Working group “Children and Youth”

Glad to announce:

This month I started the Working Group “Children & Youth” within the International Academy of Practical Theology:

Working Group “Children & Youth” –  The IAPT working group of practical theological research on faith practices with children and youth

Contact: Jos de Kock 

Important part of the study of and critical reflection on practical theological thought and action is how practical theologians (scholars and practitioners alike) and religious practices of all sorts are dealing with what might be called the issue of “the next generation”. The working group “Children & Youth” is a group in which the issue of “the next generation” is addressed, directed towards international, interracial, and ecumenical dialogue and understanding.

AIM

The aim of the working group is

  • To share and discuss results of current practical theological studies in the field of faith practices with children and youth;
  • To serve scholarship in the broad field of children, youth, faith, theology and culture.
  • To interconnect the networks and resources of the discipline of religious education, the discipline of youth ministry and children’s ministry, the
  • discipline of children’s spirituality and the discipline of child and youth theology.

TASKS

  • To organize (in close cooperation with the planning committee) of a thematic papers session and/or a round table session during each IAPT conference in which the conference main theme is applied to the field of children & youth;
  • To stimulate expert/collegial meetings in between the IAPT conferences, for example during conferences of other international associations and networks;
  • To stimulate international co-authored practical theological publications in the field of faith practices with children and youth.
    All members of the IAPT are invited to join this working group and/or to share their ideas in order to achieve our aim.

(Executive Committee Liaison: Annemie Dillen)

Three new publications: Ritual, Apprenticeship & Youth Ministry research

I would like to share with you the publication of the following three research articles that might be interesting for some of you. These articles are for an important part product of reflections within our IASYM community in the past years and are (to be) published in high ranked journals. I am really happy with that. The first one on ritual, worship and learning (together with Ronelle Sonnenberg) has just been published in Studia Liturgica. The second one on apprenticeship learning is to be published in the coming months in Religious Education, where the third one which is a reflection on the empirical as starting point for youth ministry research (together with Bård Eirik Hallesby Norheim) is to be published later this year in International Journal of Practical Theology.
– De Kock, A., & Sonnenberg, P.M. (2016). Ritual links worship and learning. An empirical and theoretical contribution from the perspective of young people participating in the Lord’s Supper. Studia Liturgica, 46(1-2), 68-84
– De Kock, A. (2017). Challenges to apprenticeship learning in religious education: narrow use of the apprenticeship model and current developments in youth ministry. Accepted for publication in Religious Education.
– De Kock, A., & Norheim, B.E.H. (2017). Youth ministry research and the empirical. Accepted for publication in International Journal of Practical Theology.

 

 

Meer onderzoek naar catechesepraktijken wenselijk


Onderstaande tekst is ook gepubliceerd in De Waarheidsvriend van 22 januari 2016 (nummer 3, 2016):
http://dewaarheidsvriend.nl/artikelen/ontwikkelingen-in-de-catechese 

Steeds meer zeggen catecheten dat ze niet met slechts één catechesemethode uit de voeten kunnen. Vaak wordt het nut van een methode bevraagd. Op een bepaalde manier is dit een goede ontwikkeling. Daarmee komt meer dan ooit de vraag op catecheten zelf af: wat beoog ik met de catechese?
Het is de vraag die professionals in de catechese, dus predikanten opgeleide kerkelijk werkers en jongerenwerkers, zichzelf nadrukkelijk moeten stellen. Deze bijdrage richt zich vooral op de ‘professionals’, op hen die in de gemeente aangesteld en werkzaam zijn als catecheet. Wat natuurlijk onverlet laat dat veel goede catechesepraktijken ondenkbaar zijn zonder de inzet van vrijwilligers uit de gemeente.

Methode
Een catechesemethode op zichzelf is heel nuttig. In de eerste plaats biedt een methode een belangrijk houvast: het reikt een logische opbouw van een programma per jaar, en over verschillende jaren heen aan. In de tweede plaats biedt een methode het materiaal, de verwerkingsopdrachten en ideeën aan, waar je als catecheet anders maar moeilijk en met te veel inspanning op zou komen. In de derde plaats geeft een methode continuïteit in het geval dat er een (af)wisseling van catecheten optreedt En zo zijn er nog wel een aantal andere punten te noemen.
Een catechesemethode biedt dus houvast bij het geven van catechese. Het is alleen al daarom goed om te blijven investeren in goede methoden. Het is echter niet voldoende slechts een catechesemethode als uitgangspunt te nemen voor het nadenken over en ontwerpen van catechesepraktijken. De kans is groot dat de catecheet zelf en wat uiteindelijk beoogd wordt, buiten beeld raken in de catechese.
Wat is het doel van de catechese? Dit blijkt steeds weer de meest prikkelende en tegelijk leerzame vraag te zijn tijdens de colleges of nascholing over catechese. Deze vraag is ook een goed startpunt voor het vormgeven van catechesepraktijken. Het voorkomt dat het doel met het oog op catechisanten, uit beeld raakt bij het volgen van een vaststaand programma. In plaats van het programma, komt wat je beoogt in de godsdienstige ontwikkeling van jongeren meer centraal te staan.
De catechese, die in de praktijk veelal jongerencatechese is, staat niet los van de gemeente maar hoort een plaats te krijgen in het geheel van de christelijke gemeente als lerende gemeenschap. Het geloofsleren laat zich niet opsluiten in een programma en een wekelijks uur catechese maar voltrekt zich te midden van de geloofsgemeenschap en het leven van alledag.

Maatwerk
De vraag naar wat beoogd wordt, maakt ook het gesprek los over de inspiratie in de catechese: ‘Welke Bijbelse lijnen, Bijbelse personages of passages zijn voor mij en voor mijn collega’s inspirerend of richtinggevend voor het ontwerpen en verzorgen van catechese? En hoe zorg ik ervoor dat ik daarin niet afgeleid word door uitgangspunten van een methode die de mijne niet zijn? De ervaring van de beperktheid van methodes, hoeveel houvast ze ook geven, heeft alles te maken met ontwikkelingen in lokale kerken die enorm divers en ongelijktijdig zijn. Er wordt veel gevraagd van de individuele catecheet. Hij wordt veelal geacht maatwerk te leveren op een specifieke plaats en in een specifieke context. Naast een goede methodeontwikkeling is vooral de ontwikkeling van goede catecheten van belang. Dit geldt niet alleen voor de opleiding van predikanten, maar ook voor de toerusting van vrijwilligers, jongerenwerkers en voor de permanente educatie van predikanten en kerkelijk werkers.
De voortdurende ontwikkeling van catechese en catecheten is gediend met goed onderzoek en onderwijs op het gebied van de catechese. In De Waarheidsvriend 2015, nummer 39 is inzichtelijk gemaakt hoe het onderwijsprogramma van de Protestantse Theologische Universiteit daarin voorziet (zie ook het kader onderaan dit artikel). En wat gebeurt er op het gebied van onderzoek?

Onderzoek
De afgelopen jaren heb ik samen met collega’s intensief gewerkt aan een godsdienstpedagogisch kader voor het ontwerpen en onderzoeken van catechesepraktijken. Over dat kader is internationaal gepubliceerd. Het bevat een doordenking van doelen van catechese, rollen van catecheten en catechisanten, de verhouding van catechese tot de lerende gemeente en de geloofsopvoeding door ouders, en de verhouding tot de godsdienstige vorming in andere contexten zoals de school en het (digitale) leven van alledag.
Voor het ontwikkelen van dit godsdienstpedagogisch kader wordt empirisch onderzoek gedaan. Zo wordt op dit moment een promotieonderzoek verricht waarin een onderzoeksinstrument is ontwikkeld waarmee inzichtelijk kan worden gemaakt wat de verbanden zijn tussen enerzijds de wijze waarop catechese wordt vormgegeven en anderzijds wat catechisanten ervan leren. Dit is een unieke bijdrage aan het (internationale) onderzoek naar catechesepraktijken.
De ambitie is om voor de toekomst het onderzoek te verdiepen en uit te breiden. Zowel binnen de Nederlandse context als in internationaal perspectief. We kunnen inmiddels de stap zetten naar meer empirische onderzoek omtrent catechesepraktijken. Zo ontstaat er meer inzicht in het optimaliseren van de begeleiding van geloofsleren.
Dit is belangrijk voor de scholing en ondersteuning van catecheten maar ook nodig als input voor goede methodeontwikkeling. Verder draagt dit onderzoek bij aan de bezinning op catechese in kerk en opleiding. De essentiële vragen die terugkeren zijn: Wat en hoe en waartoe dient er geleerd te worden in de christelijke gemeente van nu. Bij elke verandering worden die vragen weer actueel. Zo besprak ik onlangs met studenten bijvoorbeeld de godsdienstpedagogische consequenties van de nota Kerk2025. Wat betekent het adagium ‘back to the basics’ uit de nota voor het vormgeven aan geloofsleren? En hoe kan bijvoorbeeld het ideaal van inwijding in de geloofsgemeenschap functioneren in leerprocessen binnen nieuwe vormen van geloofsgemeenschappen vergeleken met meer klassieke kerkgemeenschappen?

Wereldwijd
Onderzoek moet nooit op zichzelf staan. In samenwerking met jeugdorganisaties, klankbordgroepen, en andere netwerken rond catechese, moeten in het onderzoek de juiste vragen geagendeerd worden en resultaten vruchtbaar worden gemaakt. Een aantal jaren geleden verscheen ons boek Altijd Leerling: basisboek catechese. Dit boek vraagt bijvoorbeeld ook om een grondige update en een andere vorm, dan een boek om inzichten te delen.
In het nadenken over catechese in Nederland is het goed dat er verbondenheid is met het internationale discours over catechese en geloofsleren. De kerk in de westerse wereld krimpt. De zichtbaarheid van en verbondenheid met de wereldwijde kerk neemt toe. Bij de bestudering van catechesepraktijken is een internationaal perspectief geboden en leerzaam. Dat is een belangrijke drijfveer voor mij om te participeren in het wereldwijde academische netwerk rond jongerenwerk en catechese.
Er is veel in beweging in de catechese. Diverse professionals, netwerken en organisaties werken met elkaar aan verbetering en vernieuwing van de praktijk van catechese. Meer structureel (academisch) onderzoek naar catechesepraktijken is wenselijk. Dit kan samengaan met de academische vorming van toekomstige predikanten en kerkelijk werkers en de toerusting van zowel professionals als vrijwilligers die zich willen specialiseren in deze thematiek. En de ultieme vraag die daarbij als een refrein steeds terugkeert is: Wat beoog ik eigenlijk met de catechese?

Dr. A. de Kock is godsdienstpedagoog en als Universitair Docent Praktische Theologie (Educatie & Catechetiek) werkzaam aan de Protestantse Theologische Universiteit. Hij is bovendien vaste gastdocent catechetiek in de bacheloropleiding van de TU Kampen.

 

============================================================

PThU – onderwijs op het gebied van de catechese

Voor predikanten is het van wezenlijk belang om voldoende oog te hebben voor de godsdienstpedagogische en pedagogisch-didactische dimensies van de catechese. Aan de PThU schenk ik hier in een aantal modules dan ook aandacht aan.
In het master onderwijs in zowel Amsterdam als Groningen verzorg ik de module Leren Geloven. Studenten werken in deze module aan hun didactische én godsdienstpedagogische bekwaamheid. Het verzorgen van catechese is een van de belangrijke aandachtsvelden, zowel in colleges als in de stageactiviteiten.
Daarnaast verzorg ik in de masteropleiding de specialisatiecursus Worship & Formation: studenten worden uitgedaagd de wisselwerking tussen liturgie, vieren en leren te onderzoeken. Ook hierin komen implicaties voor de catechese aan de orde.
In het eerste jaar van het masteronderwijs in Amsterdam bieden we studenten bovendien een basiscursus didactiek.
In de joint bachelor Theologie in Amsterdam verzorg ik samen met collega’s onderwijs in de Praktische Theologie. In die modules worden studenten onder andere ingeleid in de discipline van de godsdienstpedagogiek en in dat kader zijn vormen van catechese al onderwerp van reflectie.
In het kader van de Permanente Educatie verzorg ik de module Leren: leuk en pijnlijk tegelijk: een hele praktische nascholing waarin predikanten zich (didactisch) verder kunnen bekwamen in de eigen catechesepraktijken. Daarnaast participeer ik als PThU docent in de nascholingscursus van Driestar educatief De predikant als leraar.

============================================================

Laat aandacht voor inwijding niet verslappen

Afbeelding1Deze tekst verscheen als opiniebijdrage in het Nederlands Dagblad van 30 september 2015 en is geschreven naar aanleiding van het publiekscollege dat ik op 30 september hield in de serie colleges ‘Jong en Geloven’ georganiseerd door AKZ+ in samenwerking met Innov8, PraktijkCentrum en Onderzoekscentrum voor Jeugd, Kerk en Cultuur.

Kerken moeten de aandacht voor inwijding in de geloofsgemeenschap niet laten verslappen. Anders heft de kerk zichzelf op, langzaam maar zeker.

In het internationale debat over christelijk jeugdwerk is het een zorg die meer dan eens naar voren wordt gebracht: ‘Er is nog maar weinig aandacht voor de inwijding van een nieuwe generatie in de geloofsgemeenschap’. Ik deel die zorg. Die zorg betreft niet per se alle praktijken van jeugdwerk in Nederland, want er is veel diversiteit; mijn zorg betreft een algemene tendens die ik in kerken en jeugdwerk bespeur.

Met inwijding bedoel ik dat kinderen en jongeren deelgenoot worden gemaakt van het evangelie én deelgenoot van een geloofsgemeenschap die dat evangelie bewaart en doorgeeft. Die geloofsgemeenschap is een voortdurende ontmoeting van mensen rond de verkondiging van het Woord, in praktijken van gebeden, sacramenten, onderling dienstbetoon en dienstbaarheid aan de wereld om haar heen. Inwijding in de geloofsgemeenschap gaat dus verder dan met kinderen en jongeren van gedachten wisselen over God en geloven. Jeugdwerk in de kerk beoogt dan ook niet alleen dat jongeren persoonlijk betrokken raken op het geloof, maar ook dat zij zich verbinden aan een geloofsgemeenschap van waaruit zij op hun beurt weer gestalte geven aan de inwijding van een volgende generatie.

vitale bron
Op verschillende manieren wordt het verslappen van aandacht voor inwijding in kerken en kerkelijk jeugdwerk naar voren gebracht. Er zijn auteurs die beweren dat modern jongerenwerk totaal is vergeten om de geloofsgemeenschap, als vitale bron voor geloven, aan te bieden aan jongeren. Andere auteurs wijzen vooral op het gebrek aan gemeenschap in de kerk en een sterke gerichtheid op individuele navolging van Christus. Zelf constateerde ik onlangs in gesprek met iemand dat het soms als vloeken in de kerk wordt ervaren als je uitspreekt dat je jongeren wil binden aan de lokale gemeente. Het gaat er toch vooral om dat je het contact niet met ze verliest, dan mag je al heel tevreden zijn.

Een aantal ontwikkelingen dragen bij aan het verslappen van aandacht voor inwijding in jeugdwerk in kerken. Deze ontwikkelingen op zichzelf zijn overigens in het geheel niet zorgelijk wat mij betreft. De combinatie ervan vraagt echter wel om een extra inspanning van kerken om aan inwijding van een nieuwe generatie gestalte te geven.

vastzitten
Een eerste ontwikkeling die je ziet, is dat wordt ingezet op vloeibare gemeenschappen rond jongeren, in plaats van op samenzijn in meer institutionele kerkstructuren. Jongeren hebben nog steeds behoefte aan gemeenschap, maar willen er niet voor altijd aan vast zitten en deze gemeenschappen komen op en gaan weer. Door in het jeugdwerk sterker deze tijdelijke groepen en tijdelijke activiteiten te ondersteunen, verschuift het accent van kerkopbouw naar jongerenopbouw. Het gaat mij er niet om dat er te kiezen zou zijn vóór het ene accent en tegen het andere. Punt is dat met deze accentverschuiving het inwijdingsideaal onder druk kan komen te staan.

ouders
Een tweede ontwikkeling is het in toenemende mate inzetten op ouders als primair verantwoordelijken voor het geloofsonderricht in de kerk en het jeugdwerk. Niet de gespecialiseerde jongerenwerker of catecheet, maar vader en moeder dienen in de gemeente het voortouw te nemen. Ouders worden de nieuwe jeugdwerkers zogezegd. En predikanten en jeugdleiders zullen de aandacht moeten verdelen over enerzijds het direct werken met kinderen en jongeren en anderzijds de toerusting van ouders in de geloofsopvoeding. Het is echter de vraag of het ideaal van inwijding vanzelfsprekend hoog gehouden wordt door alle ouders. Veel ouders zijn zich zelf al losser gaan opstellen ten opzichte van de eigen kerk als geloofsgemeenschap. Veel ouders vinden het, begrijpelijk, al heel wat als er met hun kinderen en jongeren over het evangelie van gedachten gewisseld wordt. En wat te denken van de groep ouders die zelf het geloven vaarwel aan het zeggen zijn? Kortom: ook hier zou inwijding om begrijpelijke redenen zomaar buiten het vizier kunnen raken.

missionaire praktijk
Een derde ontwikkeling is de toegenomen aandacht voor missionaire dienstbaarheid in het kerkelijk jeugdwerk. In het missionaire jongerenwerk wordt dikwijls niet een inwijding in een bestaande geloofsgemeenschap beoogd, wel het delen of belichamen van het evangelie temidden van allerlei levensvragen en -ervaringen van individuele jongeren. Ook hier geldt: binding aan een bestaande geloofsgemeenschap bevindt zich veelal buiten het vizier. Wel ontstaan in de missionaire praktijk meer dan eens nieuwe vormen van geloofsgemeenschap buiten bestaande kerkstructuren om. Maar ook hier is de vraag in hoeverre inwijding van weer een volgende generatie tot het DNA van die nieuwe, soms tijdelijke, gemeenschappen zal behoren.

Wil de aandacht voor inwijding van kinderen en jongeren niet verslappen, dan zullen kerken meer dan ooit een extra inspanning moeten leveren. Ik pleit voor een breed gesprek in Nederland van jongerenwerkers en leidinggevenden in kerken rond de vraag hoe inwijding van een nieuwe generatie op de agenda blijft van geloofsgemeenschappen. Er is geen ‘one size fits all-recept’. Dat is zeker. Wel een paar ingrediënten: een voortdurende ontmoeting van jongeren rond de verkondiging van het Woord, in praktijken van gebeden, sacramenten, onderling dienstbetoon en dienstbaarheid aan de wereld om hen heen.

dr. A. (Jos) de Kock is godsdienstpedagoog en als universitair docent verbonden aan de Protestantse Theologische Universiteit en het ­Onderzoekscentrum voor Jeugd, Kerk en Cultuur

Kerkgebouwen en jongerenwerkers: antwoord op de crisis?

Een aantal maanden terug kwam de nota “kerk naar 2025: een verkenning” uit die werd besproken in de afgelopen PKN synodevergadering van 23/24 april 2015). In deze nota wordt (slechts) viermaal expliciet gesproken over kinderen en jongeren:

– Het is voor veel tijdgenoten niet gemakkelijk zich bij bestaande gemeenschappen te voegen. “Dat geldt vaak ook voor de eigen kinderen. Zij ervaren drempels waar ze niet zomaar overheen komen.” (p. 11)
– “Hoe dragen we het geloof over aan elkaar en onze kinderen, en hoe wijden we hen in de wereld van de christelijke traditie in? Juist in de geloofsoverdracht is veelal sprake van een crisis, en daarom staan we voor de uitdaging hier op eigentijdse wijze inhoud aan te geven. “ (p. 11)
– “Ze [ambtsdragers, AK] kunnen echter ook hun speerpunt maken in missionair werk of werk onder jongeren.” (p. 13)
– “Kerkleden, vooral jongeren, identificeren zich minder of helemaal niet met een georganiseerd kerkgenootschap.” (p. 13)

Het beeld dat naar voren komt is: de volwassen generaties weten niet meer hoe het geloof overgedragen moet worden en hoe een nieuwe generatie in te wijden is in de christelijke traditie. Bovendien werkt die nieuwe generatie bepaald niet mee: die identificeert zich minder of in het geheel niet met een georganiseerd kerkgenootschap en kan maar moeilijk drempels overstappen om zich bij bestaande geloofsgemeenschappen te voegen.

Iets van dat niet willen of kunnen voegen in bestaande geloofsgemeenschappen zien we ook terug in het essay “de predikant-2025 – apostel en non-conformist”dat collega Bert de Leede heeft geschreven ter gelegenheid van zijn afscheid van de Protestantse Theologische Universiteit. De Leede stelt zich in het essay de volgende vragen: In welk maatschappelijk, cultureel en religieus krachtenveld vervult de predikant anno 2025 in de kerk en in de samenleving van 2025 ambt en beroep? Wat moet hij/zij daartoe kennen, kunnen en aankunnen? En hoe leiden wij daartoe op? Ook voor dit document geldt dat viermaal expliciet gesproken wordt over kinderen en jongeren:

– “Mijn zondagmiddag eindigt in Amsterdam, op familiebezoek, langs de oever van de Amstel. Ik zie veel ‘jong’ passeren, op hippe (bak-)fietsen. Veel is blank, welvarend, jong en stemt vermoedelijk D66.” (p. 5)
– Ten aanzien van kerken en gemeenten op de Bible Belt: “De ‘brede rand van ‘hervormde volksreligiositeit’ – onze Nederlandse variant van ‘vier-wielen-christendom’ – valt bij de (klein-) kinderen van ontkerkelijkte leden weg.” (p. 8)
– Ten aanzien van wat christelijk leven in de stad nodig heeft: “Concentratie op de oude kathedrale kerken én op (ook nu!) nieuwe kerkgebouwen met uitstraling (…) plaatsen van ‘oefening en inwijding in christelijk leven’, voor kinderen en jongeren, (…) (p. 9)
– Punt 6 van de gevolgtrekkingen “6. De verantwoordelijkheid voor de uitvoering van alle werk, voor zover betaald, berust bij een team van ambtelijk gezondenen: Predikanten (WO en HBO opgeleid), kerkelijk werkers, jongerenwerkers, pioniers, diaconaal werkenden, etc. Daarbij wordt inhoudelijk gedacht vanuit een differentiatie in verschillende bedieningen, toevertrouwd aan daartoe opgeleiden en gekwalificeerden (prediking, voorgaan in de liturgie van Woord en Sacrament, geloofsonderricht, pastoraat, representatie in het publieke domein, geestelijke begeleiding, missionair werk, jongerenwerk)”

Kinderen en jongeren voegen zich dus niet zomaar meer in voksrelgiositeit, in bestaande geloofsgemeenschappen met een jarenlange traditie. De kerk ziet vooral veel jong passeren.

Zowel de nota Kerk naar 2025 als het essay van collega De Leede wijzen in het licht van deze analyse op een belangrijk speerpunt voor kerk en opleiding: er zijn ambtsdragers of ambtelijk gezonden jongerenwerkers nodig. Volgens De Leede is dat zelfs een aparte bediening waartoe je wordt opgeleid en gekwalificeerd.
Een tweede speerpunt wordt door De Leede gezocht in kerkgebouwen (oude en nieuwe) waar kinderen en jongeren zich kunnen oefenen in christelijk leven, waar zij zogezegd worden ‘ingewijd’.

Als er, zoals de nota Kerk naar 2025 stelt, een crisis is als het om de voortgang van geloven gaat, is een pleidooi voor kerkgebouwen of andere plekken waar ingewijd kan worden en het aan het werk zetten van jongerenwerkers dan voldoende? Wat moet er in die kerkgebouwen of op andere plekken gebeuren? Waarom zouden kinderen en jongeren daar komen? En wat moeten jongerenwerkers eigenlijk doen? En wat verandert een ambtelijke zending aan wat ze nu al doen? Waar zijn de ouders en grootouders in dit verhaal? En andere leden van de gemeente? En als die er niet zijn? En waar moeten kinderen eigenlijk in ingewijd worden? En moet dat eigenlijk wel?

Een verdere godsdienstpedagogische reflectie is mijns inziens op zijn plaats. Eerder wees ik daar al op onder de titel “in elke monnik, missionaris en leider schuilt een opvoeder”. Het is opmerkelijk dat deze, wat ik noem, godsdienstpedagogische perspectieven maar mondjesmaat betrokken worden in discussies over wat dan heet ‘de toekomst van de kerk’.

Dat mag wel wat scheutiger.

Waarom is intergeneratief leren zo belangrijk?

opstapmetoma

afbeelding met als titel ‘op stap met oma’ afkomstig van http://www.pg-alkmaar.nl

Deze maand verschijnt een special van ‘Generator’ over intergeneratief jeugdwerk. Generator is het vakblad van de HGJB voor iedereen die in de kerkelijke gemeente met of voor jongeren werkt. Hier is een preview van de special te zien. Onderdeel van intergeneratief jeugdwerk is intergeneratief leren: geloofsleren dat ontstaat door ontmoetingen tussen verschillende generaties: bijvoorbeeld tussen kinderen en hun opa’s en oma’s, of tussen tieners en twintigers. Maar waarom is dit intergeneratief leren eigenlijk belangrijk?

Er zijn verschillende manieren waarop je iets kunt leren. Een van de meest voorkomende manieren is het leren dat ontstaat in het leven van alledag: iets uitproberen, door ontmoetingen met andere mensen, of door samen met anderen dingen te ondernemen. Dat geldt ook voor geloofsleren. Veel van wat we geloofsleren noemen ontstaat doordat christenen het leven met elkaar delen: thuis, in de kerk of in de straat. Je kijkt dingen van elkaar af, je vraagt elkaars mening, je helpt elkaar. In het leven van alledag zijn vaak verschillende generaties tegelijk betrokken. En precies dat maakt het leven van alledag ook zo leerzaam: elke generatie heeft zijn eigen, creatieve, inbreng in het leerproces. En daarom is het belangrijk om ook in de christelijke gemeente die creativiteit te benutten: dat begint door het leven daadwerkelijk met elkaar te delen, met verschillende generaties tegelijk.

Je kunt het natuurlijk ook omdraaien. Het jeugdwerk in de christelijke gemeente beoogt juist het samen leven als geloofsgemeenschap. Ontmoetingen tussen verschillende generaties zijn dan niet zozeer het middel om jongeren tot geloofsleren te brengen. Jeugdwerk en het geloofsleren daarbinnen is juist een belangrijk middel om het werkelijk samen leven in de christelijke gemeente mogelijk te maken. Zo bezien dient jeugdwerk geen toevluchtsoord te zijn voor de jongste generatie in de kerk, maar een ontmoetingsplek waar die jongste generatie leert deel te nemen aan de geloofsgemeenschap van verschillende generaties.

Die ontmoetingsplek is tegelijkertijd een plek waar volwassen generaties leren van de jongste generatie in de kerk. Intergeneratief leren is wederkerig leren. Jeugdwerk is niet alleen bedoeld om een nieuw cohort leden in te wijden in de status quo van de geloofsgemeenschap. Jeugdwerk is ook een plek waar kinderen en jongeren een soms kritische en meer dan eens creatieve bijdrage leveren aan de geloofsgemeenschap. Kinderen en jongeren vormen een belangrijke spiegel voor de gemeente: hoe geloofwaardig is de gemeente eigenlijk? Brengt zij wel in praktijk wat met de mond beleden wordt? Jeugdwerk is niet alleen een plek waar geloof wordt doorgegeven maar ook een plek waar geloof en de geloofspraktijk van de gemeente vernieuwd wordt: dat is de wederkerigheid die in intergeneratief leren ligt besloten.

Intergeneratief leren gaat ook de fragmentatie tegen waar veel gemeenten van te lijden hebben: elke doelgroep, lees leeftijdsgroep, zijn eigen aanpak, programma en activiteit. Natuurlijk is het zinvol om in de gemeente kinderen in de basisschoolleeftijd iets anders aan te bieden dan de groep veertigers, om maar wat te noemen. Maar het moet de onderlinge ontmoeting van beide groepen niet in de weg gaan staan. Als doelgroepenbeleid ten koste gaat van de intergenerationele ontmoeting schiet het zijn doel voorbij: namelijk het samen leven als geloofsgemeenschap in deze tijd. Als intergeneratief leren nieuw leven ingeblazen moet worden, dan zijn er mogelijkheden te over. Samen bijbelverhalen lezen. Samen een bijzondere viering in de kerk voorbereiden. Samen survivallen. Samen boodschappen doen. Het kan allemaal. Het leven van alledag is alles wat je nodig hebt.

God en geloof: begrijpen we er nog iets van?

Onderstaande tekst is een weergave van mijn bijdrage aan de CHE-werkconferentie “Grensoverschrijdend geloven”, gehouden op 13 november 2014 in Ede. Ter gelegenheid van de start van het lectoraat “Geloven in context” van de Academie Theologie aan de CHE.de sloot (2)

God en geloof in het leven van kinderen en jongeren: daar begrijpen we maar weinig van. Kerkmensen niet, en ook theologen niet. Dat komt door twee dingen: (1) Wij denken te veel, en dan vooral over de kerk of geloofsgemeenschap, en (2) we kijken te weinig, en dan vooral naar het leven: het leven van kinderen en jongeren. De belangrijkste kennisuitdaging die ik heb meegebracht is deze: Hoe zijn God en geloven in het leven van kinderen en jongeren te beschrijven en van daaruit óók te begrijpen?

Voor ons huis langs loopt een brede stoep, daarachter een plantsoen en daarachter een sloot. En daar weer achter scheidt een hek de sloot van de weg. Als onze kinderen een balletje trappen op de stoep, belandt de bal onherroepelijk een keer in de sloot. Soms banen zij zich een weg door het plantsoen om de bal aan déze zijde van de sloot uit het water te vissen. Niet zelden begeven zij zich naar de straatkant om gewapend met een bladhark de bal er aan gene zijde uit te vissen. Het volgende gebeurt maar zelden: De kinderen gaan in het plantsoen zitten en gaan met elkaar in gesprek over hoe mooi het zou zijn als de bal niet aan gene zijde van de sloot maar aan deze zijde van de sloot voorbij zou gaan; “het zou het beste voor die bal zijn, het is tenslotte zo’n mooi plantsoen; gene zijde van de sloot, dat kan nooit goed zijn voor een bal, zo vlak langs de weg.”

Wij denken (en praten) te veel over de kerk of de geloofsgemeenschap. Dat is als zitten in het plantsoen aan deze zijde van de sloot. Bijvoorbeeld: Methodes volschrijven over de rijke betekenis van de doop, terwijl aan gene zijde van de sloot kinderen en jongeren zich vertwijfeld afvragen of God eigenlijk wel bestaat.

We kijken te weinig naar het leven van kinderen en jongeren. Nu ja, we kijken nog wel op een afstandje naar gene zijde van de sloot.  Maar om daadwerkelijk wat te zien en te begrijpen van God en geloven in het leven van kinderen en jongeren zullen we moeten omlopen: gene zijde wordt dan deze zijde en we komen in de nabijheid van wat er daadwerkelijk gebeurt. We gaan dan echt zien en begrijpen.

Een jongerenwerker vertelt over een meisje die al het leed dat haar is overkomen niet kan rijmen met God: zij zegt niets te kunnen met het beeld van een toornende en straffende God. De jongerenwerker aan deze zijde van de sloot stelt zichzelf de vraag: hoe kan ik het Godsbeeld van dat meisje toch meer in balans brengen? De vraag aan gene zijde van de sloot is: wat leert de ervaring van dit meisje haar én mij over God en over geloven?

De belangrijkste kennisuitdaging ligt mijns inziens aan gene zijde van de sloot: Hoe zijn God en geloven in het leven van kinderen en jongeren te beschrijven en van daaruit óók te begrijpen? Dat betekent dat we theologie moeten bedrijven vanuit het goed waarnemen van kinderen en jongeren in hun levens, in hun praktijken. En goed waarnemen betekent ook goed luisteren.

Goed waarnemen is een belangrijke (te ontwikkelen) attitude en vaardigheid van de professionele theoloog en vormt de kern van het broodnodige empirisch, praktisch theologisch onderzoek dat aan academies theologie zou moeten plaatsvinden. Werkveld en academie hebben een gezamenlijke taak: een descriptief-empirische taak: we moeten leren goed waar te nemen en God en geloven te ontdekken in de werkelijkheid. God en geloof openbaren zich niet alleen in S/schrift, traditie of in ons denken. God en geloof openbaren zich ook in de empirie.

Hoe ervaren kinderen en jongeren God in het leven? Hoe denken zij over God, geloof, de kerk, het leven, de mens, de wereld, de Bijbel? Wat beleven zij aan vieringen, vormingspraktijken, pastorale praktijken, events en kerkvormen? Theologen doen er goed aan nabij de eigen interpretaties en constructies van kinderen en jongeren ten aanzien van geloven en God te komen. Zowel het theologiseren van kinderen en jongeren zélf, als de uitkomsten van praktisch theologisch praktijkonderzoek en academisch onderzoek voeden meer beschrijvingen, meer inzicht en meer begrip.

Goed waarnemen is de kiem van meer begrip; de vrucht zal moeten zijn het gestalte kunnen geven aan (nieuwe) geloofspraktijken, al dan niet vanuit bestaande kerkgemeenschappen voor een nieuwe generatie kinderen en jongeren. Deze nieuwe generatie groeit in steeds meer gevallen op buiten de randen van traditionele geloofsgemeenschappen. Maar ook daar is het leven van alledag een zoektocht naar zin en betekenis. Vanaf de oever van de traditionele geloofsgemeenschap wordt vaak wat neerbuigend over die universele vraag naar zin en betekenis gesproken. Het gaat tenslotte niet om zin en betekenis maar om het vinden van geloof en God.

Maar, zeg ik dan: de ontwikkeling en vorming van kinderen en jongeren is niet oeverloos. Zoals elke rivier of sloot twee oevers heeft, heeft de stroom van de godsdienstige ontwikkeling er ook twee: die van geloofsgemeenschappen aan de ene kant en die van de verlangens en vragen naar zin en betekenis aan de andere. Willen we uiteindelijk kinderen en jongeren deel laten hebben aan geloofspraktijken van geloofsgemeenschappen dan kunnen we er niet omheen om aan gene zijde van de sloot te gaan zoeken naar God en geloof: door te luisteren, te observeren, te interpreteren en te theologiseren. Daar ben ik vast van overtuigd. Het is doodzonde als we daar niet aan willen, en het getuigt van een hiaat in onze vorming en opleiding als we daar niet aan kunnen.

radiointerview over geloof en wetenschap

Op 19 mei 2014 interviewde Andries Knevel mij rond het thema ‘geloof en wetenschap’. Luister via de onderstaande link de radiouitzending:

radiointerview 

 

 

kinderen-jongeren-geloof-kerk: wat gebeurt er in onderzoeksland?

research fotoIn Christelijk Weekblad van 21 maart 2014 staat onderstaande bijdrage van mijn hand als voorschot op de studiedag Re-search & Re-act op 28 maart (http://www.ea.nl/researchreact)

Kerkelijk jeugdwerk kan profiteren van wetenschappelijk onderzoek. Er gebeurt op dat terrein van alles in binnen- en buitenland maar wat kan de jeugdwerker er in de praktijk mee? Jos de Kock neemt een voorschot op een studiedag over dat onderwerp.

Op 28 maart vindt in Ede de studiedag Re-search & Re-act plaats. In kort bestek worden daar de laatste onderzoeken op het gebied van jeugd en kerk gepresenteerd aan iedereen die betrokken is bij kinderen en jongeren en de kerk. Bovendien is er aandacht voor de vraag: wat kan ik ermee, als jongerenwerker, predikant, als ouder of als beleidsmaker?

Er komen niet minder dan twaalf onderzoekers aan het woord. Ik mag ingaan op de stand van zaken in onderzoek naar het brede thema van kinderen, jongeren, geloof en kerk. Kinderen in de kerk, jongeren en de toekomst van de kerk, de geloofsopvoeding in het gezin: het zijn geliefde onderwerpen op kerk- en geloofpagina’s, in programma’s en op websites van diverse christelijke media. Maar wat weten we er eigenlijk echt van?

Er is veel ervaringskennis en die is zonder meer van belang. Maar meer systematisch inzicht in de geloofsontwikkeling en geloofsopvoeding van kinderen en jongeren is ook nodig: dat kan dienstbaar zijn aan de praktijk van ouders, vrijwilligers en professionals in de kerk. Ik denk dat er nog ontzettend veel valt te ontdekken.

Wat valt er op dit moment op in onderzoeksland, nationaal en internationaal? Ik kan niet alles de revue laten passeren maar schets drie hoofdlijnen en selecteer daarbinnen een klein aantal voorbeelden van onderzoek.

Een eerste hoofdlijn is dat in internationale onderzoeksliteratuur veelvuldig geschreven wordt over de ‘theologie van jongeren en jongerenwerk’ met vaak het concept discipelschap als onderwerp. Verschillende auteurs proberen het werken met jongeren in de kerk te doordenken vanuit het discipel zijn van Jezus. Kerkelijk jongerenwerk zou dan gericht moeten zijn op het ontwikkelen van een christelijke levenswandel en levenshouding van jongeren.
Bij deze benadering past ook dat de jeugdleider een goed voorbeeld moet zijn: aan hem of haar moeten jongeren kunnen aflezen wat het volgen van Jezus concreet inhoudt.

In een tweede hoofdlijn treedt een aantal centrale thema’s van empirisch onderzoek op de voorgrond. Ik geef hier twee voorbeelden van die thema’s.
Veel onderzoeken leggen het belang bloot van het multisensorische karakter van geloven: niet alleen aandacht voor lezen, praten en denken maar ook concreet ervaren en doen. In dat kader wordt onderzoek gedaan naar de impact en werking van jongerenevents, zoals concerten en festivals, voor het geloven van jongeren. En hoe werken Taizé-vieringen of Passion-uitvoeringen uit op het geloof van jongeren?

Hoe je ook denkt over de vaak gehoorde oproep om meer ‘beleving’ in de kerk, beleving op zichzelf is erg belangrijk voor de geloofsontwikkeling van jongeren. Beleving gaat vaak niet zonder belichaming van geloof. Dat kunnen zichtbare voorbeeldgelovigen in de omgeving van kinderen en jongeren zijn, maar ook rituelen en vieringen in de kerk of het gezin. Zij laten ruimte voor ervaringen en het voelen en uiten van emoties.

Wat is de vormende werking van vieringen, of het nu gaat om een klassieke kerkdienst of een relipopfestival, en welke rol hebben deze in de geloofsontwikkeling van jongeren? Op welke wijze kunnen christelijke rituelen in het gezin gestalte geven aan de geloofsopvoeding?

De laatste vraag raakt aan een ander opvallend thema dat op steeds meer aandacht mag rekenen in het internationale onderzoeksveld: de rol van ouders en het gezinsleven voor de godsdienstige ontwikkeling van kinderen en tieners. Ouders zijn de primaire opvoeders van een nieuwe generatie en in het gezin vindt een belangrijk deel van het leren en geloofsleren plaats.

Daniëlle van de Koot-Dees kwam vorig jaar met een inzichtgevend proefschrift over de rol van geloven in de opvoeding in jonge gezinnen in Amsterdam. Dat onderzoek vraagt om een vervolg. Het belang van de geloofsopvoeding in het gezin neemt alleen maar toe waar in het algemeen de binding met de kerk als instituut afneemt. Hoe kunnen ouders en kerken op nieuwe manieren gestalte geven aan een leergemeenschap voor een nieuwe generatie?
In Nederland zijn relatief nieuwe praktijken als ‘Kerk op schoot’ en Godly Play voorbeelden om in dit kader verder te onderzoeken. Een aantal studenten aan de PThU geeft hier bijvoorbeeld al op kleine schaal uitvoering aan.

Een derde hoofdlijn is de constatering dat er globaal twee manieren zijn waarop het brede thema van kinderen, jongeren, geloof en kerk onderzoeksmatig wordt benaderd. In de eerste benaderingswijze is jongerenwerk ingebed in een kerkelijke geloofsgemeenschap. Voorbeelden hiervan is onderzoek naar catechesepraktijken. In Nederland is daar opvallend veel animo voor.

In de tweede benaderingswijze is jongerenwerk ingebed in universele zingevingsvragen. Vanuit een christelijk perspectief werken met kinderen en jongeren is een bijzondere manier om dienstbaar te zijn aan een nieuwe generatie die zoekt naar zin en betekenis in het leven. Deze benadering sluit een kerkelijke invulling van het jongerenwerk niet uit maar vraagt wel meer oog voor geloven en geloofsgemeenschappen die niet of minder institutioneel verbonden zijn. Een Nederlands onderzoek dat hieraan raakt is het onderzoek van Harmen van Wijnen naar de werking van zogenaamde small groups van jongeren.

Er is veel beweging in het kinder- en jongerenwerk in Nederlandse kerken en een groot aantal organisaties en bewegingen in en om de kerk investeren daarin. In diverse fora, denktanks en netwerken ontmoeten professionals in het kinder- en jongerenwerk elkaar en werken daar aan verbetering en vernieuwing van praktijken van geloofsopvoeding.

Er moet meer en structureel (academisch) onderzoek worden gedaan naar kinderen, jongeren, geloof en kerk. Dit kan gelijk oplopen met wetenschappelijke vorming van toekomstige predikanten en kerkelijk werkers en de beroepsgerichte vorming van alle professionals die zich willen specialiseren in deze thematiek.

Dr. A. de Kock is godsdienstpedagoog en universitair docent aan de Protestantse Theologische Universiteit (www. pthu.nl). Hij is onderzoeker bij het Onderzoekscentrum voor Jeugd, Kerk en Cultuur (www.ojkc.nl) en is hoofdredacteur van Journal of Youth & Theology (www.iasym.net)

 

OPROEP: Review van handboeken kinder- en jongerenwerk

OPROEP

Review van (hand)boeken kerkelijk of christelijk
geïnspireerd kinder- en jongerenwerkhandbook

Er is veel beweging in het kinder- en jongerenwerk in of vanuit kerken in Nederland. Een groot aantal organisaties en bewegingen in en om de kerk investeert daarin. In diverse fora, denktanks en netwerken ontmoeten professionals in het kinder- en jongerenwerk elkaar en werken daar aan verbetering en vernieuwing van praktijken van geloofsopvoeding, jeugdwerk, catechese, missionaire presentie, enzovoorts.

Verschillende (inspiratie)bronnen spelen een rol bij het werken als professional in het kerkelijk of christelijk geïnspireerd kinder- en jongerenwerk. Een van die bronnen zijn handboeken of anderszins inspirerende boeken op het gebied van kinderen/jongeren en de kerk of christelijk geïnspireerd kinder- en jongerenwerk.

Deze (hand)boeken bevatten vaak niet alleen goede ideeën en handvatten voor de praktijk maar communiceren daarnaast of daardoorheen ook allerhande (normatieve) uitgangspunten: theologische overwegingen, pedagogische principes, visies op God en mens, kindbeelden en cultuuropvattingen, enzovoorts. Bewustzijn van deze uitgangspunten is belangrijk voor het werk van de professional.

Deze uitgangspunten zijn nogal eens verborgen of impliciet aanwezig in een boek of handreiking. Daarnaast is er een grote variatie aan uitgangspunten te zien als je verschillende publicaties naast elkaar legt. Dat roept de vraag op of deze uitgangspunten, daar waar deze impliciet zijn, expliciet gemaakt kunnen worden en welke patronen al dan niet zijn te ontdekken in de verzameling (hand)boeken die voor professionals als belangrijke bron voor het kinder- en jongerenwerk functioneren.

Meer inzicht hierin is behulpzaam voor het werk en de opleiding van professionals in kinder- en jongerenwerk in en om de kerk. Daarnaast draagt het bij aan de wetenschappelijke reflectie op de thematiek van kinderen, jongeren, geloof en kerk.

Tegen deze achtergrond werk ik aan een systematische review van (hand)boeken op het gebied van kerkelijk of christelijk geïnspireerd kinder- en jongerenwerk. Het gaat om een internationale review maar met daarbinnen een bijzondere interesse voor (Nederlandse en buitenlandse/internationale publicaties) die een rol spelen in de Nederlandse context.

Met het oog hierop vraag ik iedereen die actief is in het kinder- en jongerenwerk in en om de kerk: welke (hand)boeken hebben jou in de praktijk van je werk tot nu toe in het bijzonder geïnspireerd? Is er een of een aantal boeken dat in het bijzonder behulpzaam is (geweest)?

Geef deze titels (en auteurs), als je wilt, dan aan mij door: via de mail adekock@pthu.nl, even snel via Twitter @josdekock of in een reactie onder deze blogpost. En het zou helemaal mooi zijn als je deze oproep verspreidt in je eigen netwerk.

Het mogen dus zowel Nederlandse publicaties als internationale publicaties zijn. Jouw inbreng helpt mij om een eerste inventarisatie van relevante (hand)boeken te maken en uiteindelijk helpt het ook om in het onderzoek aan te sluiten bij de bronnen die daadwerkelijk van betekenis zijn in het actuele kinder- en jongerenwerk.

Alvast zeer bedankt!

Jos de Kock.

Jos de Kock is als godsdienstpedagoog verbonden aan de Protestantse Theologische Universiteit (www.pthu.nl) en doet onderzoek op het snijvlak van kinderen, jongeren, geloof en kerk. Hij is Universitair Docent Educatie & Catechetiek en medewerker van het Onderzoekscentrum voor Jeugd, Kerk & Cultuur (www.ojkc.nl)