Laat aandacht voor inwijding niet verslappen

Afbeelding1Deze tekst verscheen als opiniebijdrage in het Nederlands Dagblad van 30 september 2015 en is geschreven naar aanleiding van het publiekscollege dat ik op 30 september hield in de serie colleges ‘Jong en Geloven’ georganiseerd door AKZ+ in samenwerking met Innov8, PraktijkCentrum en Onderzoekscentrum voor Jeugd, Kerk en Cultuur.

Kerken moeten de aandacht voor inwijding in de geloofsgemeenschap niet laten verslappen. Anders heft de kerk zichzelf op, langzaam maar zeker.

In het internationale debat over christelijk jeugdwerk is het een zorg die meer dan eens naar voren wordt gebracht: ‘Er is nog maar weinig aandacht voor de inwijding van een nieuwe generatie in de geloofsgemeenschap’. Ik deel die zorg. Die zorg betreft niet per se alle praktijken van jeugdwerk in Nederland, want er is veel diversiteit; mijn zorg betreft een algemene tendens die ik in kerken en jeugdwerk bespeur.

Met inwijding bedoel ik dat kinderen en jongeren deelgenoot worden gemaakt van het evangelie én deelgenoot van een geloofsgemeenschap die dat evangelie bewaart en doorgeeft. Die geloofsgemeenschap is een voortdurende ontmoeting van mensen rond de verkondiging van het Woord, in praktijken van gebeden, sacramenten, onderling dienstbetoon en dienstbaarheid aan de wereld om haar heen. Inwijding in de geloofsgemeenschap gaat dus verder dan met kinderen en jongeren van gedachten wisselen over God en geloven. Jeugdwerk in de kerk beoogt dan ook niet alleen dat jongeren persoonlijk betrokken raken op het geloof, maar ook dat zij zich verbinden aan een geloofsgemeenschap van waaruit zij op hun beurt weer gestalte geven aan de inwijding van een volgende generatie.

vitale bron
Op verschillende manieren wordt het verslappen van aandacht voor inwijding in kerken en kerkelijk jeugdwerk naar voren gebracht. Er zijn auteurs die beweren dat modern jongerenwerk totaal is vergeten om de geloofsgemeenschap, als vitale bron voor geloven, aan te bieden aan jongeren. Andere auteurs wijzen vooral op het gebrek aan gemeenschap in de kerk en een sterke gerichtheid op individuele navolging van Christus. Zelf constateerde ik onlangs in gesprek met iemand dat het soms als vloeken in de kerk wordt ervaren als je uitspreekt dat je jongeren wil binden aan de lokale gemeente. Het gaat er toch vooral om dat je het contact niet met ze verliest, dan mag je al heel tevreden zijn.

Een aantal ontwikkelingen dragen bij aan het verslappen van aandacht voor inwijding in jeugdwerk in kerken. Deze ontwikkelingen op zichzelf zijn overigens in het geheel niet zorgelijk wat mij betreft. De combinatie ervan vraagt echter wel om een extra inspanning van kerken om aan inwijding van een nieuwe generatie gestalte te geven.

vastzitten
Een eerste ontwikkeling die je ziet, is dat wordt ingezet op vloeibare gemeenschappen rond jongeren, in plaats van op samenzijn in meer institutionele kerkstructuren. Jongeren hebben nog steeds behoefte aan gemeenschap, maar willen er niet voor altijd aan vast zitten en deze gemeenschappen komen op en gaan weer. Door in het jeugdwerk sterker deze tijdelijke groepen en tijdelijke activiteiten te ondersteunen, verschuift het accent van kerkopbouw naar jongerenopbouw. Het gaat mij er niet om dat er te kiezen zou zijn vóór het ene accent en tegen het andere. Punt is dat met deze accentverschuiving het inwijdingsideaal onder druk kan komen te staan.

ouders
Een tweede ontwikkeling is het in toenemende mate inzetten op ouders als primair verantwoordelijken voor het geloofsonderricht in de kerk en het jeugdwerk. Niet de gespecialiseerde jongerenwerker of catecheet, maar vader en moeder dienen in de gemeente het voortouw te nemen. Ouders worden de nieuwe jeugdwerkers zogezegd. En predikanten en jeugdleiders zullen de aandacht moeten verdelen over enerzijds het direct werken met kinderen en jongeren en anderzijds de toerusting van ouders in de geloofsopvoeding. Het is echter de vraag of het ideaal van inwijding vanzelfsprekend hoog gehouden wordt door alle ouders. Veel ouders zijn zich zelf al losser gaan opstellen ten opzichte van de eigen kerk als geloofsgemeenschap. Veel ouders vinden het, begrijpelijk, al heel wat als er met hun kinderen en jongeren over het evangelie van gedachten gewisseld wordt. En wat te denken van de groep ouders die zelf het geloven vaarwel aan het zeggen zijn? Kortom: ook hier zou inwijding om begrijpelijke redenen zomaar buiten het vizier kunnen raken.

missionaire praktijk
Een derde ontwikkeling is de toegenomen aandacht voor missionaire dienstbaarheid in het kerkelijk jeugdwerk. In het missionaire jongerenwerk wordt dikwijls niet een inwijding in een bestaande geloofsgemeenschap beoogd, wel het delen of belichamen van het evangelie temidden van allerlei levensvragen en -ervaringen van individuele jongeren. Ook hier geldt: binding aan een bestaande geloofsgemeenschap bevindt zich veelal buiten het vizier. Wel ontstaan in de missionaire praktijk meer dan eens nieuwe vormen van geloofsgemeenschap buiten bestaande kerkstructuren om. Maar ook hier is de vraag in hoeverre inwijding van weer een volgende generatie tot het DNA van die nieuwe, soms tijdelijke, gemeenschappen zal behoren.

Wil de aandacht voor inwijding van kinderen en jongeren niet verslappen, dan zullen kerken meer dan ooit een extra inspanning moeten leveren. Ik pleit voor een breed gesprek in Nederland van jongerenwerkers en leidinggevenden in kerken rond de vraag hoe inwijding van een nieuwe generatie op de agenda blijft van geloofsgemeenschappen. Er is geen ‘one size fits all-recept’. Dat is zeker. Wel een paar ingrediënten: een voortdurende ontmoeting van jongeren rond de verkondiging van het Woord, in praktijken van gebeden, sacramenten, onderling dienstbetoon en dienstbaarheid aan de wereld om hen heen.

dr. A. (Jos) de Kock is godsdienstpedagoog en als universitair docent verbonden aan de Protestantse Theologische Universiteit en het ­Onderzoekscentrum voor Jeugd, Kerk en Cultuur

Advertenties

Kerkgebouwen en jongerenwerkers: antwoord op de crisis?

Een aantal maanden terug kwam de nota “kerk naar 2025: een verkenning” uit die werd besproken in de afgelopen PKN synodevergadering van 23/24 april 2015). In deze nota wordt (slechts) viermaal expliciet gesproken over kinderen en jongeren:

– Het is voor veel tijdgenoten niet gemakkelijk zich bij bestaande gemeenschappen te voegen. “Dat geldt vaak ook voor de eigen kinderen. Zij ervaren drempels waar ze niet zomaar overheen komen.” (p. 11)
– “Hoe dragen we het geloof over aan elkaar en onze kinderen, en hoe wijden we hen in de wereld van de christelijke traditie in? Juist in de geloofsoverdracht is veelal sprake van een crisis, en daarom staan we voor de uitdaging hier op eigentijdse wijze inhoud aan te geven. “ (p. 11)
– “Ze [ambtsdragers, AK] kunnen echter ook hun speerpunt maken in missionair werk of werk onder jongeren.” (p. 13)
– “Kerkleden, vooral jongeren, identificeren zich minder of helemaal niet met een georganiseerd kerkgenootschap.” (p. 13)

Het beeld dat naar voren komt is: de volwassen generaties weten niet meer hoe het geloof overgedragen moet worden en hoe een nieuwe generatie in te wijden is in de christelijke traditie. Bovendien werkt die nieuwe generatie bepaald niet mee: die identificeert zich minder of in het geheel niet met een georganiseerd kerkgenootschap en kan maar moeilijk drempels overstappen om zich bij bestaande geloofsgemeenschappen te voegen.

Iets van dat niet willen of kunnen voegen in bestaande geloofsgemeenschappen zien we ook terug in het essay “de predikant-2025 – apostel en non-conformist”dat collega Bert de Leede heeft geschreven ter gelegenheid van zijn afscheid van de Protestantse Theologische Universiteit. De Leede stelt zich in het essay de volgende vragen: In welk maatschappelijk, cultureel en religieus krachtenveld vervult de predikant anno 2025 in de kerk en in de samenleving van 2025 ambt en beroep? Wat moet hij/zij daartoe kennen, kunnen en aankunnen? En hoe leiden wij daartoe op? Ook voor dit document geldt dat viermaal expliciet gesproken wordt over kinderen en jongeren:

– “Mijn zondagmiddag eindigt in Amsterdam, op familiebezoek, langs de oever van de Amstel. Ik zie veel ‘jong’ passeren, op hippe (bak-)fietsen. Veel is blank, welvarend, jong en stemt vermoedelijk D66.” (p. 5)
– Ten aanzien van kerken en gemeenten op de Bible Belt: “De ‘brede rand van ‘hervormde volksreligiositeit’ – onze Nederlandse variant van ‘vier-wielen-christendom’ – valt bij de (klein-) kinderen van ontkerkelijkte leden weg.” (p. 8)
– Ten aanzien van wat christelijk leven in de stad nodig heeft: “Concentratie op de oude kathedrale kerken én op (ook nu!) nieuwe kerkgebouwen met uitstraling (…) plaatsen van ‘oefening en inwijding in christelijk leven’, voor kinderen en jongeren, (…) (p. 9)
– Punt 6 van de gevolgtrekkingen “6. De verantwoordelijkheid voor de uitvoering van alle werk, voor zover betaald, berust bij een team van ambtelijk gezondenen: Predikanten (WO en HBO opgeleid), kerkelijk werkers, jongerenwerkers, pioniers, diaconaal werkenden, etc. Daarbij wordt inhoudelijk gedacht vanuit een differentiatie in verschillende bedieningen, toevertrouwd aan daartoe opgeleiden en gekwalificeerden (prediking, voorgaan in de liturgie van Woord en Sacrament, geloofsonderricht, pastoraat, representatie in het publieke domein, geestelijke begeleiding, missionair werk, jongerenwerk)”

Kinderen en jongeren voegen zich dus niet zomaar meer in voksrelgiositeit, in bestaande geloofsgemeenschappen met een jarenlange traditie. De kerk ziet vooral veel jong passeren.

Zowel de nota Kerk naar 2025 als het essay van collega De Leede wijzen in het licht van deze analyse op een belangrijk speerpunt voor kerk en opleiding: er zijn ambtsdragers of ambtelijk gezonden jongerenwerkers nodig. Volgens De Leede is dat zelfs een aparte bediening waartoe je wordt opgeleid en gekwalificeerd.
Een tweede speerpunt wordt door De Leede gezocht in kerkgebouwen (oude en nieuwe) waar kinderen en jongeren zich kunnen oefenen in christelijk leven, waar zij zogezegd worden ‘ingewijd’.

Als er, zoals de nota Kerk naar 2025 stelt, een crisis is als het om de voortgang van geloven gaat, is een pleidooi voor kerkgebouwen of andere plekken waar ingewijd kan worden en het aan het werk zetten van jongerenwerkers dan voldoende? Wat moet er in die kerkgebouwen of op andere plekken gebeuren? Waarom zouden kinderen en jongeren daar komen? En wat moeten jongerenwerkers eigenlijk doen? En wat verandert een ambtelijke zending aan wat ze nu al doen? Waar zijn de ouders en grootouders in dit verhaal? En andere leden van de gemeente? En als die er niet zijn? En waar moeten kinderen eigenlijk in ingewijd worden? En moet dat eigenlijk wel?

Een verdere godsdienstpedagogische reflectie is mijns inziens op zijn plaats. Eerder wees ik daar al op onder de titel “in elke monnik, missionaris en leider schuilt een opvoeder”. Het is opmerkelijk dat deze, wat ik noem, godsdienstpedagogische perspectieven maar mondjesmaat betrokken worden in discussies over wat dan heet ‘de toekomst van de kerk’.

Dat mag wel wat scheutiger.

Waarom is intergeneratief leren zo belangrijk?

opstapmetoma

afbeelding met als titel ‘op stap met oma’ afkomstig van http://www.pg-alkmaar.nl

Deze maand verschijnt een special van ‘Generator’ over intergeneratief jeugdwerk. Generator is het vakblad van de HGJB voor iedereen die in de kerkelijke gemeente met of voor jongeren werkt. Hier is een preview van de special te zien. Onderdeel van intergeneratief jeugdwerk is intergeneratief leren: geloofsleren dat ontstaat door ontmoetingen tussen verschillende generaties: bijvoorbeeld tussen kinderen en hun opa’s en oma’s, of tussen tieners en twintigers. Maar waarom is dit intergeneratief leren eigenlijk belangrijk?

Er zijn verschillende manieren waarop je iets kunt leren. Een van de meest voorkomende manieren is het leren dat ontstaat in het leven van alledag: iets uitproberen, door ontmoetingen met andere mensen, of door samen met anderen dingen te ondernemen. Dat geldt ook voor geloofsleren. Veel van wat we geloofsleren noemen ontstaat doordat christenen het leven met elkaar delen: thuis, in de kerk of in de straat. Je kijkt dingen van elkaar af, je vraagt elkaars mening, je helpt elkaar. In het leven van alledag zijn vaak verschillende generaties tegelijk betrokken. En precies dat maakt het leven van alledag ook zo leerzaam: elke generatie heeft zijn eigen, creatieve, inbreng in het leerproces. En daarom is het belangrijk om ook in de christelijke gemeente die creativiteit te benutten: dat begint door het leven daadwerkelijk met elkaar te delen, met verschillende generaties tegelijk.

Je kunt het natuurlijk ook omdraaien. Het jeugdwerk in de christelijke gemeente beoogt juist het samen leven als geloofsgemeenschap. Ontmoetingen tussen verschillende generaties zijn dan niet zozeer het middel om jongeren tot geloofsleren te brengen. Jeugdwerk en het geloofsleren daarbinnen is juist een belangrijk middel om het werkelijk samen leven in de christelijke gemeente mogelijk te maken. Zo bezien dient jeugdwerk geen toevluchtsoord te zijn voor de jongste generatie in de kerk, maar een ontmoetingsplek waar die jongste generatie leert deel te nemen aan de geloofsgemeenschap van verschillende generaties.

Die ontmoetingsplek is tegelijkertijd een plek waar volwassen generaties leren van de jongste generatie in de kerk. Intergeneratief leren is wederkerig leren. Jeugdwerk is niet alleen bedoeld om een nieuw cohort leden in te wijden in de status quo van de geloofsgemeenschap. Jeugdwerk is ook een plek waar kinderen en jongeren een soms kritische en meer dan eens creatieve bijdrage leveren aan de geloofsgemeenschap. Kinderen en jongeren vormen een belangrijke spiegel voor de gemeente: hoe geloofwaardig is de gemeente eigenlijk? Brengt zij wel in praktijk wat met de mond beleden wordt? Jeugdwerk is niet alleen een plek waar geloof wordt doorgegeven maar ook een plek waar geloof en de geloofspraktijk van de gemeente vernieuwd wordt: dat is de wederkerigheid die in intergeneratief leren ligt besloten.

Intergeneratief leren gaat ook de fragmentatie tegen waar veel gemeenten van te lijden hebben: elke doelgroep, lees leeftijdsgroep, zijn eigen aanpak, programma en activiteit. Natuurlijk is het zinvol om in de gemeente kinderen in de basisschoolleeftijd iets anders aan te bieden dan de groep veertigers, om maar wat te noemen. Maar het moet de onderlinge ontmoeting van beide groepen niet in de weg gaan staan. Als doelgroepenbeleid ten koste gaat van de intergenerationele ontmoeting schiet het zijn doel voorbij: namelijk het samen leven als geloofsgemeenschap in deze tijd. Als intergeneratief leren nieuw leven ingeblazen moet worden, dan zijn er mogelijkheden te over. Samen bijbelverhalen lezen. Samen een bijzondere viering in de kerk voorbereiden. Samen survivallen. Samen boodschappen doen. Het kan allemaal. Het leven van alledag is alles wat je nodig hebt.

God en geloof: begrijpen we er nog iets van?

Onderstaande tekst is een weergave van mijn bijdrage aan de CHE-werkconferentie “Grensoverschrijdend geloven”, gehouden op 13 november 2014 in Ede. Ter gelegenheid van de start van het lectoraat “Geloven in context” van de Academie Theologie aan de CHE.de sloot (2)

God en geloof in het leven van kinderen en jongeren: daar begrijpen we maar weinig van. Kerkmensen niet, en ook theologen niet. Dat komt door twee dingen: (1) Wij denken te veel, en dan vooral over de kerk of geloofsgemeenschap, en (2) we kijken te weinig, en dan vooral naar het leven: het leven van kinderen en jongeren. De belangrijkste kennisuitdaging die ik heb meegebracht is deze: Hoe zijn God en geloven in het leven van kinderen en jongeren te beschrijven en van daaruit óók te begrijpen?

Voor ons huis langs loopt een brede stoep, daarachter een plantsoen en daarachter een sloot. En daar weer achter scheidt een hek de sloot van de weg. Als onze kinderen een balletje trappen op de stoep, belandt de bal onherroepelijk een keer in de sloot. Soms banen zij zich een weg door het plantsoen om de bal aan déze zijde van de sloot uit het water te vissen. Niet zelden begeven zij zich naar de straatkant om gewapend met een bladhark de bal er aan gene zijde uit te vissen. Het volgende gebeurt maar zelden: De kinderen gaan in het plantsoen zitten en gaan met elkaar in gesprek over hoe mooi het zou zijn als de bal niet aan gene zijde van de sloot maar aan deze zijde van de sloot voorbij zou gaan; “het zou het beste voor die bal zijn, het is tenslotte zo’n mooi plantsoen; gene zijde van de sloot, dat kan nooit goed zijn voor een bal, zo vlak langs de weg.”

Wij denken (en praten) te veel over de kerk of de geloofsgemeenschap. Dat is als zitten in het plantsoen aan deze zijde van de sloot. Bijvoorbeeld: Methodes volschrijven over de rijke betekenis van de doop, terwijl aan gene zijde van de sloot kinderen en jongeren zich vertwijfeld afvragen of God eigenlijk wel bestaat.

We kijken te weinig naar het leven van kinderen en jongeren. Nu ja, we kijken nog wel op een afstandje naar gene zijde van de sloot.  Maar om daadwerkelijk wat te zien en te begrijpen van God en geloven in het leven van kinderen en jongeren zullen we moeten omlopen: gene zijde wordt dan deze zijde en we komen in de nabijheid van wat er daadwerkelijk gebeurt. We gaan dan echt zien en begrijpen.

Een jongerenwerker vertelt over een meisje die al het leed dat haar is overkomen niet kan rijmen met God: zij zegt niets te kunnen met het beeld van een toornende en straffende God. De jongerenwerker aan deze zijde van de sloot stelt zichzelf de vraag: hoe kan ik het Godsbeeld van dat meisje toch meer in balans brengen? De vraag aan gene zijde van de sloot is: wat leert de ervaring van dit meisje haar én mij over God en over geloven?

De belangrijkste kennisuitdaging ligt mijns inziens aan gene zijde van de sloot: Hoe zijn God en geloven in het leven van kinderen en jongeren te beschrijven en van daaruit óók te begrijpen? Dat betekent dat we theologie moeten bedrijven vanuit het goed waarnemen van kinderen en jongeren in hun levens, in hun praktijken. En goed waarnemen betekent ook goed luisteren.

Goed waarnemen is een belangrijke (te ontwikkelen) attitude en vaardigheid van de professionele theoloog en vormt de kern van het broodnodige empirisch, praktisch theologisch onderzoek dat aan academies theologie zou moeten plaatsvinden. Werkveld en academie hebben een gezamenlijke taak: een descriptief-empirische taak: we moeten leren goed waar te nemen en God en geloven te ontdekken in de werkelijkheid. God en geloof openbaren zich niet alleen in S/schrift, traditie of in ons denken. God en geloof openbaren zich ook in de empirie.

Hoe ervaren kinderen en jongeren God in het leven? Hoe denken zij over God, geloof, de kerk, het leven, de mens, de wereld, de Bijbel? Wat beleven zij aan vieringen, vormingspraktijken, pastorale praktijken, events en kerkvormen? Theologen doen er goed aan nabij de eigen interpretaties en constructies van kinderen en jongeren ten aanzien van geloven en God te komen. Zowel het theologiseren van kinderen en jongeren zélf, als de uitkomsten van praktisch theologisch praktijkonderzoek en academisch onderzoek voeden meer beschrijvingen, meer inzicht en meer begrip.

Goed waarnemen is de kiem van meer begrip; de vrucht zal moeten zijn het gestalte kunnen geven aan (nieuwe) geloofspraktijken, al dan niet vanuit bestaande kerkgemeenschappen voor een nieuwe generatie kinderen en jongeren. Deze nieuwe generatie groeit in steeds meer gevallen op buiten de randen van traditionele geloofsgemeenschappen. Maar ook daar is het leven van alledag een zoektocht naar zin en betekenis. Vanaf de oever van de traditionele geloofsgemeenschap wordt vaak wat neerbuigend over die universele vraag naar zin en betekenis gesproken. Het gaat tenslotte niet om zin en betekenis maar om het vinden van geloof en God.

Maar, zeg ik dan: de ontwikkeling en vorming van kinderen en jongeren is niet oeverloos. Zoals elke rivier of sloot twee oevers heeft, heeft de stroom van de godsdienstige ontwikkeling er ook twee: die van geloofsgemeenschappen aan de ene kant en die van de verlangens en vragen naar zin en betekenis aan de andere. Willen we uiteindelijk kinderen en jongeren deel laten hebben aan geloofspraktijken van geloofsgemeenschappen dan kunnen we er niet omheen om aan gene zijde van de sloot te gaan zoeken naar God en geloof: door te luisteren, te observeren, te interpreteren en te theologiseren. Daar ben ik vast van overtuigd. Het is doodzonde als we daar niet aan willen, en het getuigt van een hiaat in onze vorming en opleiding als we daar niet aan kunnen.

radiointerview over geloof en wetenschap

Op 19 mei 2014 interviewde Andries Knevel mij rond het thema ‘geloof en wetenschap’. Luister via de onderstaande link de radiouitzending:

radiointerview 

 

 

kinderen-jongeren-geloof-kerk: wat gebeurt er in onderzoeksland?

research fotoIn Christelijk Weekblad van 21 maart 2014 staat onderstaande bijdrage van mijn hand als voorschot op de studiedag Re-search & Re-act op 28 maart (http://www.ea.nl/researchreact)

Kerkelijk jeugdwerk kan profiteren van wetenschappelijk onderzoek. Er gebeurt op dat terrein van alles in binnen- en buitenland maar wat kan de jeugdwerker er in de praktijk mee? Jos de Kock neemt een voorschot op een studiedag over dat onderwerp.

Op 28 maart vindt in Ede de studiedag Re-search & Re-act plaats. In kort bestek worden daar de laatste onderzoeken op het gebied van jeugd en kerk gepresenteerd aan iedereen die betrokken is bij kinderen en jongeren en de kerk. Bovendien is er aandacht voor de vraag: wat kan ik ermee, als jongerenwerker, predikant, als ouder of als beleidsmaker?

Er komen niet minder dan twaalf onderzoekers aan het woord. Ik mag ingaan op de stand van zaken in onderzoek naar het brede thema van kinderen, jongeren, geloof en kerk. Kinderen in de kerk, jongeren en de toekomst van de kerk, de geloofsopvoeding in het gezin: het zijn geliefde onderwerpen op kerk- en geloofpagina’s, in programma’s en op websites van diverse christelijke media. Maar wat weten we er eigenlijk echt van?

Er is veel ervaringskennis en die is zonder meer van belang. Maar meer systematisch inzicht in de geloofsontwikkeling en geloofsopvoeding van kinderen en jongeren is ook nodig: dat kan dienstbaar zijn aan de praktijk van ouders, vrijwilligers en professionals in de kerk. Ik denk dat er nog ontzettend veel valt te ontdekken.

Wat valt er op dit moment op in onderzoeksland, nationaal en internationaal? Ik kan niet alles de revue laten passeren maar schets drie hoofdlijnen en selecteer daarbinnen een klein aantal voorbeelden van onderzoek.

Een eerste hoofdlijn is dat in internationale onderzoeksliteratuur veelvuldig geschreven wordt over de ‘theologie van jongeren en jongerenwerk’ met vaak het concept discipelschap als onderwerp. Verschillende auteurs proberen het werken met jongeren in de kerk te doordenken vanuit het discipel zijn van Jezus. Kerkelijk jongerenwerk zou dan gericht moeten zijn op het ontwikkelen van een christelijke levenswandel en levenshouding van jongeren.
Bij deze benadering past ook dat de jeugdleider een goed voorbeeld moet zijn: aan hem of haar moeten jongeren kunnen aflezen wat het volgen van Jezus concreet inhoudt.

In een tweede hoofdlijn treedt een aantal centrale thema’s van empirisch onderzoek op de voorgrond. Ik geef hier twee voorbeelden van die thema’s.
Veel onderzoeken leggen het belang bloot van het multisensorische karakter van geloven: niet alleen aandacht voor lezen, praten en denken maar ook concreet ervaren en doen. In dat kader wordt onderzoek gedaan naar de impact en werking van jongerenevents, zoals concerten en festivals, voor het geloven van jongeren. En hoe werken Taizé-vieringen of Passion-uitvoeringen uit op het geloof van jongeren?

Hoe je ook denkt over de vaak gehoorde oproep om meer ‘beleving’ in de kerk, beleving op zichzelf is erg belangrijk voor de geloofsontwikkeling van jongeren. Beleving gaat vaak niet zonder belichaming van geloof. Dat kunnen zichtbare voorbeeldgelovigen in de omgeving van kinderen en jongeren zijn, maar ook rituelen en vieringen in de kerk of het gezin. Zij laten ruimte voor ervaringen en het voelen en uiten van emoties.

Wat is de vormende werking van vieringen, of het nu gaat om een klassieke kerkdienst of een relipopfestival, en welke rol hebben deze in de geloofsontwikkeling van jongeren? Op welke wijze kunnen christelijke rituelen in het gezin gestalte geven aan de geloofsopvoeding?

De laatste vraag raakt aan een ander opvallend thema dat op steeds meer aandacht mag rekenen in het internationale onderzoeksveld: de rol van ouders en het gezinsleven voor de godsdienstige ontwikkeling van kinderen en tieners. Ouders zijn de primaire opvoeders van een nieuwe generatie en in het gezin vindt een belangrijk deel van het leren en geloofsleren plaats.

Daniëlle van de Koot-Dees kwam vorig jaar met een inzichtgevend proefschrift over de rol van geloven in de opvoeding in jonge gezinnen in Amsterdam. Dat onderzoek vraagt om een vervolg. Het belang van de geloofsopvoeding in het gezin neemt alleen maar toe waar in het algemeen de binding met de kerk als instituut afneemt. Hoe kunnen ouders en kerken op nieuwe manieren gestalte geven aan een leergemeenschap voor een nieuwe generatie?
In Nederland zijn relatief nieuwe praktijken als ‘Kerk op schoot’ en Godly Play voorbeelden om in dit kader verder te onderzoeken. Een aantal studenten aan de PThU geeft hier bijvoorbeeld al op kleine schaal uitvoering aan.

Een derde hoofdlijn is de constatering dat er globaal twee manieren zijn waarop het brede thema van kinderen, jongeren, geloof en kerk onderzoeksmatig wordt benaderd. In de eerste benaderingswijze is jongerenwerk ingebed in een kerkelijke geloofsgemeenschap. Voorbeelden hiervan is onderzoek naar catechesepraktijken. In Nederland is daar opvallend veel animo voor.

In de tweede benaderingswijze is jongerenwerk ingebed in universele zingevingsvragen. Vanuit een christelijk perspectief werken met kinderen en jongeren is een bijzondere manier om dienstbaar te zijn aan een nieuwe generatie die zoekt naar zin en betekenis in het leven. Deze benadering sluit een kerkelijke invulling van het jongerenwerk niet uit maar vraagt wel meer oog voor geloven en geloofsgemeenschappen die niet of minder institutioneel verbonden zijn. Een Nederlands onderzoek dat hieraan raakt is het onderzoek van Harmen van Wijnen naar de werking van zogenaamde small groups van jongeren.

Er is veel beweging in het kinder- en jongerenwerk in Nederlandse kerken en een groot aantal organisaties en bewegingen in en om de kerk investeren daarin. In diverse fora, denktanks en netwerken ontmoeten professionals in het kinder- en jongerenwerk elkaar en werken daar aan verbetering en vernieuwing van praktijken van geloofsopvoeding.

Er moet meer en structureel (academisch) onderzoek worden gedaan naar kinderen, jongeren, geloof en kerk. Dit kan gelijk oplopen met wetenschappelijke vorming van toekomstige predikanten en kerkelijk werkers en de beroepsgerichte vorming van alle professionals die zich willen specialiseren in deze thematiek.

Dr. A. de Kock is godsdienstpedagoog en universitair docent aan de Protestantse Theologische Universiteit (www. pthu.nl). Hij is onderzoeker bij het Onderzoekscentrum voor Jeugd, Kerk en Cultuur (www.ojkc.nl) en is hoofdredacteur van Journal of Youth & Theology (www.iasym.net)

 

OPROEP: Review van handboeken kinder- en jongerenwerk

OPROEP

Review van (hand)boeken kerkelijk of christelijk
geïnspireerd kinder- en jongerenwerkhandbook

Er is veel beweging in het kinder- en jongerenwerk in of vanuit kerken in Nederland. Een groot aantal organisaties en bewegingen in en om de kerk investeert daarin. In diverse fora, denktanks en netwerken ontmoeten professionals in het kinder- en jongerenwerk elkaar en werken daar aan verbetering en vernieuwing van praktijken van geloofsopvoeding, jeugdwerk, catechese, missionaire presentie, enzovoorts.

Verschillende (inspiratie)bronnen spelen een rol bij het werken als professional in het kerkelijk of christelijk geïnspireerd kinder- en jongerenwerk. Een van die bronnen zijn handboeken of anderszins inspirerende boeken op het gebied van kinderen/jongeren en de kerk of christelijk geïnspireerd kinder- en jongerenwerk.

Deze (hand)boeken bevatten vaak niet alleen goede ideeën en handvatten voor de praktijk maar communiceren daarnaast of daardoorheen ook allerhande (normatieve) uitgangspunten: theologische overwegingen, pedagogische principes, visies op God en mens, kindbeelden en cultuuropvattingen, enzovoorts. Bewustzijn van deze uitgangspunten is belangrijk voor het werk van de professional.

Deze uitgangspunten zijn nogal eens verborgen of impliciet aanwezig in een boek of handreiking. Daarnaast is er een grote variatie aan uitgangspunten te zien als je verschillende publicaties naast elkaar legt. Dat roept de vraag op of deze uitgangspunten, daar waar deze impliciet zijn, expliciet gemaakt kunnen worden en welke patronen al dan niet zijn te ontdekken in de verzameling (hand)boeken die voor professionals als belangrijke bron voor het kinder- en jongerenwerk functioneren.

Meer inzicht hierin is behulpzaam voor het werk en de opleiding van professionals in kinder- en jongerenwerk in en om de kerk. Daarnaast draagt het bij aan de wetenschappelijke reflectie op de thematiek van kinderen, jongeren, geloof en kerk.

Tegen deze achtergrond werk ik aan een systematische review van (hand)boeken op het gebied van kerkelijk of christelijk geïnspireerd kinder- en jongerenwerk. Het gaat om een internationale review maar met daarbinnen een bijzondere interesse voor (Nederlandse en buitenlandse/internationale publicaties) die een rol spelen in de Nederlandse context.

Met het oog hierop vraag ik iedereen die actief is in het kinder- en jongerenwerk in en om de kerk: welke (hand)boeken hebben jou in de praktijk van je werk tot nu toe in het bijzonder geïnspireerd? Is er een of een aantal boeken dat in het bijzonder behulpzaam is (geweest)?

Geef deze titels (en auteurs), als je wilt, dan aan mij door: via de mail adekock@pthu.nl, even snel via Twitter @josdekock of in een reactie onder deze blogpost. En het zou helemaal mooi zijn als je deze oproep verspreidt in je eigen netwerk.

Het mogen dus zowel Nederlandse publicaties als internationale publicaties zijn. Jouw inbreng helpt mij om een eerste inventarisatie van relevante (hand)boeken te maken en uiteindelijk helpt het ook om in het onderzoek aan te sluiten bij de bronnen die daadwerkelijk van betekenis zijn in het actuele kinder- en jongerenwerk.

Alvast zeer bedankt!

Jos de Kock.

Jos de Kock is als godsdienstpedagoog verbonden aan de Protestantse Theologische Universiteit (www.pthu.nl) en doet onderzoek op het snijvlak van kinderen, jongeren, geloof en kerk. Hij is Universitair Docent Educatie & Catechetiek en medewerker van het Onderzoekscentrum voor Jeugd, Kerk & Cultuur (www.ojkc.nl)

Een tijdperk zonder al te veel catechese

In het Nederlands Dagblad van 30 november 2013 schreef ik onderstaande bijdrage:

De Protestantse Kerk gaat, op verzoek van de synode, leerdoelen en een onderwijsprogramma voor
catechese opstellen. Dat is over de top. Het onderwijs aan een nieuwe generatie heeft andere
impulsen nodig.

De ‘beraadsgroep catechese’ had voor de synode de handreiking Een 10 voor catechese
opgesteld. De bespreking van dit stuk op de synode resulteerde in het verzoek om leerdoelen en
een onderwijsprogramma.

Dat is merkwaardig. De beraadsgroep pleitte helemaal niet voor centrale doelformulering en
programmering. In plaats daarvan legde ze de vinger bij het belang van het geheel van de
gemeente als leeromgeving en het belang van de persoon van de catecheet.

Want de betekenis van het instituut kerk valt meer en meer weg. Dan red je het niet meer met een
programma en een wekelijks uur catechese. Je moet het meer dan ooit hebben van een gemeenschap
om jongeren heen, van mensen die kunnen laten zien wat het betekent te geloven.

Gelukkig zijn er gemeenten met bloeiende catechesegroepen. Maar de indruk van de beraadsgroep is
dat in veel gemeenten de catechese steeds minder bezoekers trekt en dat het moeilijker wordt
mensen te vinden die er leiding aan willen geven.

Daar komt bij dat in veel gemeenten een nieuwe generatie van kinderen en tieners krimpt of zelfs
ontbreekt. En veel gelovige jongeren of jongeren die zoeken te geloven, binden zich maar
moeilijk aan een kerkgemeenschap. En dan zijn er ook nog de jongeren die zich aan of over de
‘rand van de kerk’ bevinden, en voor wie de kerk in missionaire zin graag iets betekent. Als
je dit plaatje op je af laat komen, dan zul je ook aan andere zaken moeten denken dan
catechese-initiatieven alleen.

Mijn observatie is dat jongeren, ‘in’ of ‘buiten’ de kerk, zich van het instituut kerk af bewegen. Zij blijven wel verlangen naar samenzijn. De beweging kan gaan in de richting van het zoeken en delen van geloof in een vriendengroep, op speciale avonden of weekenden (denk aan festivals en concerten) of gewoon in de huiselijke omgeving; op streetlevel, zo gezegd. Niet voor niets wordt het belang van de geloofsopvoeding door ouders thuis de laatste tijd breed benadrukt.

Het kan ook een beweging zijn in de richting van digitale gemeenschappen, in verbinding met het
wereldwijde christendom en charismatische representanten daarvan. Sociale media brengen die
dichterbij dan ooit.

De kansen voor godsdienstige vorming van een nieuwe generatie moeten dan ook in toenemende mate
gezocht worden in dit type gemeenschappen, die vaak losjes of niet verbonden zijn met het
instituut kerk en haar catecheseprogramma’s. Al deze – soms tijdelijke – gemeenschappen
zijn niet iets extra’s, iets leuks ‘voor erbij’; het zijn de nieuwe ruimten waarin de kerk
aan haar godsdienstige vorming gestalte kan en moet geven. Modelfiguren of
‘geloofsautoriteiten’ – iemand uit de kerk, een leraar op school, een vader, een moeder,
leeftijdgenoten – kunnen daarin als opvoeder een rol spelen.

Wat moet de rol van de kerk dan zijn? Wat voor verzoek zou de synode aan de Protestantse Kerk moeten doen? Twee dingen:

1. Ondersteun lokale kerken bij het vormen van ‘autoriteiten’ die vormend aanwezig kunnen
zijn. Jongeren zijn op zoek naar ankerpunten voor hun (godsdienstige) ontwikkeling: wat is waar,
wat is waardevol, wat is zin in het leven? Daarin kunnen autoriteiten – mensen aan wie je in
hun leven kunt zien wat waar, waardevol en zin is – een belangrijke rol vervullen.

Niet alleen ouders en catecheten, ook ieder ander in de geloofsgemeenschap is een opvoeder en is
in potentie een autoriteit. Zij kunnen dat zijn op streetlevel, maar ook via internet en sociale
media.

2. Ondersteun lokale kerken bij het voorzien in of ondersteunen van (nieuwe)
geloofsgemeenschappen voor jongeren die tegelijk pedagogische ruimten kunnen zijn. Kerken bieden
al eeuwenlang samenzijn en gemeenschap. Die is echter vaak georganiseerd in institutionele zin. Daar ontstaat steeds meer spanning. De kunst voor de kerk is: durf gemeenschappen van jongeren
te ondersteunen of op te zetten die met het instituut niet veel meer te maken hebben. En wees
daarin dienend aanwezig met onderwijs. Maak ook daarin de rijkdom van de kerk vruchtbaar.

Het vliegwiel van de godsdienstige vorming is dan niet een onderwijsprogramma of leerdoelen,
maar vooral de ontmoeting. Samen optrekken en samen leven, maar ook samen praten en nadenken over persoonlijke, maatschappelijke en levensbeschouwelijke vragen. De spanning tussen het verlangen van jongeren en het wenkende perspectief van het evangelie is het startpunt voor geloofsleren.

Er is op zichzelf niets mis met leerdoelen en een onderwijsprogramma – het is goud waard als daarmee in de praktijk gewerkt kan worden. Maar dat lukt steeds minder. Vandaar dit pleidooi.

De kerk hoeft daarbij niet bij nul te beginnen. Er zijn al veel praktijken waarin de leerfunctie
van de christelijke gemeente op een hernieuwde wijze gestalte krijgt. Denk aan een
(internationale) diaconale werkvakantie, waar intens geleerd wordt over Gods recht en
gerechtigheid. Of filmavonden, waar jongeren hun kijkervaringen delen en waar met wat
begeleiding de grote vragen over God en mens op tafel komen. Allemaal onderwijs in een tijdperk
zonder al te veel catechese.

Meer academische aandacht voor kinderen, jongeren, kerk en geloof

Deze week is de week van de opvoeding. Voor de derde keer is deze week in Nederland gelanceerd. Het thema dit jaar is: Word spelenderwijs. Want spelenderwijs ontdekken kinderen de wereld om zich heen. Dat is leuk en leerzaam tegelijk. De initiatiefnemers van deze week stellen: “Het is belangrijk om kinderen de ruimte te bieden om vol verwondering te verkennen, te experimenteren en te ervaren.”

En zo is het. En zo is het ook in de geloofsopvoeding, thuis en in de kerk. Kinderen en jongeren moeten vol verwondering kunnen verkennen, experimenteren en ervaren als het gaat om geloven. Althans, dat is een veel verwoorde opvatting in debatten over kerk en de opvoeding van een nieuwe generatie kinderen en jongeren. Kinderen in de kerk, jongeren en de toekomst van de kerk, de geloofsopvoeding in het gezin: het zijn geliefde onderwerpen op kerk- en geloofpagina’s, in programma’s en op websites van diverse christelijke media. Maar wat weten we er eigenlijk echt van?

Er is ontzettend veel ervaringskennis natuurlijk en dat is zonder meer van belang. Maar meer systematisch inzicht in de geloofsontwikkeling en geloofsopvoeding van kinderen en jongeren in deze tijd is ook nodig: dat kan dienstbaar zijn aan de praktijk van ouders, vrijwilligers en professionals in de kerk en de reflectie op die praktijk. Ik denk dat er nog veel valt te ontdekken. Ik pleit daarom voor meer en structurele academische aandacht voor het brede thema van kinderen, jongeren, geloof en kerk. In termen van de week van de opvoeding: Waar en hoe kan er worden gespeeld? Waar is de verwondering in de geloofsopvoeding? Hoe ontstaat ruimte om het geloof te verkennen en te experimenteren met een gelovige praktijk? Hoe kunnen ouders en de kerk daar dienstbaar aan zijn en wat werkt dat uit? Waar en hoe wordt het geloof door kinderen en jongeren daadwerkelijk ervaren?

Midden in deze week van de opvoeding houd ik vandaag in het kader van de lezingencyclus De kerk leeft! aan de Christelijke Hogeschool Ede een bijdrage over de kerk als leergemeenschap. Ik denk inderdaad dat de kerk leeft; ik denk echter niet dat in deze tijd die (leer)gemeenschap vanzelfsprekend is gegeven door het instituut kerk of het instituutje plaatselijke gemeente. Ik betoog in mijn lezing dat om een nieuwe generatie in te wijden in het christelijk geloof houvast gezocht moet worden in principes als leren door doen en leren door ontmoeting. Het houvast moet bovendien meer en meer gezocht worden in gemeenschappen van gelovigen die minder organisatorisch en institutioneel en meer organisch en spontaan zich aandienen.

In het licht van die analyse denk ik dat op dit moment tenminste vier thema’s centraal moeten staan in academisch onderzoek en onderwijs op het gebied van kinderen, jongeren, geloof en kerk.

Ten eerste: de rol van ouders in de geloofsopvoeding. Ouders zijn de primaire opvoeders van een nieuwe generatie en in het gezin vindt een belangrijk deel van het leren en geloofsleren plaats. Collega Daniëlle van de Koot-Dees leverde onlangs een inzichtgevend proefschrift op over de rol van geloven in de opvoeding in jonge gezinnen in Amsterdam. Dat onderzoek vraagt om een vervolg. Het relatieve belang van de geloofsopvoeding in het gezin neemt alleen maar toe waar in z’n algemeenheid de binding met de kerk als instituut afneemt. Hoe kunnen ouders en kerken op nieuwe manieren gestalte geven aan een leergemeenschap voor een nieuwe generatie?

Ten tweede: de rol of functie van beleving en belichaming in de geloofsgemeenschap. Hoe je ook denkt over de vaak gehoorde oproep om meer ‘beleving’ in de kerk, beleving op zichzelf is erg belangrijk voor de geloofsontwikkeling van jongeren. En beleving gaat vaak niet zonder belichaming van geloof. Dat kunnen zichtbare, tastbare voorbeeldgelovigen in de omgeving van kinderen en jongeren zijn; dat kunnen ook de rituelen en vieringen in de kerk of in het gezin zijn die ruimte laten voor ervaringen en het voelen en uiten van emoties. Wat is de vormende werking van uiteenlopende vieringen, of het nu gaat om een klassieke kerkdienst of om een relipopfestival, en welke rol hebben deze in de geloofsontwikkeling van jongeren? Op welke wijze kunnen christelijke rituelen in het gezin gestalte geven aan de geloofsopvoeding?

Ten derde: de rol of functie van nieuwe (sociale) media in de geloofsontwikkeling van kinderen en jongeren. Nieuwe media bieden kansen om op nieuwe manieren aan geloofsgemeenschappen gestalte te geven. De vraag is ook hoe zich dat verhoudt tot het belang van belichaming van geloof. Wat betekent het gebrek aan fysieke nabijheid voor de geloofsontwikkeling? Wat kan wel en niet verwacht worden van bijvoorbeeld een internetkerk of van het virtuele netwerk van christenen wereldwijd voor de geloofsontwikkeling van een nieuwe generatie?

Ten vierde: de vormende werking van diaconale en missionaire kerkpraktijken. Gemeenteleden, niet zelden jongeren, worden in diaconale en missionaire activiteiten via de buitenkerkelijke context uitgedaagd om stil te staan bij het eigen geloven en de eigen traditie, bij eigen antwoorden en eigen geloofspraktijken. Zij leren vaak dat het geloof niet zomaar in woorden te vangen is. Diaconale en missionaire presentie schept leeromgevingen die binnen de kerkmuren maar moeilijk zijn te organiseren. Leveren deze praktijken de nieuwe gemeenschappen op waarin nieuwe generaties van binnen én buiten de kerkmuren ingewijd worden in het christelijk geloof? En: welke factoren dragen bij aan het ontstaan van duurzame geloofsgemeenschappen onder jongeren, als een institutionele band met een kerk niet (meer) relevant, haalbaar of zelfs onwenselijk is?

Er is veel beweging in het kinderwerk en jongerenwerk in kerken in Nederland. Een groot aantal organisaties en bewegingen in en om de kerk investeren daarin. In diverse fora, denktanks en netwerken ontmoeten professionals in het kinder- en jongerenwerk elkaar en werken daar aan verbetering en vernieuwing van praktijken van geloofsopvoeding. Ik acht het nodig dat er ook meer en structureel academisch onderzoek wordt gedaan naar het brede thema van kinderen, jongeren, geloof en kerk. Dit kan gelijk oplopen met wetenschappelijke vorming van toekomstige predikanten in de kerk en andere professionals die zich willen specialiseren in deze thematiek. Het Onderzoekscentrum voor Jeugd, Kerk & Cultuur dat verbonden is aan Protestantse Theologische Universiteit kan daarvoor een mooi platform bieden.

Kinderen, jongeren, geloof en kerk: een brede thematiek die de jongste generatie op het oog heeft: een generatie die, en dat is van alle tijden, spelenderwijs vol verwondering de wereld verkent, daarin experimenteert en ervaringen opdoet. Hoe richten kerken en gezinnen daar de ruimte voor in? Dat is de vraag die mij mateloos boeit. Spelenderwijs ga ik daar maar al te graag mee aan de slag.

Embodiment in youth ministry – in digitalized and other ways

Samen met andere onderzoekers van het Onderzoekscentrum voor Jeugd, Kerk en Cultuur (OJKC) ben ik betrokken bij de International Association for the Study of Youth Ministry (IASYM). Zo was collega Ronelle Sonnenberg een aantal jaren lid van de Executive Committee van IASYM. Voor mij geldt dat ik voorzitter mag zijn van de academic committee die de Europese IASYM conferentie volgend jaar in Tsjechië voorbereidt. Vanaf 2014 begin ik tevens als hoofdredacteur van de Journal of Youth and Theology. De uitdaging is van dit journal een internationaal hoogwaardig wetenschappelijk tijdschrift te maken.

Een grote varieteit aan onderwerpen houdt het internationale gezelschap van onderzoekers en practitioners in het veld van Youth Ministry bezig. Dat blijkt elk jaar weer op onze congressen en ook in de artikelen die in de Journal of Youth and Theology verschijnen. Voor de conferentie in 2014 hebben we een thema gekozen dat de schijnwerpers in het bijzonder zet op de rol van embodiment in relatie tot oude en nieuwe media: ”embodiment in youth ministry – in digitalized and other ways”. De Journal of Youth and Theology zal in 2014 ook een nummer uitbrengen waarin bijdragen over dit thema zijn opgenomen. Hieronder een korte uitwerking van de thematiek zoals deze binnnenkort op de IASYM website zal verschijnen:

More and more, the concept of embodiment or embodied faith is emerging in debates found in youth ministry research. A plea for a bodily or physical approach in youth ministry, in a way, contrasts with the more and more digitalized world and life of young people. Although the internet and new (social) media can enhance multisensory experiences, we need to recognize that the digital world by definition lacks the physical closeness of people in it. At the same time, though, it could still be asked how powerful ´old media´ and forms of aesthetics are in embodying faith? What does this mean for the development of youth ministry, the work of youth ministers and research into the field of youth ministry? The IASYM 2014 European conference is aiming at reflecting the importance of the body, embodiment and multisensory experiences of faith for the field of youth ministry.

De IASYM 2014 conferentie zal gehouden worden van 23 tot en met 26 april 2014 in České Budějovice (Budweis), Tsjechië. De call for proposals zal binnenkort verschijnen op http://www.iasym.net