radiointerview over geloof en wetenschap

Op 19 mei 2014 interviewde Andries Knevel mij rond het thema ‘geloof en wetenschap’. Luister via de onderstaande link de radiouitzending:

radiointerview 

 

 

Advertenties

Meer academische aandacht voor kinderen, jongeren, kerk en geloof

Deze week is de week van de opvoeding. Voor de derde keer is deze week in Nederland gelanceerd. Het thema dit jaar is: Word spelenderwijs. Want spelenderwijs ontdekken kinderen de wereld om zich heen. Dat is leuk en leerzaam tegelijk. De initiatiefnemers van deze week stellen: “Het is belangrijk om kinderen de ruimte te bieden om vol verwondering te verkennen, te experimenteren en te ervaren.”

En zo is het. En zo is het ook in de geloofsopvoeding, thuis en in de kerk. Kinderen en jongeren moeten vol verwondering kunnen verkennen, experimenteren en ervaren als het gaat om geloven. Althans, dat is een veel verwoorde opvatting in debatten over kerk en de opvoeding van een nieuwe generatie kinderen en jongeren. Kinderen in de kerk, jongeren en de toekomst van de kerk, de geloofsopvoeding in het gezin: het zijn geliefde onderwerpen op kerk- en geloofpagina’s, in programma’s en op websites van diverse christelijke media. Maar wat weten we er eigenlijk echt van?

Er is ontzettend veel ervaringskennis natuurlijk en dat is zonder meer van belang. Maar meer systematisch inzicht in de geloofsontwikkeling en geloofsopvoeding van kinderen en jongeren in deze tijd is ook nodig: dat kan dienstbaar zijn aan de praktijk van ouders, vrijwilligers en professionals in de kerk en de reflectie op die praktijk. Ik denk dat er nog veel valt te ontdekken. Ik pleit daarom voor meer en structurele academische aandacht voor het brede thema van kinderen, jongeren, geloof en kerk. In termen van de week van de opvoeding: Waar en hoe kan er worden gespeeld? Waar is de verwondering in de geloofsopvoeding? Hoe ontstaat ruimte om het geloof te verkennen en te experimenteren met een gelovige praktijk? Hoe kunnen ouders en de kerk daar dienstbaar aan zijn en wat werkt dat uit? Waar en hoe wordt het geloof door kinderen en jongeren daadwerkelijk ervaren?

Midden in deze week van de opvoeding houd ik vandaag in het kader van de lezingencyclus De kerk leeft! aan de Christelijke Hogeschool Ede een bijdrage over de kerk als leergemeenschap. Ik denk inderdaad dat de kerk leeft; ik denk echter niet dat in deze tijd die (leer)gemeenschap vanzelfsprekend is gegeven door het instituut kerk of het instituutje plaatselijke gemeente. Ik betoog in mijn lezing dat om een nieuwe generatie in te wijden in het christelijk geloof houvast gezocht moet worden in principes als leren door doen en leren door ontmoeting. Het houvast moet bovendien meer en meer gezocht worden in gemeenschappen van gelovigen die minder organisatorisch en institutioneel en meer organisch en spontaan zich aandienen.

In het licht van die analyse denk ik dat op dit moment tenminste vier thema’s centraal moeten staan in academisch onderzoek en onderwijs op het gebied van kinderen, jongeren, geloof en kerk.

Ten eerste: de rol van ouders in de geloofsopvoeding. Ouders zijn de primaire opvoeders van een nieuwe generatie en in het gezin vindt een belangrijk deel van het leren en geloofsleren plaats. Collega Daniëlle van de Koot-Dees leverde onlangs een inzichtgevend proefschrift op over de rol van geloven in de opvoeding in jonge gezinnen in Amsterdam. Dat onderzoek vraagt om een vervolg. Het relatieve belang van de geloofsopvoeding in het gezin neemt alleen maar toe waar in z’n algemeenheid de binding met de kerk als instituut afneemt. Hoe kunnen ouders en kerken op nieuwe manieren gestalte geven aan een leergemeenschap voor een nieuwe generatie?

Ten tweede: de rol of functie van beleving en belichaming in de geloofsgemeenschap. Hoe je ook denkt over de vaak gehoorde oproep om meer ‘beleving’ in de kerk, beleving op zichzelf is erg belangrijk voor de geloofsontwikkeling van jongeren. En beleving gaat vaak niet zonder belichaming van geloof. Dat kunnen zichtbare, tastbare voorbeeldgelovigen in de omgeving van kinderen en jongeren zijn; dat kunnen ook de rituelen en vieringen in de kerk of in het gezin zijn die ruimte laten voor ervaringen en het voelen en uiten van emoties. Wat is de vormende werking van uiteenlopende vieringen, of het nu gaat om een klassieke kerkdienst of om een relipopfestival, en welke rol hebben deze in de geloofsontwikkeling van jongeren? Op welke wijze kunnen christelijke rituelen in het gezin gestalte geven aan de geloofsopvoeding?

Ten derde: de rol of functie van nieuwe (sociale) media in de geloofsontwikkeling van kinderen en jongeren. Nieuwe media bieden kansen om op nieuwe manieren aan geloofsgemeenschappen gestalte te geven. De vraag is ook hoe zich dat verhoudt tot het belang van belichaming van geloof. Wat betekent het gebrek aan fysieke nabijheid voor de geloofsontwikkeling? Wat kan wel en niet verwacht worden van bijvoorbeeld een internetkerk of van het virtuele netwerk van christenen wereldwijd voor de geloofsontwikkeling van een nieuwe generatie?

Ten vierde: de vormende werking van diaconale en missionaire kerkpraktijken. Gemeenteleden, niet zelden jongeren, worden in diaconale en missionaire activiteiten via de buitenkerkelijke context uitgedaagd om stil te staan bij het eigen geloven en de eigen traditie, bij eigen antwoorden en eigen geloofspraktijken. Zij leren vaak dat het geloof niet zomaar in woorden te vangen is. Diaconale en missionaire presentie schept leeromgevingen die binnen de kerkmuren maar moeilijk zijn te organiseren. Leveren deze praktijken de nieuwe gemeenschappen op waarin nieuwe generaties van binnen én buiten de kerkmuren ingewijd worden in het christelijk geloof? En: welke factoren dragen bij aan het ontstaan van duurzame geloofsgemeenschappen onder jongeren, als een institutionele band met een kerk niet (meer) relevant, haalbaar of zelfs onwenselijk is?

Er is veel beweging in het kinderwerk en jongerenwerk in kerken in Nederland. Een groot aantal organisaties en bewegingen in en om de kerk investeren daarin. In diverse fora, denktanks en netwerken ontmoeten professionals in het kinder- en jongerenwerk elkaar en werken daar aan verbetering en vernieuwing van praktijken van geloofsopvoeding. Ik acht het nodig dat er ook meer en structureel academisch onderzoek wordt gedaan naar het brede thema van kinderen, jongeren, geloof en kerk. Dit kan gelijk oplopen met wetenschappelijke vorming van toekomstige predikanten in de kerk en andere professionals die zich willen specialiseren in deze thematiek. Het Onderzoekscentrum voor Jeugd, Kerk & Cultuur dat verbonden is aan Protestantse Theologische Universiteit kan daarvoor een mooi platform bieden.

Kinderen, jongeren, geloof en kerk: een brede thematiek die de jongste generatie op het oog heeft: een generatie die, en dat is van alle tijden, spelenderwijs vol verwondering de wereld verkent, daarin experimenteert en ervaringen opdoet. Hoe richten kerken en gezinnen daar de ruimte voor in? Dat is de vraag die mij mateloos boeit. Spelenderwijs ga ik daar maar al te graag mee aan de slag.

Embodiment in youth ministry – in digitalized and other ways

Samen met andere onderzoekers van het Onderzoekscentrum voor Jeugd, Kerk en Cultuur (OJKC) ben ik betrokken bij de International Association for the Study of Youth Ministry (IASYM). Zo was collega Ronelle Sonnenberg een aantal jaren lid van de Executive Committee van IASYM. Voor mij geldt dat ik voorzitter mag zijn van de academic committee die de Europese IASYM conferentie volgend jaar in Tsjechië voorbereidt. Vanaf 2014 begin ik tevens als hoofdredacteur van de Journal of Youth and Theology. De uitdaging is van dit journal een internationaal hoogwaardig wetenschappelijk tijdschrift te maken.

Een grote varieteit aan onderwerpen houdt het internationale gezelschap van onderzoekers en practitioners in het veld van Youth Ministry bezig. Dat blijkt elk jaar weer op onze congressen en ook in de artikelen die in de Journal of Youth and Theology verschijnen. Voor de conferentie in 2014 hebben we een thema gekozen dat de schijnwerpers in het bijzonder zet op de rol van embodiment in relatie tot oude en nieuwe media: ”embodiment in youth ministry – in digitalized and other ways”. De Journal of Youth and Theology zal in 2014 ook een nummer uitbrengen waarin bijdragen over dit thema zijn opgenomen. Hieronder een korte uitwerking van de thematiek zoals deze binnnenkort op de IASYM website zal verschijnen:

More and more, the concept of embodiment or embodied faith is emerging in debates found in youth ministry research. A plea for a bodily or physical approach in youth ministry, in a way, contrasts with the more and more digitalized world and life of young people. Although the internet and new (social) media can enhance multisensory experiences, we need to recognize that the digital world by definition lacks the physical closeness of people in it. At the same time, though, it could still be asked how powerful ´old media´ and forms of aesthetics are in embodying faith? What does this mean for the development of youth ministry, the work of youth ministers and research into the field of youth ministry? The IASYM 2014 European conference is aiming at reflecting the importance of the body, embodiment and multisensory experiences of faith for the field of youth ministry.

De IASYM 2014 conferentie zal gehouden worden van 23 tot en met 26 april 2014 in České Budějovice (Budweis), Tsjechië. De call for proposals zal binnenkort verschijnen op http://www.iasym.net

Hoe de godsdienstpedagogiek mij bezighoudt

De godsdienstpedagogiek houdt mij bezig. Het boeit me en dat is niet verwonderlijk. Mijn werk speelt zich tenslotte grotendeels af binnen deze wetenschappelijke discipline. De godsdienstpedagogiek bestudeert de religieuze of levensbeschouwelijke opvoedingswerkelijkheid met het oog op wetenschappelijke theorievorming. Ik mag dat dagelijks doen vanuit een protestants christelijke traditie. Hoe houdt die godsdienstpedagogiek mij precies bezig?

De godsdienstpedagogiek als discipline heeft zich vaak geconcentreerd op de opvoedingswerkelijkheid in institutioneel verband: in de kerk, in het gelovige gezin of bijvoorbeeld binnen de christelijke school. De religieuze vormingspraktijk in Nederland wordt echter steeds minder gedomineerd door instituten. De religieuze vorming van nieuwe generaties voltrekt zich op vaak originele manieren en op originele plekken, onvoorspelbaar, niet alleen offline, ook online en vaker informeel en minder formeel. Dat wil niet zeggen dat de rol van instituten overal is uitgespeeld. Er zijn bijvoorbeeld nog veel kerkelijke gemeenschappen aan te wijzen waar volop catechese wordt gegeven en waar ouders gezamenlijk nadenken over de geloofsopvoeding van hun kinderen. In het Nederland van nu tref je dus een grote variëteit aan religieuze opvoedingswerkelijkheden en vormingscontexten aan.

In de afgelopen jaren heb ik met collega’s een aantal onderzoeken opgezet die meer inzicht moeten opleveren in die vormingspraktijken. Niet alleen onderzoeken naar catechesepraktijken in kerken en onderzoeken naar de religieuze vormingspraktijk op christelijke scholen; ook onderzoeken naar religieuze identiteitsontwikkeling van jongeren; deze laatste onderzoeken moeten bijvoorbeeld meer licht werpen op de relatieve rol van instituten in vergelijking met de relatieve rol van meer informele vormende factoren in het leven van opgroeiende jongeren.

Wat mij vooral boeit is hoe de praktijk van hedendaagse religieuze vorming vanuit een protestants christelijke traditie zich verhoudt tot twee belangrijke factoren in de samenleving van nu: in de eerste plaats een ‘seculiere wind’ die door de Nederlandse samenleving waait en in de tweede plaats de aanwezigheid van religieuze en levensbeschouwelijke diversiteit in die samenleving. Wat mij boeit is de godsdienstpedagogische reflectie op monoreligieuze vormingspraktijken in een context van seculariteit en multireligiositeit.

Wat mij boeit is de godsdienstpedagogische doordenking van nieuwe, uitdagende vormingspraktijken, bijvoorbeeld door te kijken naar processen van geloofsleren in straatwerk met jongeren. Wat mij boeit zijn nieuwe godsdienstpedagogische vragen, bijvoorbeeld: hoe verhoudt een toenemende digitalisering van de leefwereld (inclusief rol social media) zich tot het belang dat in toenemende mate wordt gehecht aan fysieke nabijheid en ‘embodiment’ (lichamelijkheid) bij religieuze leerprocessen? Samen met collega´s en werkers in het veld probeer ik meer inzicht te krijgen in deze thema´s en nieuw onderzoek van de grond te krijgen. Wat mij overigens ook boeit is de vormingscontext van de instelling waar ik zelf werk: een predikantsopleiding. Dit is in zekere zin ook een godsdienstpedagogische praktijk waar genoeg godsdienstpedagogische vragen over te stellen zijn.

Tot slot: de godsdienstpedagogiek boeit mij niet alleen op het vlak van het beschrijven van en inzicht verkrijgen in de opvoedingswerkelijkheid. De godsdienstpedagogiek boeit me eveneens doordat zij beargumenteerd idealen of normatieve uitgangspunten kan aanreiken voor de opvoedingswerkelijkheid. En dat is in het bijzonder zo boeiend omdat je in de praktijk steeds vaker op verlegenheid stuit ten aanzien van de vraag waar religieuze of levensbeschouwelijke vorming goed voor is.

Zo houdt de godsdienstpedagogiek mij bezig.

#Theodicht over Vreemd Vermogen

Op 21 juni 2012 vindt voor de tweede maal de Nacht van de Theologie plaats in de Hermitage Amsterdam. Het thema dit jaar is “Vreemd Vermogen”.
De Nacht van de Theologie wil theologen inspireren bij hun werk door onder andere het gesprek over actuele thema’s in het publieke debat tussen theologen te stimuleren. En natuurlijk ook door prijzen toe te kennen aan theologen op verschillende gebieden.

Elkaar inspireren tijdens een Nacht van de Theologie is mooi en belangrijk. Wat vinden we eigenlijk van de theologie anno 2012 in Nederland? Over welke onderpen kunnen we ophouden en welke moeten hoog op de agenda? Welke vragen zouden we willen stellen in en aan de theologie? Heeft de theologie nog relevantie in ons kikkerland of heeft het zijn beste tijd gehad? Hoe ziet de theologie van de toekomst eruit? Waar gaat die over? En wie hebben er wat aan?

Voor al deze vragen lanceer ik graag het #theodicht: een boodschap aan de theologie in een gedicht van 140 tekens. Dit idee is een vervolg op het eerdere initiatief van #kerkgedicht.

Elk #theodicht verpakt een eigen boodschap aan de theologie in een gedicht van 140 tekens. De aaneenschakeling van theodichten zal een beeld schetsen van welke debatten theologen zouden moeten voeren, welke onderzoeksvragen centraal zouden moeten staan en niet in de laatste plaats waar het onderwijs in de diverse theologische opleidingen in het land aandacht aan zou moeten geven.

Een #theodicht voldoet aan drie criteria:
1. het gedicht telt max. 140 tekens (dat heet een tweet)
2. het bevat de hashtag #nvdt (de hashtag voor de Nacht van de Theologie)
3. en het bevat de hastag #td (waaraan te herkennen is dat het om een theodicht gaat)

Een theodicht stijgt in waarde als het de dichter lukt om ook het woord #vreemd of het woord #vermogen erin te verwerken. Maar dat is verder geen vereiste.  

Tijdens de Nacht van de Theologie kunnen thedichten de wereld ingestuurd worden. Maar ook voor die tijd is dat mogelijk uiteraard. Een bloemlezing van theodichten die reeds het licht zagen is na te lezen in een bericht op SocialMissie.nl.

Jong zoekt zin op web

Een bespreking van:

Zinzoekers op het web – internet en de verandering van geloofsbeleving. Albert Benschop & Connie Menting (Redactie). Uitgever: Skandalon.

“Alle levensbeschouwelijke en religieuze tradities en stromingen hebben inmiddels hun plek gevonden in het internetdomein. Wat hebben zij te bieden aan zinzoekers op het internet?” Die vraag staat centraal in Zinzoekers op het web. Het boek is een verzameling bijdragen over hoe mensen via internet en in het bijzonder via sociale media vorm geven aan hun levensbeschouwelijke, spirituele of religieuze inspiraties. Wat doen zinzoekers met het internet en wat doet het internet met zinzoekers?

Voor iedereen die een beeld wil krijgen van bestaande zin zoek praktijken op het web en (beginnende) reflecties daarop is dit boek een echte aanrader. De afwisseling van beschrijvende bijdragen, analyses en interviews maakt het geheel tot een prettig leesbaar boek. Zo maakt Albert Benschop een beschrijving van hoe geloofsverandering door internet kan plaatsvinden, komt Fred Omvlee in een interview aan het woord over Social Sunday, houden Ruud Verheggen en Eric van den Berg een pleidooi voor een katholieke twitterethiek en worden in weer een andere bijdrage onderzoeksprojecten besproken over mogelijkheden die het internet biedt voor migrantenjongeren.

De verschillende bijdragen in het boek maken ook duidelijk dat voortgaande beschrijvingen en analyses van praktijken van zinzoekers op het web nodig zijn. Het komt nogal eens voor dat een stellingname niet of nauwelijks van een argumentatie voorzien wordt. Een illustratie daarvan is te vinden in het hoofdstuk Internet als wereld van nabijheid: “In het digitale ‘hiernaastmaals’ onstaan online gemeenschappen van zinzoekers die de traditionele religieuze identiteiten en praktijken grondig veranderen.” Dat is op zichzelf een interessante uitspraak. Het ontbreekt in het hoofdstuk helaas aan een goede uiteenzetting van wat er dan precies verandert, hoe je dat zou moeten waarderen en op grond waarvan we deze stelling kunnen aannemen.

Wat mij in het bijzonder opvalt in het boek is dat slechts in een bijdrage uitgebreid aandacht is voor jongeren. Je zou bij een boek over internet en nieuwe media anders verwachten. Het gaat om de bijdrage van Koen Leurs, Fadi Hirzalla en Liesbet van Zoonen die in hun bijdrage stellen dat gemarginaliseerde minderheden, vooral jongeren, internetapplicaties gebruiken om hun stem te verheffen. Bijzondere aandacht geven zij aan moslimjongeren in de Nederlandse context. Aan de hand van de bespreking van bestaande literatuur lichten zij toe hoe met name jonge moslims verschillende internetapplicaties gebruiken om een eigen koers te varen in hun identiteitsontwikkeling. Zo blijkt YouTube, in tegenstelling tot traditionele media, een ruimte te zijn waarin jonge moslims kunnen uiten hoe ze hun geloof werkelijk ervaren. Datzelfde geldt voor online forumdiscussies. Met deze applicaties kunnen jonge moslims een positief tegenwicht bieden aan de constante stroom van kritiek op hun religie, aldus de auteurs.

Ik zou graag een vervolg op Zinzoekers op het web zien verschijnen. Laten we zeggen: Jong zoekt zin op web. Een boek met speciale aandacht voor jonge zinzoekers op het web. Een boek waarin webpraktijken van jonge zinzoekers grondig worden geanalyseerd en bereflecteerd.

Jos de Kock.
medewerker Onderzoekscentrum voor Jeugd, Kerk en Cultuur (OJKC) www.ojkc.nl

Mozes is mijn held! Religieuze profilering op social media

Hoe verhouden kerken en christelijke gemeenschappen zich tot de vlucht die social media de afgelopen jaren hebben genomen? Zijn social media een fenomeen dat wel of niet past bij de aard van kerken en parochies? Zijn social media een middel waarmee aansluiting gezocht kan worden tussen de ´inner circle´ van de kerkgemeenschap en de ´outer circle´ van de gemeenschap? Of zijn social media een onderdeel van de (sociale) werkelijkheid waarin de kerk vanzelfsprekend een plek in zou moeten hebben?

Zo maar wat vragen die centraal staan in debatten over kerk en social media. Een andere vraag die door al deze vragen heen ook een rol speelt is of individuele gelovigen zichzelf als gelovig of religieus laten kennen in de social media. Over deze vraag las ik deze week een interessant onderzoeksartikel van Piotr Bobkowski (University of Kansas) en Lisa Pearce (University of North Carolina at Chapel Hill) in een recente uitgave van Journal for the Scientific Study of Religion. De conclusies waarmee de onderzoekers komen en de vragen die ze daarmee opwerpen zijn mijns inziens ook relevant om te betrekken in het debat over kerk en social media dat in de Nederlandse context wordt gevoerd.

Bobkowski en Pearce onderzochten bij 560 jongvolwassenen (18-23 jaar oud) die deelnemen  aan de National Study of Youth and Religion (NSYR) in de U.S. de mate waarin zij zichzelf religieus laten kennen op MySpace en in hoeverre dit samenhangt met een aantal persoonlijke en sociale factoren in het leven van deze jongvolwassenen. In het onderzoek zijn de MySpace profielen van de 560 deelnemers geanalyseerd en vergeleken met uitkomsten van het telefonische NSYR survey onderzoek onder deze zelfde personen..

Bobkowski en Pearce maken in het onderzoek onderscheid tussen religious identification en religious self-disclosure, twee vormen van jezelf religieus laten kennen. Van religious identification is sprake wanneer de bezitter van een MySpace account een van de 14 labels in het veld ‘Religion’ heeft gebruikt (bijvoorbeeld: Agnostic, Catholic, Mulim, Taoist). Religious self-disclosure verwijst naar de mate waarin iemand zich elders in het MySpace profiel religieus profileert. In het onderzoek wordt dit gemeten door te kijken naar het aantal keer dat iemand zichzelf profileert met religieuze of spirituele inhouden, graphics of symbolen. Voorbeelden daarvan zijn “I worship the Lord daily”, “Moses is my hero” of het gebruik van een crucifix etc.

Hieronder vat ik de belangrijkste resultaten van het onderzoek samen.

–         Slechts 30% van de onderzoeksdeelnemers die een label in het ‘Religion’ veld hebben gekozen laat elders in het MySpace profiel iets over zijn of haar religiositeit naar voren komen.

–         Naar mate deelnemers meer religieus zijn, is er vaker sprake van religieuze identificatie op MySpace en meer sprake van religieuze profilering (self-disclosure) edlers in het MySpace profiel.

–         Evangelical Protestants profileren zich sterker op religieus gebied (self-disclosure) in MySpace profielen dan mainstream protestants, katholieken en zij die zich niet verbonden voelen met een specifieke religieuze stroming.

–         Of religie door iemand wordt beschouwd als thuishorend in het privé domein of ook in het publieke domein hangt samen met respectievelijk minder en meer religieuze identificatie en profilering in MySpace. Bovendien: voor diegenen die vinden dat religie in het privé domein thuishoort is het verband tussen hoe religieus iemand is en de mate van religieuze profilering in het MySpace profiel zwakker dan voor diegenen die vinden dat religie ook in het publieke domein thuishoort

–         Voor diegenen die georganiseerde religie positiever waarderen geldt dat het verband tussen hoe religieus iemand is en de mate van religieuze identificatie en profilering in MySpace sterker is dan voor diegenen die georganiseerde religie negatiever waarderen.

–         Aanwezigheid van religieuze vrienden in de vriendengroep van een MySpace deelnemer hangt samen met een hogere mate van religieuze identificatie en profilering. Afwezigheid van religieuze vrienden hangt samen met mindere mate van religieuze identificatie en profilering in MySpace profielen.

Op basis van deze resultaten trekken Bobkowski en Pearce een aantal conclusies en werpen een aantal vragen op. Zoals gezegd: deze conclusies en vragen zijn mijns inziens ook relevant om te betrekken in het debat over kerk en social media dat in de Nederlandse context wordt gevoerd.

1. Slechts 30% van de onderzoeksdeelnemers die een label in het ‘Religion’ veld hebben gekozen laat elders in het MySpace profiel iets over zijn of haar religiositeit naar voren komen. Op basis van de onderzoeksgegevens kan gezegd worden dat het hier gaat om een groep die sterk religieus betrokken zijn, die religie als een publieke zaak zien en positief aankijken tegen georganiseerde religie.

2. Evangelical Protestants profileren zich sterker op religieus gebied (self-disclosure) in MySpace profielen dan mainstream protestants, katholieken en zij die zich niet verbonden voelen met een specifieke religieuze stroming. Een interessante vraag is waar dat precies aan ligt. De twee onderzoekers geven twee aanwijzingen voor een antwoord. Mogelijk zijn evangelical protestants sterker dan andere religieuze stromingen gericht op publieke evangelisatie. Een andere verklaring kan zijn dat de evangelical protestants in de U.S. een relatief grote groep vormen waardoor er minder schaamte zal zijn om jezelf daarmee publiek te identificeren. Duidelijk is dat voor een adequaat antwoord verder onderzoek nodig is.

3. Twee aan religie gerelateerde attitudes blijken positief samen te hangen met de mate van religieuze profilering in MySpace: (a) de opvatting dat religie niet alleen een privé zaak is maar ook een zaak voor het publieke domein, en (b) een positieve houding ten aanzien van georganiseerde religie. De onderzoekers concluderen dan ook: “… it is not always religiosity itself that is directly associated with religious self-disclosure, but religiosity in someone who sees value in religion being public and has positive perceptions of organized religion”.

4. Deze derde conclusie betekent vervolgens ook iets voor de weging van het publieke discourse over religie dat op social media plaatsvindt. De opvattingen en ideeën van religieuze individuen die hun religiositeit toch meer een privé zaak vinden of die wat minder op hebben met georganiseerde religie zullen op social media mogelijk minder sterk voor het voetlicht komen. De vraag is hier natuurlijk of dat daadwerkelijk zo is. Ook hiervoor zou verder onderzoek nodig zijn.

5. Onafhankelijk van hoe sterk religieus iemand is, het hebben van nabije vrienden die religieus zijn leidt sneller tot religieuze identificatie en profilering op MySpace. Gegeven het feit dat het grootste deel van de online vriendengroep bestaat uit offline vrienden lijkt hier een vorm van sociale druk een rol te spelen. Of op zijn minst lijkt er een mechanisme te zijn dat social media deelnemers in hun religieuze profilering proberen te voldoen aan de verwachtingen van online en offline vrienden. Men houdt elkaar zogezegd in de gaten. Een interessante vraag is of dit mechanisme inderdaad een grote rol speelt, temeer omdat de veronderstelling vaak is dat social media maximaal kansen biedt om je eigen identiteit zelf vorm te geven.

 

Naar aanleiding van:

Bobkowski, P.S., & Pearce, L.D. (2011). Baring their souls in online profiles or not? Religious self-disclosure in social media. Journal for the Scientific Study of Religion, 50(4), 744-762.

Hoe gekwetter van gepeupel godsgeschenk wordt

Wij moeten niet teveel waarde hechten aan het gekwetter van het gepeupel, laat staan dat we daar de stem van God in zouden beluisteren. Dat is in het kort de visie op Twitter van Frank van der Duyn Schouten die hij onlangs deelde in een column in de Waarheidsvriend

De column deed mij direct denken aan een inzicht gevend artikel uit 2008 over `religieuze` veranderingen in conservatieve kerkelijke gemeenten op de Bible belt van Noorwegen. P. Repstad, de auteur van het artikel, gaf het de titel: From sin to a gift of God.[1]

Conclusie van Repstad: Religieuze veranderingen, bijvoorbeeld een veranderde opvatting over homoseksualiteit in de christelijke gemeente of een andere waardering voor rockmuziek als religieuze muziekstijl, ontstaan niet door veranderde theologische inzichten maar door toenemende ontmoetingen met mensen die er een andere opvatting op nahouden. Pas achteraf worden veranderde opvattingen theologisch gelegitimeerd.

From sin to a gift of God baseert zich op verschillende onderzoeken onder leden en betrokkenen van conservatieve kerkelijke gemeenten in Agder, een gebied in het zuiden van Noorwegen dat als de Bible belt van dat land kan worden aangemerkt. Deze Bible belt en de religieuze veranderingen die daar in de afgelopen decennia zijn waar te nemen zijn gesitueerd in een pluralistische en seculariserende samenlevingscontext. Onder invloed van die omgeving blijken christenen meer liberaal geworden in dogmatische en morele kwesties.

Het proces van deze verandering komt volgens Repstad in de kern op het volgende neer: eerst is er een opvatting die door de heersende dogma´s of moraal wordt bestreden. Vervolgens treedt er een verandering in werking waarbij deze afwijkende opvatting verdedigd wordt vanuit een ´hoger doel´ bijvoorbeeld een evangelisatorisch oogmerk. Tot slot, als de nieuwe opvatting enigszins is ´gesetteld´ en minder controversieel is geworden, wordt deze gelegitimeerd als een doel in zichzelf.

De titel van het artikel verwoordt treffend deze ontwikkelingsgang: From Sin to a Gift of God. Deelname aan sport in clubverband is daar een illustratie van. In de periode net na de Tweede Wereldoorlog was deelname aan sport (in clubverband) voor christenen in Agder uit den boze. In de jaren zestig werden echter steeds meer jonge christenen lid van sportclubs. Zij en hun ouders verantwoordden dit met de stelling dat je in die context een getuige kon zijn van het Evangelie onder niet-christelijke vrienden. Vanaf de jaren tachtig werd lidmaatschap van sportclubs meer en meer als een doel in zichzelf gezien: God heeft tenslotte middelen gegeven om je gezondheid in dit leven te onderhouden.

De visie van Van der Duyn Schouten op het gekwetter van het gepeupel kan duiden op een eerste fase in een religieuze verandering. Het fenomeen Twitter stuit bij hem op weerstand. Aan de basis van die weerstand ligt de opvatting dat het in het (kerkelijk) leven om serieuze gedachtewisselingen moet gaan, dat alleen aan serieuze gedachtewisselingen waarde toegekend moet worden en dat precies deze gedachtewisselingen nauwelijks aangetroffen worden onder het gepeupel op Twitter, laat staan dat God zich daarin  zou laten zien.

Overigens: niet door Van der Duyn Schouten maar wel door veel andere sceptici benoemd  is de opvatting dat het in het (kerkelijke) leven om ´echte´ diepe relaties moet gaan; onder het gepeupel op Twitter is echter alleen sprake van digitale, oppervlakkige relaties. Niet serieus nemen dus.

Stel dat Van der Duyn Schouten inderdaad woorden geeft aan een ontluikende religieuze verandering, hoe zien dan de volgende fasen eruit?  Nu zegt hij nog: “Zelfs kerkelijk werkers zien mogelijkheden via een twitteraccount op alternatieve wijze met kerkvolk en buitenkerkelijken het gesprek aan te gaan”. Let hierbij op de woorden ‘zelfs’ en ‘alternatieve’. Fase 2 zou volgens het schema van Repstad zijn dat het getwitter van deze ‘alternatievelingen’ wordt verdedigd vanuit een ´hoger doel´, een evangelisatorisch oogmerk bijvoorbeeld.

Dat evangelisatorische karakter hoor je maar al te vaak in discussies over social media en de kerk. Social media worden als kans voor de kerk gezien om contacten te bevorderen tussen christenen en niet christenen. Bovendien kun je als representant van een kerk kanten van jezelf laten zien die anders onzichtbaar zouden blijven: de twitterende dominee blijkt zomaar een gewoon mens te zijn met leuke hobbies en spannende opvattingen. Zo wordt de twitterende alternatieveling een pionier die Twitter als evangelisatiekanaal inzet voor de christelijke gemeenschap.

Fase drie volgens Repstad is dat Twitter geen controversieel onderwerp meer is en dat twitteren (theologisch) gelegitimeerd wordt als een doel in zichzelf. En ook deze visie is te herkennen in discussies over social media en de kerk. Een kerk is een gemeenschap die ten principale open is voor insiders, outsiders, zoekers, passanten en wie dan ook. Een kerk is een bonte verzameling mensen die als mens zélf boodschap zijn. Twitter is dan geen middel om een boodschap te verkondigen maar om als mens, als gelovig mens present te zijn in de gemeenschap. Ook in social media kun je de stem van God op het spoor komen.

In deze derde fase is Twitter een godsgeschenk geworden. Daarin is het gekwetter van het gepeupel een geschenk dat serieus genomen wordt.

Ik geloof niet dat religieuze veranderingen noodzakelijkerwijs volgens deze drie fasen verlopen. Maar ze weerspiegelen op zijn minst drie posities ten aanzien van de relatie tussen social media en de kerk.

Waarom heb ik dit hele verhaal opgeschreven? Omdat ik me zo thuis voel onder het gepeupel en het gekwetter. Daarom. Maar je hoeft dat niet serieus te nemen natuurlijk.


[1] Repstad, P. (2008). From sin to a gift of God: constructions of change in conservative Christian Organizations. Journal of Contemporary Religion, 23(1), 17-31.