonderlijk. Mijn werk speelt zich tenslotte grotendeels af binnen deze wetenschappelijke discipline. De godsdienstpedagogiek bestudeert de religieuze of levensbeschouwelijke opvoedingswerkelijkheid met het oog op wetenschappelijke theorievorming. Ik mag dat dagelijks doen vanuit een protestants christelijke traditie. Hoe houdt die godsdienstpedagogiek mij precies bezig?

De godsdienstpedagogiek als discipline heeft zich vaak geconcentreerd op de opvoedingswerkelijkheid in institutioneel verband: in de kerk, in het gelovige gezin of bijvoorbeeld binnen de christelijke school. De religieuze vormingspraktijk in Nederland wordt echter steeds minder gedomineerd door instituten. De religieuze vorming van nieuwe generaties voltrekt zich op vaak originele manieren en op originele plekken, onvoorspelbaar, niet alleen offline, ook online en vaker informeel en minder formeel. Dat wil niet zeggen dat de rol van instituten overal is uitgespeeld. Er zijn bijvoorbeeld nog veel kerkelijke gemeenschappen aan te wijzen waar volop catechese wordt gegeven en waar ouders gezamenlijk nadenken over de geloofsopvoeding van hun kinderen. In het Nederland van nu tref je dus een grote variëteit aan religieuze opvoedingswerkelijkheden en vormingscontexten aan.

In de afgelopen jaren heb ik met collega’s een aantal onderzoeken opgezet die meer inzicht moeten opleveren in die vormingspraktijken. Niet alleen onderzoeken naar catechesepraktijken in kerken en onderzoeken naar de religieuze vormingspraktijk op christelijke scholen; ook onderzoeken naar religieuze identiteitsontwikkeling van jongeren; deze laatste onderzoeken moeten bijvoorbeeld meer licht werpen op de relatieve rol van instituten in vergelijking met de relatieve rol van meer informele vormende factoren in het leven van opgroeiende jongeren.

Wat mij vooral boeit is hoe de praktijk van hedendaagse religieuze vorming vanuit een protestants christelijke traditie zich verhoudt tot twee belangrijke factoren in de samenleving van nu: in de eerste plaats een ‘seculiere wind’ die door de Nederlandse samenleving waait en in de tweede plaats de aanwezigheid van religieuze en levensbeschouwelijke diversiteit in die samenleving. Wat mij boeit is de godsdienstpedagogische reflectie op monoreligieuze vormingspraktijken in een context van seculariteit en multireligiositeit.

Wat mij boeit is de godsdienstpedagogische doordenking van nieuwe, uitdagende vormingspraktijken, bijvoorbeeld door te kijken naar processen van geloofsleren in straatwerk met jongeren. Wat mij boeit zijn nieuwe godsdienstpedagogische vragen, bijvoorbeeld: hoe verhoudt een toenemende digitalisering van de leefwereld (inclusief rol social media) zich tot het belang dat in toenemende mate wordt gehecht aan fysieke nabijheid en ‘embodiment’ (lichamelijkheid) bij religieuze leerprocessen? Samen met collega´s en werkers in het veld probeer ik meer inzicht te krijgen in deze thema´s en nieuw onderzoek van de grond te krijgen. Wat mij overigens ook boeit is de vormingscontext van de instelling waar ik zelf werk: een predikantsopleiding. Dit is in zekere zin ook een godsdienstpedagogische praktijk waar genoeg godsdienstpedagogische vragen over te stellen zijn.

Tot slot: de godsdienstpedagogiek boeit mij niet alleen op het vlak van het beschrijven van en inzicht verkrijgen in de opvoedingswerkelijkheid. De godsdienstpedagogiek boeit me eveneens doordat zij beargumenteerd idealen of normatieve uitgangspunten kan aanreiken voor de opvoedingswerkelijkheid. En dat is in het bijzonder zo boeiend omdat je in de praktijk steeds vaker op verlegenheid stuit ten aanzien van de vraag waar religieuze of levensbeschouwelijke vorming goed voor is.

Zo houdt de godsdienstpedagogiek mij bezig.

Een spiritueel professional, een pluriform kerkje, een seculier front.

Een spiritueel professional die opereert vanuit een even kleine als pluriforme kerk met het gezicht naar een groot seculier front

Zo zou je het beeld van de predikant “van de toekomst” kunnen samenvatten. Althans, dat is het beeld dat op me af kwam in de afgelopen twee maanden tijdens diverse gedachtewisselingen over de predikantsopleiding “van de toekomst”. Aan het begin van de afgelopen zomermaanden nodigde ik mensen uit om daarover ideeën aan te leveren. Wat was de aanleiding ook alweer?

Daar was de promotie van Robert Doornenbal op het proefschrift Crossroads. En daar verscheen het manifest Dominee 2.0, geschreven door een aantal jonge theologen. Het proefschrift van Doornenbal vormde aanleiding voor een pleidooi voor meer aandacht voor missionair leiderschap in predikantsopleidingen. Het manifest vormde aanleiding voor onder andere een pleidooi voor eigentijdse theologiebeoefening en kerk zijn in de predikantsopleiding van de PThU.

Als reactie op beide pleidooien ontstond in de christelijke media en de kerkelijke pers een publiek debat over de inrichting van de predikantsopleiding. Tegen die achtergrond stelde ik dus de vraag mee te denken. Er blijken veel mensen te zijn die dat graag doen; en die dat goed doen. Het leverde mij een kleine vijftig inhoudelijke reacties op die via email en social media tot mij kwamen. Reacties van theologen, predikanten en andere betrokkenen bij kerk en theologie. Met zeven anderen heb ik uitgebreid koffie gedronken en gesprekken gevoerd over de implicaties van alle input uit de pleidooien, debatten en reacties.

Wat mij is opgevallen in alle correspondentie en gesprekken is dat deze implicaties niet alleen op de inrichting van predikantsopleidingen betrekking hebben (ook dat) maar vooral op het onderliggende beeld van wat ik dan maar noem de “predikant van de toekomst”. En dat beeld is samengevat: een spiritueel professional die opereert vanuit een even kleine als pluriforme kerk met het gezicht naar een groot seculier front. In dit beeld liggen drie belangrijke thema’s besloten: (a) ruimte voor spiritualiteit, (b) debat en erkenning binnen de breedte van de PKN, en (c) de kerk opereert ten opzichte van een seculier front.

(a) Ruimte voor spiritualiteit. Er is behoefte aan persoonlijke, geëngageerde theologiebeoefening. Er is behoefte aan ruimte en vermogen om de eigen spiritualiteit te tonen en deze te verbinden met het professionele handelen als theoloog. Dat vraagt om goede spirituele vorming en een omgeving waarin anderen je daarin voorgaan.

(b) Debat en erkenning binnen de breedte van de PKN. Er is behoefte aan een positief, kritisch en open, eerlijk debat tussen verschillende stromingen, bewegingen, hoeken, kleuren enzovoorts van de Protestantse Kerk. Naast debat is er ook behoefte aan positieve erkenning van verschillende bewegingen binnen de kerk (vrijzinnige, oecumenische, charismatische en orthodoxe bewegingen, om er maar een aantal te noemen).

(c) De kerk opereert ten opzichte van een seculier front. Er is behoefte om toegerust te zijn voor een steeds kleinere kerk in een Nederland dat sterk seculier is en met kerkbetrokkenen die ook zelf steeds vaker en steeds meer geseculariseerd zijn. De kerk is een dissidente beweging aan het worden. Nieuwe generaties die nog in de kerk opgroeien weten steeds vaker nauwelijks meer iets over het geloof. Het gaat om een kerk met een sterk missionaire roeping, die tegelijk goed moet blijven zorgen voor de bestaande kudde. Maar het gaat ook om een kerk die de realiteit van ‘het licht uit moeten doen’ onder ogen moet leren zien.

Levert dit beeld nu veel nieuwe inzichten op? Die vraag zal door iedereen weer anders beantwoord worden. Mij vallen in ieder geval een aantal dingen op.

Pluriformiteit is wat in dit ´beroepsbeeld´ extra geprofileerd naar voren komt; en dat in twee opzichten. In de eerste plaats vanwege de verbinding van theologiebeoefening met persoonlijke spiritualiteit. Dat leidt vanzelfsprekend niet tot een afstandelijke theologiebeoefening met het karakter van een eenheidsworst. Maar dat leidt tot individuele, persoonlijk geëngageerde theologiebeoefening. En dus tot een veelkleurigheid aan theologie. In de tweede plaats komt pluriformiteit naar voren vanwege de gearticuleerde behoefte om de pluriformiteit in de kerk niet slechts te bediscussiëren maar ook te erkennen.

Wat mij verder opvalt is dat deze behoefte aan pluriformiteit opspeelt in een steeds kleiner wordende kerk. Oog in oog met een groot ´seculier front´ loopt een kleiner wordende kerk gelijk op met een toenemende behoefte aan persoonlijk geëngageerde theologiebeoefening en erkenning van diversiteit. Niet in de laatste plaats als het gaat om vormen van kerk zijn, variërend van pionierende digikerken, nieuwe kerkplantingen, oude en nieuwe volkskerken, enzovoort, enzovoort.

Wat zo´n beeld betekent voor de inrichting van een predikantsopleiding `voor de toekomst` is een vraag waar ik nu mee aan de slag ben. En niet alleen ik natuurlijk, maar alle docenten die aan dat onderwijs gestalte geven en vele andere betrokkenen. Er worden ideeën geboren. Het gesprek is gaande. To be continued zou ik zeggen. Ook met jullie reacties! En met niet minder dan een driepuntertje:

een spiritueel professional – een pluriform kerkje – een seculier front