Meer geloofsbeleving, meer lichaam

Column, te verschijnen in Jente, nr. 24, oktober 2016lichaam

Je kent die oproep wel: “Er moet meer plaats zijn voor beleving in de kerk”. Je zou ook kunnen zeggen: “er moet meer plaats zijn voor het lichaam in de kerk”. Want geloofsbeleving heeft alles met je lichaam te maken. Daarom is het lichaam zo belangrijk in de geloofsopvoeding van kinderen. En dat is veel meer dan aan kinderen leren dat hun lichaam wonderlijk mooi gemaakt is door de Schepper.

Geloven is niet alleen een kwestie van dingen weten over God en de Bijbel. Geloven gaat ook over doen en voelen. Het lichaam speelt daarin een belangrijke rol. Beleving is een lichamelijke ervaring. Als je iets beleeft, ervaar je het bewust met je zintuigen: een omgeving, een gebeurtenis, God. Die bewuste ervaring wordt gevormd door bijvoorbeeld wat je ruikt, wat je voelt met je huid of letterlijk in je onderbuik.

Lichamelijke ervaringen vormen op een bepaalde manier je geloof. Denk maar heel concreet aan hoe de kerkbank zit, de geur van je bijbeltje, het gevoel tijdens het zingen van een lied. Deze lichamelijke ervaringen, op enig moment opgedaan, kun je een heel leven lang met je meedragen.

Het lichaam is op nog een andere manier belangrijk in de geloofsopvoeding. Je lichaam helpt je ook om uiting te geven aan je geloof: denk maar eens aan de houding waarin je bidt, de handen die je opsteekt tijdens een worship moment of de gebaren die je maakt als je met je kinderen spreekt over God. En in de kerk zijn er natuurlijk de sacramenten: het water van de doop dat je voelt, het brood en de wijn die je proeft. In rituelen en sacramenten doet het lichaam volop mee.

Het lichaam heeft dus een belangrijke rol in de vorming van geloof en de expressie van geloof. Geloofsopvoeding moet zich daarom niet beperken tot het spreken, het lezen en het Woord. Bijbelse dagboekjes en een goed gesprek op zijn tijd zijn natuurlijk belangrijk. Maar geloofsopvoeding besteedt ook aandacht aan het doen, voelen en het ritueel.

Meer geloofsbeleving kan dus alleen als er ook meer aandacht voor het lichaam is.

Advertenties

Getuigen en leren getuigen: het hele verhaal

avondmaal“Wat hoorde ik, heb je een steen in de vijver gegooid?!”
“Ik hoorde dat jij het avondmaal wilt openstellen voor kinderen?”
“ik hoorde….

De afgelopen twee weken overkwam me dit een aantal keer. Dat ik mensen ontmoette die ‘hadden gehoord’. Ik had in een korte bijdrage op een HGJB symposium iets over kinderen en avondmaalsviering gezegd en dat blijkt vervolgens aardig doorverteld te zijn. En dat doorvertellen is een logische keuze als het oorspronkelijke verhaal, de tekst van de bijdrage, niet beschikbaar is. Die kon niet gedeeld worden, want die had ik de afgelopen weken netjes bij me gehouden.

Maar ik merk nu dat dat de goede zaak niet dient. Daarom geef ik het hieronder alsnog in zijn geheel vrij. En dat doe ik, zoals altijd, in de hoop dat het een goed gesprek, een goede vraag, een goede gedachte of wat dan ook voor goeds oplevert.

 

Getuigen en leren getuigen in relatie tot avondmaalsviering en belijdenis doen.
Gedachten met het oog op kinderen en jongeren in de gemeente.

Jos de Kock

Bijdrage tijdens HGJB symposium ‘te jong om ja te zeggen?’, 4 juni 2015, Huizen.

 
0. Drie ervaringen.
Ik wil starten met het delen van drie ervaringen. En ik heb daarvoor wat spullen meegebracht.

De eerste ervaring is er eentje van elke zondag. Ik zit dan met mijn vrouw en dochters trouw in de kerk. Dit is mijn bijbel. Herziene statenvertaling. Psalmen oude berijming. Dit is het tasje van Ruth, zij is zeven jaar, groep 3. Met psalmboekje. Leren lezen dus ook leren psalmversjes lezen. Elke week oefent ze in de kerk met het zingen van de psalmen, terwijl ze de woorden mee leest. Psalm 121 was een tijd terug favoriet: ’s Sla d’ogen naar ’t gebergte heen, vanwaar ik dag en nacht des Hoogsten bijstand wacht. Ze zong het zomaar spontaan een keer in een afgeladen sporthal op de tribune toen we naar een bloedstollende partij korfbal aan het kijken waren.

De tweede ervaring is er eentje van eens per jaar. Het traditionele pinksterkamp van de jeugdvereniging. Jaarlijks hoogtepunt. Niet alleen vanwege sport en spel en de corvee; of omdat ik meega. Maar ook vanwege tijd voor samen zingen, bijbelstudie en stille tijd. Dit jaar met het thema “meer dan genoeg – geloven in afhankelijkheid”. Hier het kampboekje. Een van de bijbelstudies had duidelijk impact op de jongeren. Voor de een bleek de lange stilte voor het persoonlijk stil bijbellezen confronterend en maakte het nodige los. Voor weer een ander was er een herkenning en bemoediging in het gezongen lied: “De hemel zal niet wachten en de aarde gaat voorbij”.

De derde ervaring heeft geen vaste frequentie. Maar gisteren deden we het nog: dansen door de kamer met heel hard Marcel en Lydia Zimmer op. Dit is het CD hoesje. De verzameling breidt de afgelopen jaren uit. Dit is het kadootje voor de doopverjaardag eerder deze week van Esra, mijn andere dochter. En zo trakteerden mijn dochters en ik de buren gisteren op een hartstochtelijk zingen “Ik zal U loven met heel mijn hart, Ik zal U eren met heel mijn verstand… “ enzovoorts.

1. Te jong? Belijden en getuigen.
“Te jong om ja te zeggen?” De vraag hoe het komt dat een jonge generatie, van wie je het wel hoopt of verwacht, al dan niet overgaat tot het doen van belijdenis vind ik eerlijk gezegd interessanter dan de vraag waarom ze dat op steeds latere leeftijd zouden doen. Maar het een heeft natuurlijk te maken met het ander. Vaak wordt betoogd dat de afnemende betrokkenheid van jongeren bij instituten als de kerk de oorzaak is van de terugloop in het aantal belijdenissen. Ongebondenheid, individualiteit en lossere vormen van gemeenschap passen meer bij jongeren van nu. Dat is een fenomeen dat ook opgaat voor politieke partijen en vakbonden. Ik denk dat dat een belangrijk punt is, maar het is niet het hele verhaal. Het afzien van belijdenis doen zegt namelijk ook iets over de betekenis die jongeren geven aan geloven en aan geloofspraktijken in de kerk.

Ik denk dat lang niet alle jongeren die afzien van de openbare belijdenis, niet zouden willen of kunnen belijden. Mijn indruk is in de eerste plaats dat voor een deel van de jongeren geldt dat zij best kunnen en willen belijden, en dat ook al in praktijk brengen, in de betekenis van getuigen. Getuigen van de Heer is een van de vier motieven van openbare belijdenis: de andere drie zijn: doop-beaming, medeverantwoordelijkheid willen dragen in de gemeente van Christus en trouw te blijven bij de gemeenschap van Woord en sacramenten. Jongeren die willen getuigen ervaren tegelijkertijd schroom of moeite op het vlak van die andere drie motieven: zij hebben vragen en twijfels rond doop, verantwoordelijkheid, trouw en bestaande geloofspraktijken.

In de tweede plaats is mijn indruk dat veel jongeren schroom hebben om ongetwijfeld te getuigen. Zij geloven wel, of misschien wel, soms ook niet misschien, of vragen zich af of ze geloven, of hoe ze dat moeten weten, wat dat eigenlijk is, etcetera. Voor deze groep geldt dat vragen rond trouw en verantwoordelijkheid gewoonweg worden overschaduwd door geloofsvragen.

2. Getuigen en leren getuigen. Met speciale aandacht voor avondmaalsviering.
Deze indrukken roepen bij mij twee vragen op: (1) hoe kunnen we kinderen en jongeren in de christelijke gemeente dienen bij het getuigen van de Heer en het leren getuigen van de Heer (incluis alle twijfels en vragen daaromheen)? En (2) welke consequenties heeft dat voor de praktijk van de (openbare) belijdenis in het midden van de gemeente?

Zonder mensen in hokjes te willen stoppen, is het zinvol om onderscheid te maken in verschillende groepen. In de eerste plaats is daar de groep jongeren die wel kunnen en willen getuigen maar die schroom of moeite hebben om verantwoordelijkheid te dragen en zich te verbinden met de geloofsgemeenschap. Met het oog op deze groep is het belangrijk om te bedenken dat verantwoordelijkheid iets is dat je moet leren: in de tiener- en jongvolwassene leeftijd. Geef deze jongeren dus verantwoordelijkheid in de gemeente. Denk bijvoorbeeld aan die pinksterkamp ervaring: geef jongeren verantwoordelijkheid om samen een bijbelstudie vorm te geven en om samen een kamp te organiseren. Daarnaast denk ik aan vormen van catechese waar jongeren zelf zaken mogen voorbereiden. Ook het samenwerken met volwassen gemeenteleden, bij het uitvoeren van activiteiten in de gemeente kan helpen..

In de tweede plaats is daar de groep jongeren die zich soms wel of soms niet verbinden met de geloofsgemeenschap maar geloofsvragen hebben die de zin in het dragen van verantwoordelijkheid overschaduwen. Met het oog op deze groep is het belangrijk dat zij plekken en ontmoetingen hebben waarin die vragen gesteld kunnen worden. Dat vraagt om goede geloofsopvoeding thuis waarin twijfel en vragen serieus genomen worden, en dus vraagt het ook om ondersteuning van ouders (opvoedkringen etcetera) om hieraan vorm te geven. Het vraagt om goede getuigende voorbeelden waaraan jongeren zich kunnen optrekken. En deze jongeren zijn gedien met vormen van catechese waar dit soort twijfel serieus genomen wordt en onderwerp van gesprek zijn.

En dan is daar, in de derde plaats, nog de groep van hele jonge jongeren: de kinderen in de gemeente, die heel wel getuigen van de Heer of daar op hun manier in aan het zoeken zijn, en waarvan redelijkerwijs geen grote verantwoordelijkheid mag verwacht worden. Zij getuigen en leren getuigen op de manier zoals met dat psalmboekje en in de sporthal. Of in de huiskamer met een cdtje opgezet. Samen psalmen (leren!) zingen, en samen dansen met de familie Zimmer. Kijken naar mooie platen in de kinderbijbel en meedoen met actie schoenendoos.

Al deze antwoorden komen u bekend voor. Er wordt veelvuldig over geschreven en gesproken: een goede geloofsopvoeding thuis, goede voorbeelden in de gemeente waar je je aan op kunt trekken, het zogenaamde ‘gesprek tussen de generaties’, goede vormen van catechese die aansluiten bij de leeftijdsgroep, opvoedingskringen voor ouders, goede aandacht in het gezin etcetera. En ik vind dat ook allemaal belangrijk.

Een ander, mijns inziens belangrijk, antwoord, dat veel minder vaak wordt gegeven is deze: de christelijke gemeente kan kinderen en jongeren dienen met de praktijk van het avondmaal. Dit antwoord mag mijns inziens niet ontbreken. In de drie ervaringen die ik schetste, psalmen zingen in de kerkbank, dansen door de kamer, en samen zijn op pinksterkamp, speelt vieren een belangrijke rol. Vieren door te zingen, door te dansen, door samen te zijn. Dat vieren beperkt zich niet tot het bijwonen van een kerkdienst of het horen van een preek. In het vieren wordt getuigd van de Heer en op hetzelfde moment wordt het geloof gezocht en opnieuw gevonden, het wordt geleerd. Ook, of beter gezegd, juist, het avondmaal is een uitgelezen plek om te getuigen van de Heer en de uitgelezen plek om dat getuigen steeds opnieuw te leren. Het avondmaal dient of helpt (a) het zien op Jezus en (b) de verkondiging , het getuigen van Zijn dood.

Leren getuigen in de avondmaalsviering gebeurt niet door in jezelf te kijken, maar door te zien op Jezus: dat is de kijkrichting van het leerproces. Dít belijden, opgevat als het getuigen van de Heer, is nooit een toestand waarin iemand zich bevindt, maar altijd een leerproces. Oftewel: leren door te participeren, deel te nemen aan de geloofsgemeenschap. Dat is wat er bij de avondmaalsviering gebeurt. En dat is wat de christelijke gemeente, denk ik, moet gunnen aan alle leeftijden, dus ook aan kinderen en jongeren.

Wij komen overigens in kleinere en grotere onderzoeken, uitgevoerd door studenten of binnen ons Onderzoekscentrum voor Jeugd, Kerk & Cultuur, ook steeds weer op het spoor van de nauwe verwevenheid van geloofsleren en vieringen. Vieren = leren. En wel op een hele rijke manier: niet alleen leren door cognitief bezig te zijn, maar ook door actief te handelen, deel te nemen, door samen te zijn met anderen en door onderdeel te zijn van een geloofsgemeenschap. En precies al deze elementen zitten vervat in die avondmaalsviering. Bovendien: In het vieren van het avondmaal doen alle zintuigen mee; het is niet slechts verstandelijk wat informatie uitwisselen met elkaar. En in de avondmaalsviering ben je niet aan het geven maar aan het ontvangen. Ook dit multisensorische en ontvangende van de deelname aan deze viering sluit nauw aan bij waar opgroeiende kinderen en jongeren gebaat bij zijn.

Ik besef dat avondmaalspraktijken doorgaans voor kinderen en jongeren niet zo aantrekkelijk zijn. Veel jongeren zien er weinig in. Zitten erbij te kijken. En dat is ontzettend jammer. De potentie is zoveel groter. Je zult op dit punt dus ook kritisch moeten kijken naar huidige avondmaalspraktijken. En natuurlijk kun je niet zomaar alle kinderen op het avondmaal afsturen en hoort er wel uitleg en voorbereiding bij. Die avondmaalsviering moet ingebed zijn in dit: die bijbel, het psalmboekje, de cd het pinksterkampboekje etcetera: een voortdurend proces van uitleg en voorbereiding, van geloofsopvoeding en inwijding: thuis en in de gemeente. Belijdenis doen heeft alles te maken met getuigen en inwijding in de geloofsgemeenschap. Die Inwijding gaat niet vooraf aan de avondmaalsviering, maar avondmaalsviering ís inwijding, ís getuigen én léren getuigen. En nóg een belangrijke kanttekening: met kinderen en jongeren aan het avondmaal ziet de belijdenispraktijk er niet automatisch beter uit. Maar het mag wat mij betreft niet onbenut blijven.

3. Consequenties voor de praktijk van (openbare) belijdenis.
Goed. Nu naar die tweede vraag: de consequenties voor de praktijk van de openbare belijdenis. In de eerste plaats: Daar waar de gemeente aan kinderen en jongeren gelegenheid biedt om te getuigen en te leren getuigen kan dat een goede voedingsbodem zijn voor het ontwikkelen van verantwoordelijkheid en trouw in de gemeente. En dat is weer belangrijk voor het afleggen van belijdenis. Dat kan op verschillende manieren: De een geef je verantwoordelijkheid, de ander moet geloofstwijfels op tafel kunnen leggen; Weer anderen, zoals ik, gaan zingen en dansen. Maar ook geldt: het kan door het samen vieren van de maaltijd van de Heer.

In de tweede plaats: als jongeren zich niet klaar voelen voor het dragen van verantwoordelijkheid in de kerk kan dat gewoon een legitieme reden zijn om geen belijdenis te doen. Maar als de reden gezocht moet worden in de gebruiken en praktijken van de gemeente die in de ogen van jongeren niet passen bij de roeping van de christelijke gemeente, dan is er huiswerk voor de hele gemeente. Jongeren zijn een belangrijke spiegel voor de gemeente. Zijn geloofspraktijken in de gemeente werkelijk vieringen, zijn ze getuigend van de Heer? Kunnen kinderen en jongeren echt mee vieren in de gemeente? De praktijk van belijdenis doen moet niet verworden tot een inwijding in de status quo maar moet ruimte bieden aan persoonlijke en soms kritische geloofsgetuigenissen.

Tot slot, in de derde plaats: een belijdenis in termen van commitment, trouw en verantwoordelijkheid mag verwacht worden op de weg naar volwassenheid: voor de een als jongvolwassene, voor de ander als adolescent, voor weer een ander veel later. Die vorm van belijdenis, die we kennen als openbare belijdenis in het midden van de gemeente, ligt mijns inziens wel verankerd in het getuigen van de Heer. Het is prachtig als getuigen leidt tot openbare belijdenis. Dat mag je ook hopen en verwachten. Maar: meer dan over het aantal belijdenissen, meer dan over de leeftijd waarop dat gedaan wordt, zou de christelijke gemeente zich moeten bekommeren over het getuigen en leren getuigen. Met dit dus: de bijbel, het psalmboekje, een cdtje, een kampboekje, met twijfel, met kritiek, met verantwoordelijkheid en goede voorbeelden om jongeren heen, maar ook met een tafel, met brood en wijn.

===

(Noot: Binnen de Protstantse Kerk is in veel gemeenten uiteraard al de praktijk dat kinderen/jongeren aan het avondmaal (mogen) gaan, maar dat geldt niet voor het overgrote deel van de gemeenten in het achterland van de HGJB.)

kinderen-jongeren-geloof-kerk: wat gebeurt er in onderzoeksland?

research fotoIn Christelijk Weekblad van 21 maart 2014 staat onderstaande bijdrage van mijn hand als voorschot op de studiedag Re-search & Re-act op 28 maart (http://www.ea.nl/researchreact)

Kerkelijk jeugdwerk kan profiteren van wetenschappelijk onderzoek. Er gebeurt op dat terrein van alles in binnen- en buitenland maar wat kan de jeugdwerker er in de praktijk mee? Jos de Kock neemt een voorschot op een studiedag over dat onderwerp.

Op 28 maart vindt in Ede de studiedag Re-search & Re-act plaats. In kort bestek worden daar de laatste onderzoeken op het gebied van jeugd en kerk gepresenteerd aan iedereen die betrokken is bij kinderen en jongeren en de kerk. Bovendien is er aandacht voor de vraag: wat kan ik ermee, als jongerenwerker, predikant, als ouder of als beleidsmaker?

Er komen niet minder dan twaalf onderzoekers aan het woord. Ik mag ingaan op de stand van zaken in onderzoek naar het brede thema van kinderen, jongeren, geloof en kerk. Kinderen in de kerk, jongeren en de toekomst van de kerk, de geloofsopvoeding in het gezin: het zijn geliefde onderwerpen op kerk- en geloofpagina’s, in programma’s en op websites van diverse christelijke media. Maar wat weten we er eigenlijk echt van?

Er is veel ervaringskennis en die is zonder meer van belang. Maar meer systematisch inzicht in de geloofsontwikkeling en geloofsopvoeding van kinderen en jongeren is ook nodig: dat kan dienstbaar zijn aan de praktijk van ouders, vrijwilligers en professionals in de kerk. Ik denk dat er nog ontzettend veel valt te ontdekken.

Wat valt er op dit moment op in onderzoeksland, nationaal en internationaal? Ik kan niet alles de revue laten passeren maar schets drie hoofdlijnen en selecteer daarbinnen een klein aantal voorbeelden van onderzoek.

Een eerste hoofdlijn is dat in internationale onderzoeksliteratuur veelvuldig geschreven wordt over de ‘theologie van jongeren en jongerenwerk’ met vaak het concept discipelschap als onderwerp. Verschillende auteurs proberen het werken met jongeren in de kerk te doordenken vanuit het discipel zijn van Jezus. Kerkelijk jongerenwerk zou dan gericht moeten zijn op het ontwikkelen van een christelijke levenswandel en levenshouding van jongeren.
Bij deze benadering past ook dat de jeugdleider een goed voorbeeld moet zijn: aan hem of haar moeten jongeren kunnen aflezen wat het volgen van Jezus concreet inhoudt.

In een tweede hoofdlijn treedt een aantal centrale thema’s van empirisch onderzoek op de voorgrond. Ik geef hier twee voorbeelden van die thema’s.
Veel onderzoeken leggen het belang bloot van het multisensorische karakter van geloven: niet alleen aandacht voor lezen, praten en denken maar ook concreet ervaren en doen. In dat kader wordt onderzoek gedaan naar de impact en werking van jongerenevents, zoals concerten en festivals, voor het geloven van jongeren. En hoe werken Taizé-vieringen of Passion-uitvoeringen uit op het geloof van jongeren?

Hoe je ook denkt over de vaak gehoorde oproep om meer ‘beleving’ in de kerk, beleving op zichzelf is erg belangrijk voor de geloofsontwikkeling van jongeren. Beleving gaat vaak niet zonder belichaming van geloof. Dat kunnen zichtbare voorbeeldgelovigen in de omgeving van kinderen en jongeren zijn, maar ook rituelen en vieringen in de kerk of het gezin. Zij laten ruimte voor ervaringen en het voelen en uiten van emoties.

Wat is de vormende werking van vieringen, of het nu gaat om een klassieke kerkdienst of een relipopfestival, en welke rol hebben deze in de geloofsontwikkeling van jongeren? Op welke wijze kunnen christelijke rituelen in het gezin gestalte geven aan de geloofsopvoeding?

De laatste vraag raakt aan een ander opvallend thema dat op steeds meer aandacht mag rekenen in het internationale onderzoeksveld: de rol van ouders en het gezinsleven voor de godsdienstige ontwikkeling van kinderen en tieners. Ouders zijn de primaire opvoeders van een nieuwe generatie en in het gezin vindt een belangrijk deel van het leren en geloofsleren plaats.

Daniëlle van de Koot-Dees kwam vorig jaar met een inzichtgevend proefschrift over de rol van geloven in de opvoeding in jonge gezinnen in Amsterdam. Dat onderzoek vraagt om een vervolg. Het belang van de geloofsopvoeding in het gezin neemt alleen maar toe waar in het algemeen de binding met de kerk als instituut afneemt. Hoe kunnen ouders en kerken op nieuwe manieren gestalte geven aan een leergemeenschap voor een nieuwe generatie?
In Nederland zijn relatief nieuwe praktijken als ‘Kerk op schoot’ en Godly Play voorbeelden om in dit kader verder te onderzoeken. Een aantal studenten aan de PThU geeft hier bijvoorbeeld al op kleine schaal uitvoering aan.

Een derde hoofdlijn is de constatering dat er globaal twee manieren zijn waarop het brede thema van kinderen, jongeren, geloof en kerk onderzoeksmatig wordt benaderd. In de eerste benaderingswijze is jongerenwerk ingebed in een kerkelijke geloofsgemeenschap. Voorbeelden hiervan is onderzoek naar catechesepraktijken. In Nederland is daar opvallend veel animo voor.

In de tweede benaderingswijze is jongerenwerk ingebed in universele zingevingsvragen. Vanuit een christelijk perspectief werken met kinderen en jongeren is een bijzondere manier om dienstbaar te zijn aan een nieuwe generatie die zoekt naar zin en betekenis in het leven. Deze benadering sluit een kerkelijke invulling van het jongerenwerk niet uit maar vraagt wel meer oog voor geloven en geloofsgemeenschappen die niet of minder institutioneel verbonden zijn. Een Nederlands onderzoek dat hieraan raakt is het onderzoek van Harmen van Wijnen naar de werking van zogenaamde small groups van jongeren.

Er is veel beweging in het kinder- en jongerenwerk in Nederlandse kerken en een groot aantal organisaties en bewegingen in en om de kerk investeren daarin. In diverse fora, denktanks en netwerken ontmoeten professionals in het kinder- en jongerenwerk elkaar en werken daar aan verbetering en vernieuwing van praktijken van geloofsopvoeding.

Er moet meer en structureel (academisch) onderzoek worden gedaan naar kinderen, jongeren, geloof en kerk. Dit kan gelijk oplopen met wetenschappelijke vorming van toekomstige predikanten en kerkelijk werkers en de beroepsgerichte vorming van alle professionals die zich willen specialiseren in deze thematiek.

Dr. A. de Kock is godsdienstpedagoog en universitair docent aan de Protestantse Theologische Universiteit (www. pthu.nl). Hij is onderzoeker bij het Onderzoekscentrum voor Jeugd, Kerk en Cultuur (www.ojkc.nl) en is hoofdredacteur van Journal of Youth & Theology (www.iasym.net)

 

Meer academische aandacht voor kinderen, jongeren, kerk en geloof

Deze week is de week van de opvoeding. Voor de derde keer is deze week in Nederland gelanceerd. Het thema dit jaar is: Word spelenderwijs. Want spelenderwijs ontdekken kinderen de wereld om zich heen. Dat is leuk en leerzaam tegelijk. De initiatiefnemers van deze week stellen: “Het is belangrijk om kinderen de ruimte te bieden om vol verwondering te verkennen, te experimenteren en te ervaren.”

En zo is het. En zo is het ook in de geloofsopvoeding, thuis en in de kerk. Kinderen en jongeren moeten vol verwondering kunnen verkennen, experimenteren en ervaren als het gaat om geloven. Althans, dat is een veel verwoorde opvatting in debatten over kerk en de opvoeding van een nieuwe generatie kinderen en jongeren. Kinderen in de kerk, jongeren en de toekomst van de kerk, de geloofsopvoeding in het gezin: het zijn geliefde onderwerpen op kerk- en geloofpagina’s, in programma’s en op websites van diverse christelijke media. Maar wat weten we er eigenlijk echt van?

Er is ontzettend veel ervaringskennis natuurlijk en dat is zonder meer van belang. Maar meer systematisch inzicht in de geloofsontwikkeling en geloofsopvoeding van kinderen en jongeren in deze tijd is ook nodig: dat kan dienstbaar zijn aan de praktijk van ouders, vrijwilligers en professionals in de kerk en de reflectie op die praktijk. Ik denk dat er nog veel valt te ontdekken. Ik pleit daarom voor meer en structurele academische aandacht voor het brede thema van kinderen, jongeren, geloof en kerk. In termen van de week van de opvoeding: Waar en hoe kan er worden gespeeld? Waar is de verwondering in de geloofsopvoeding? Hoe ontstaat ruimte om het geloof te verkennen en te experimenteren met een gelovige praktijk? Hoe kunnen ouders en de kerk daar dienstbaar aan zijn en wat werkt dat uit? Waar en hoe wordt het geloof door kinderen en jongeren daadwerkelijk ervaren?

Midden in deze week van de opvoeding houd ik vandaag in het kader van de lezingencyclus De kerk leeft! aan de Christelijke Hogeschool Ede een bijdrage over de kerk als leergemeenschap. Ik denk inderdaad dat de kerk leeft; ik denk echter niet dat in deze tijd die (leer)gemeenschap vanzelfsprekend is gegeven door het instituut kerk of het instituutje plaatselijke gemeente. Ik betoog in mijn lezing dat om een nieuwe generatie in te wijden in het christelijk geloof houvast gezocht moet worden in principes als leren door doen en leren door ontmoeting. Het houvast moet bovendien meer en meer gezocht worden in gemeenschappen van gelovigen die minder organisatorisch en institutioneel en meer organisch en spontaan zich aandienen.

In het licht van die analyse denk ik dat op dit moment tenminste vier thema’s centraal moeten staan in academisch onderzoek en onderwijs op het gebied van kinderen, jongeren, geloof en kerk.

Ten eerste: de rol van ouders in de geloofsopvoeding. Ouders zijn de primaire opvoeders van een nieuwe generatie en in het gezin vindt een belangrijk deel van het leren en geloofsleren plaats. Collega Daniëlle van de Koot-Dees leverde onlangs een inzichtgevend proefschrift op over de rol van geloven in de opvoeding in jonge gezinnen in Amsterdam. Dat onderzoek vraagt om een vervolg. Het relatieve belang van de geloofsopvoeding in het gezin neemt alleen maar toe waar in z’n algemeenheid de binding met de kerk als instituut afneemt. Hoe kunnen ouders en kerken op nieuwe manieren gestalte geven aan een leergemeenschap voor een nieuwe generatie?

Ten tweede: de rol of functie van beleving en belichaming in de geloofsgemeenschap. Hoe je ook denkt over de vaak gehoorde oproep om meer ‘beleving’ in de kerk, beleving op zichzelf is erg belangrijk voor de geloofsontwikkeling van jongeren. En beleving gaat vaak niet zonder belichaming van geloof. Dat kunnen zichtbare, tastbare voorbeeldgelovigen in de omgeving van kinderen en jongeren zijn; dat kunnen ook de rituelen en vieringen in de kerk of in het gezin zijn die ruimte laten voor ervaringen en het voelen en uiten van emoties. Wat is de vormende werking van uiteenlopende vieringen, of het nu gaat om een klassieke kerkdienst of om een relipopfestival, en welke rol hebben deze in de geloofsontwikkeling van jongeren? Op welke wijze kunnen christelijke rituelen in het gezin gestalte geven aan de geloofsopvoeding?

Ten derde: de rol of functie van nieuwe (sociale) media in de geloofsontwikkeling van kinderen en jongeren. Nieuwe media bieden kansen om op nieuwe manieren aan geloofsgemeenschappen gestalte te geven. De vraag is ook hoe zich dat verhoudt tot het belang van belichaming van geloof. Wat betekent het gebrek aan fysieke nabijheid voor de geloofsontwikkeling? Wat kan wel en niet verwacht worden van bijvoorbeeld een internetkerk of van het virtuele netwerk van christenen wereldwijd voor de geloofsontwikkeling van een nieuwe generatie?

Ten vierde: de vormende werking van diaconale en missionaire kerkpraktijken. Gemeenteleden, niet zelden jongeren, worden in diaconale en missionaire activiteiten via de buitenkerkelijke context uitgedaagd om stil te staan bij het eigen geloven en de eigen traditie, bij eigen antwoorden en eigen geloofspraktijken. Zij leren vaak dat het geloof niet zomaar in woorden te vangen is. Diaconale en missionaire presentie schept leeromgevingen die binnen de kerkmuren maar moeilijk zijn te organiseren. Leveren deze praktijken de nieuwe gemeenschappen op waarin nieuwe generaties van binnen én buiten de kerkmuren ingewijd worden in het christelijk geloof? En: welke factoren dragen bij aan het ontstaan van duurzame geloofsgemeenschappen onder jongeren, als een institutionele band met een kerk niet (meer) relevant, haalbaar of zelfs onwenselijk is?

Er is veel beweging in het kinderwerk en jongerenwerk in kerken in Nederland. Een groot aantal organisaties en bewegingen in en om de kerk investeren daarin. In diverse fora, denktanks en netwerken ontmoeten professionals in het kinder- en jongerenwerk elkaar en werken daar aan verbetering en vernieuwing van praktijken van geloofsopvoeding. Ik acht het nodig dat er ook meer en structureel academisch onderzoek wordt gedaan naar het brede thema van kinderen, jongeren, geloof en kerk. Dit kan gelijk oplopen met wetenschappelijke vorming van toekomstige predikanten in de kerk en andere professionals die zich willen specialiseren in deze thematiek. Het Onderzoekscentrum voor Jeugd, Kerk & Cultuur dat verbonden is aan Protestantse Theologische Universiteit kan daarvoor een mooi platform bieden.

Kinderen, jongeren, geloof en kerk: een brede thematiek die de jongste generatie op het oog heeft: een generatie die, en dat is van alle tijden, spelenderwijs vol verwondering de wereld verkent, daarin experimenteert en ervaringen opdoet. Hoe richten kerken en gezinnen daar de ruimte voor in? Dat is de vraag die mij mateloos boeit. Spelenderwijs ga ik daar maar al te graag mee aan de slag.

Beleving is te leren. Waarom de traditionele kerkdienst niet passé is.

Zowel in het Friesch Dagblad als in het Reformatorisch Dagblad verscheen een verslag van een studiemiddag over “Het Heilige Gebeurt” van collega Immink. Het ene verslag kreeg de titel “Zonder beleving is jongere generatie weg”. Het andere “Zonder beleving haakt jonge generatie af”.

In de debatten over de kerkdienst en de jonge generatie neemt ‘beleving’ altijd een centrale plek in. De redenering is doorgaans als volgt. Jongeren zijn op zoek naar beleving. Jongeren vinden in de traditionele kerkdienst weinig tot geen beleving. Dat is ook niet zo gek, want de traditionele kerkcultuur staat ver af van de hedendaagse cultuur en jongerencultuur. Als er nu niet snel meer te beleven valt in de kerkdienst zie je de jongere generatie niet meer komen. Waar je ze nog wel ziet komen zijn de bijeenkomsten met een meer evangelische en/of charismatische inslag. Daar staat de beleving wel centraal en daar vinden jongeren dus wat ze zoeken: beleving. De traditionele kerkdienst heeft dus zijn langste tijd gehad.

Beleving is inderdaad erg belangrijk voor de geloofsontwikkeling van jongeren. Een woord uit het vakjargon dat in dit verband vaak wordt gebruikt is: embodiment, wat zoveel betekent als dat geloven niet alleen rationele en cognitieve dimensies heeft maar ook lichamelijke dimensies en besloten ligt in handelingen en ervaringen. In dat verband zijn rituelen en ruimte voor expressie belangrijke elementen in bijeenkomsten waar geloven centraal staat.

Echter, beleving is niet simpelweg iets dat je op de ene plek wel aantreft en op de andere niet. Beleving is iemands bewuste ervaring van iets: een omgeving, een gebeurtenis, God. De inrichting van een kerkdienst, de liturgie, de rituelen, de manier en inhoud van het zingen etc. zijn allemaal zaken die het mogelijk maken die beleving te uiten (expressie). Maar niet alleen dat. Diezelfde onderdelen van een kerkdienst vormen de geloofsbeleving. Het ritueel, de liturgie, de manier van zingen en andere vormen van expressie: het zijn allemaal zaken die iemand zich eigen maakt door erin te participeren, het af te kijken van anderen, ondersteund door de nodige uitleg en de ervaringsverhalen van anderen. Geloofsbeleving is dus ook het resultaat van een leerproces waarin anderen in de geloofsgemeenschap jou hebben gevormd.

Omdat de beleving zou ontbreken heeft de traditionele kerkdienst zijn langste tijd gehad. Maar dat is nog maar de vraag. Ook de traditionele kerkdienst zit vol potentieel voor geloofsbeleving. Voor jongeren geldt echter dat de “business as usual” in die kerkdienst hen onvoldoende heeft gevormd om die geloofsbeleving te ervaren. De rituelen zijn ‘dingen’ geworden die rationeel ‘ten uitvoer worden gebracht’, waar weinig ervaring van af te lezen is en waarover te weinig zielen een ervaringsverhaal met je wensen te delen.

Bijeenkomsten met een meer evangelische en/of charismatische inslag doen het bij jongeren beter. Maar dat is niet omdat daar meer te beleven zou zijn maar omdat jongeren daar beter hebben geleerd om wat te beleven.