Hoe krijg je jongeren meer betrokken bij het avondmaal?

Na eerdere bijdragen over kinderen en het vieren van het avondmaal (zie Laat kinderen het avondmaal vieren en Getuigen en leren getuigen: het hele verhaal), nu een bijdrage over jongeren en het vieren van het avondmaal. Deze bijdrage verscheen vorige week onder de titel “Hoe krijg je jongeren meer betrokken bij het avondmaal?” op de website van JOP, jongerenorganisatie van de protestantse kerk. Zij vatten op de website het onderzoek naar de participatie van jongeren aan avondmaalspraktijken van collega Ronelle Sonnenberg en mij netjes samen. Het is te lezen via deze link.

Advertenties

Volwassen worden in de kerk

In 2014 verscheen onder de titel Waarom zou je volwassen worden? een Nederlandse vertaling van het boek Why grow up? Philosophy in transit van Susan Neiman. Het boek van Neiman is een bijdrage vanuit de filosofie aan het maatschappelijke debat over wat volwassenheid inhoudt en waar volwassenheid goed voor is.

Deze zomer verscheen in het tijdschrift Radix een artikel van mijn hand onder de titel Volwassen worden in de kerk. In dat artikel ga ik in op de boodschap van het boek van Neiman en maak ik een toepassing op de context van (religieuze opvoeding in) de kerk. Ik geef daarin onder andere een schets van hoe idealen en in het bijzonder het volwassenheidsideaal functioneren in kerken.  En uiteraard ga ik in op de vraag: wat betekent volwassen worden in de kerk?

Die vraag is overigens een goede vraag om jezelf te stellen als je op wat voor manier in de kerk verantwoordelijkheid draagt voor kinder- of jeugdwerk. en het is een goede vraag om jezelf te stellen als je op wat voor manier in de kerk verantwoordelijkheid draagt voor het werken met volwassenen. Eigenlijk is Wat betekent volwassen worden in de kerk? een hele goede vraag voor de kerk in zijn geheel.

Wat betekent volwassen worden in de kerk? Zegt u het maar.

 

Naar aanleiding van:
De Kock, A. (2017). Volwassen worden in de kerk. Radix43(2), 78-84.

 

Mogelijkheid onderzoekssamenwerking kinderen/jongeren & geloof

Er is een interessante mogelijkheid tot onderzoekssamenwerking op het gebied van kinderen/jongeren & geloof:

Gepromoveerde predikanten en andere gepromoveerde theologen hebben nu de mogelijkheid om aan de PThU als geassocieerd onderzoeker te werken aan wetenschappelijk onderzoek en een wetenschappelijke publicatie.

Diverse collega’s uit de verschillende onderzoeksgroepen zijn bereid om daarin met je samen te werken. Dat geldt natuurlijk ook voor mij. Dus: ben jij gepromoveerd predikant/theoloog en geinteresseerd in verder empirisch praktisch theologisch onderzoek op het gebied van kinderen/jongeren & geloof? Neem dan gerust contact met me op. Meer informatie is hier te vinden.

Jos de Kock doet onderzoek op het terrein van kinderen/jongeren & geloof; het snijvlak van leren en vieren; vormgeving van en resultaten van catechesepraktijken; begeleiden van leerprocessen in de christelijke gemeente;  en godsdienstige vorming in geloofsgemeenschappen, waaronder scholen. Het onderzoek betreft praktisch theologisch onderzoek met een sterke empirische component en de discipline van de godsdienstpedagogiek is het specialisme van De Kock.

Working group “Children and Youth”

Glad to announce:

This month I started the Working Group “Children & Youth” within the International Academy of Practical Theology:

Working Group “Children & Youth” –  The IAPT working group of practical theological research on faith practices with children and youth

Contact: Jos de Kock 

Important part of the study of and critical reflection on practical theological thought and action is how practical theologians (scholars and practitioners alike) and religious practices of all sorts are dealing with what might be called the issue of “the next generation”. The working group “Children & Youth” is a group in which the issue of “the next generation” is addressed, directed towards international, interracial, and ecumenical dialogue and understanding.

AIM

The aim of the working group is

  • To share and discuss results of current practical theological studies in the field of faith practices with children and youth;
  • To serve scholarship in the broad field of children, youth, faith, theology and culture.
  • To interconnect the networks and resources of the discipline of religious education, the discipline of youth ministry and children’s ministry, the
  • discipline of children’s spirituality and the discipline of child and youth theology.

TASKS

  • To organize (in close cooperation with the planning committee) of a thematic papers session and/or a round table session during each IAPT conference in which the conference main theme is applied to the field of children & youth;
  • To stimulate expert/collegial meetings in between the IAPT conferences, for example during conferences of other international associations and networks;
  • To stimulate international co-authored practical theological publications in the field of faith practices with children and youth.
    All members of the IAPT are invited to join this working group and/or to share their ideas in order to achieve our aim.

(Executive Committee Liaison: Annemie Dillen)

Meer geloofsbeleving, meer lichaam

Column, te verschijnen in Jente, nr. 24, oktober 2016lichaam

Je kent die oproep wel: “Er moet meer plaats zijn voor beleving in de kerk”. Je zou ook kunnen zeggen: “er moet meer plaats zijn voor het lichaam in de kerk”. Want geloofsbeleving heeft alles met je lichaam te maken. Daarom is het lichaam zo belangrijk in de geloofsopvoeding van kinderen. En dat is veel meer dan aan kinderen leren dat hun lichaam wonderlijk mooi gemaakt is door de Schepper.

Geloven is niet alleen een kwestie van dingen weten over God en de Bijbel. Geloven gaat ook over doen en voelen. Het lichaam speelt daarin een belangrijke rol. Beleving is een lichamelijke ervaring. Als je iets beleeft, ervaar je het bewust met je zintuigen: een omgeving, een gebeurtenis, God. Die bewuste ervaring wordt gevormd door bijvoorbeeld wat je ruikt, wat je voelt met je huid of letterlijk in je onderbuik.

Lichamelijke ervaringen vormen op een bepaalde manier je geloof. Denk maar heel concreet aan hoe de kerkbank zit, de geur van je bijbeltje, het gevoel tijdens het zingen van een lied. Deze lichamelijke ervaringen, op enig moment opgedaan, kun je een heel leven lang met je meedragen.

Het lichaam is op nog een andere manier belangrijk in de geloofsopvoeding. Je lichaam helpt je ook om uiting te geven aan je geloof: denk maar eens aan de houding waarin je bidt, de handen die je opsteekt tijdens een worship moment of de gebaren die je maakt als je met je kinderen spreekt over God. En in de kerk zijn er natuurlijk de sacramenten: het water van de doop dat je voelt, het brood en de wijn die je proeft. In rituelen en sacramenten doet het lichaam volop mee.

Het lichaam heeft dus een belangrijke rol in de vorming van geloof en de expressie van geloof. Geloofsopvoeding moet zich daarom niet beperken tot het spreken, het lezen en het Woord. Bijbelse dagboekjes en een goed gesprek op zijn tijd zijn natuurlijk belangrijk. Maar geloofsopvoeding besteedt ook aandacht aan het doen, voelen en het ritueel.

Meer geloofsbeleving kan dus alleen als er ook meer aandacht voor het lichaam is.

Offeren

 

kerstsnoep

Column, verschenen in Jente, nr. 19, december/januari 2015/2016, p. 51

 

Offeren

 

Alles is te koop. Opvoeden ook?

Je kent die openingszinnetjes wel: “We leven deze weken toe naar kerst”. En dan weet je hoe laat het is: er volgt een verhaaltje over het thema “verwachting”, over de betekenis van kerst en met een aansporing tot het een of het ander in deze donkere tijd.

Ik heb een ander openingszinnetje gekozen: “Alles is te koop”. Want zeg nu zelf: wat hebben advent en kerstfeest nu met opvoeding te maken? We lezen in de Bijbel over de geboorte van de Here Jezus maar niet uitgebreid over hoe Hij opgevoed wordt. Bovendien lezen we ook niet over hoe Jezus een gezin runt, zoals jij dat elke dag wél moet doen.

Ik dacht wel: op weg naar kerst is alles te koop. Nou ja, alles? In ieder geval heel veel lekkers. Ik houd daar eerlijk gezegd wel van: kerstkransjes, bonbons, pudding. Heerlijk, ik verheug me er al op.

Alles is te koop. Dat kenmerkt ook wel een beetje hoe ons leven is ingericht. Ook voor opvoeders is trouwens veel kostbaars te koop: zelfhulpboeken, educatief speelgoed, ouderschapsverlof en natuurlijk Jente. Veel is te koop, maar is ook álles te koop voor opvoeders? Nee, wel veel lekkers, maar dat is natuurlijk niet alles.

Het belangrijkste dat niet te koop is ben jij zelf. Zonder jou zélf als opvoeder zijn al die kostbaarheden waardeloos, een arme bedoening. Opvoeding vraagt opvoeders die niet kopen maar die offeren. Je kind mag een belangrijk deel van jouw tijd, energie en wie je bent voor zichzelf opmaken.

Opvoeden beperkt zich niet tot het geven van aanwijzingen, voorbeeldig gedrag en zo nu en dan iets samen ondernemen met je kroost. Opvoeden kost je leven. Een kind is niet geholpen met een opvoeder die dicht bij zichzelf, zijn eigen agenda en verlangens blijft, maar met een opvoeder die zichzelf geeft aan het leven van een kind.

Offeren voelt niet altijd prettig. Je wordt gestoord in je eigen hobby. Er is even geen plek in huis waar je rustig kunt zitten. Je moet je bezighouden met vragen die de jouwe niet zijn. Inderdaad: jouw leven wordt door een ander geleefd. Dat is wat offeren, wat opvoeden is.

Er is een simpele oefening om weer eens te ontdekken dat opvoeden niet te koop is. Houd eens een maand lang geld en andere hulpmiddelen op zak bij het opvoeden van je kind. Alleen je eigen tijd en energie, je eigen leven. Laat het opmaken door je kind.

Alles is te koop; maar opvoeden niet. Offeren dus: jouw leven voor dat van je kind. Bij nader inzien: dat heeft misschien toch iets met advent en kerst te maken.

 

Jos de Kock (37) is getrouwd met Belianne (33) en vader van twee dochters; samen zijn zij pleeggezin. Jos loopt hard, drinkt koffie en is godsdienstpedagoog aan de Protestantse Theologische Universiteit.

Kinder- en jongerenwerk. Wat staat de kerk te doen?

Ouderlingenblad-1062-september-2015-266x300Voor kerkenraden schreef ik in het septembernummer van het Ouderlingenblad een artikel over hoe je als kerk dienstbaar kunt zijn aan kinderen en jongeren op weg naar 2025:

De Kock, A. (2015). Kinder- en jongerenwerk. Wat staat de kerk te doen? Ouderlingenblad, 63(1062), 25-27.

Hieronder volgt de tekst van het artikel.

Hoe kun je als kerk dienstbaar zijn aan kinderen en jongeren op weg naar 2025 en daarna? Dat is een bezinningsvraag, ook voor kerkenraden, die hard nodig onder ogen gezien moet worden.

Grote verschillen

De situatie van plaatselijke gemeenten is zeer divers. Zo zijn er gemeenten met goed lopend jeugdwerk en bloeiende catechesegroepen. Maar er zijn ook gemeenten waar het kinderwerk en jongerenwerk steeds minder bezoekers trekt en waar het steeds moeilijker wordt om mensen te vinden die er leiding aan willen geven. En er zijn gemeenten voor wie geldt dat de groep van kinderen en tieners zelfs helemaal ontbreekt.
Daarnaast is er ook veel diversiteit onder de groep kinderen en jongeren waar we het over hebben. Voor de een geldt dat hij trouw meedoet aan activiteiten van de kerk maar tegelijkertijd fundamentele twijfels heeft over het geloof. Voor een ander geldt dat zij overtuigd in haar geloof staat maar zich tegelijkertijd maar moeilijk verbindt met de plaatselijke kerkgemeenschap. En er zijn natuurlijk de kinderen en jongeren die zich aan of over de ‘rand van de kerk’ bevinden, en voor wie de kerk in missionaire zin graag iets betekent.
Deze verschillende vormen van diversiteit en ongelijktijdigheid maakt het niet eenvoudig om een eenduidig antwoord te geven op de vraag hoe de kerk dienstbaar moet zijn aan kinderen en jongeren. Tenminste, een ‘one size fits all’ antwoord is niet te geven. Maar er zijn wel twee belangrijke ingrediënten te noemen voor het beleid van een kerkenraad ten aanzien van kinderen en jongeren in de kerk. De eerste is: zorg ervoor dat een opgroeiende generatie in contact is met (inspirerende) voorbeelden, mensen die in de praktijk laten zien wat het betekent te geloven. De tweede is: zorg ervoor dat een nieuwe generatie in gemeenschappen kan opgroeien waarin geloven een belangrijke plek heeft.

Inspirerende voorbeelden

Voorbeelden om kinderen en jongeren heen zijn belangrijk voor de ontwikkeling van geloven. Afkijken, aflezen, nadoen zijn belangrijke manieren waarop kinderen leren. Ook als het om geloven gaat. Het is daarom belangrijk dat een kerk erop uit is om kinderen en jongeren zo veel mogelijk in contact te laten komen met deze ‘geloofsvoorbeelden’. Meer dan een programma, een activiteit of een catecheseavond zijn zíj degenen die een nieuwe generatie in de kerk vormen. Jongeren zijn op zoek naar ankerpunten voor hun (godsdienstige) ontwikkeling: wat is waar, wat is waardevol, wat is zin in het leven? Daarin kunnen voorbeelden– mensen aan wie je in hun leven kunt zien wat waar, waardevol en zin is – een belangrijke rol vervullen.

Geloofsgemeenschap

Naast voorbeelden vormen gemeenschappen een belangrijk ingrediënt voor het dienen van kinderen en jongeren in de kerk. Nu lijkt dat een ‘open deur’. Is de kerk op zichzelf niet dé gemeenschap waarin geloven een plek heeft en waarbinnen kinderen en jongeren het geloof kunnen ontdekken en leren? Dat is natuurlijk zo, maar tegelijkertijd zien we dat een nieuwe generatie zich maar moeilijk verbindt met die kerk en dat de groep van kinderen en jongeren soms helemaal afwezig is in de kerkgemeenschap. Dat betekent dat op een andere manier dan via ‘reguliere’ programmaonderdelen op de agenda van de plaatselijke gemeente die gemeenschap moet worden gezocht. Want jongeren hebben net zo veel als vroeger behoefte aan gemeenschap om zich heen: zij komen graag samen, zoeken graag de ontmoeting met anderen om samen wat te beleven en te vieren. Maar zij vinden die ruimte kennelijk niet ‘automatisch’ meer in de plaatselijke gemeente als geloofsgemeenschap.
Jongeren, ‘in’ of ‘buiten’ de kerk, lijken zich van het instituut kerk af te bewegen. Zij blijven echter wel verlangen naar samenzijn. De beweging kan gaan in de richting van het zoeken en delen van geloof in een vriendengroep, op speciale avonden of weekenden (denk aan festivals en concerten) of gewoon in de huiselijke omgeving; op streetlevel, zo gezegd. Niet voor niets wordt het belang van de geloofsopvoeding door ouders thuis de laatste tijd breed benadrukt. Het kan ook een beweging zijn in de richting van digitale gemeenschappen, in verbinding met het wereldwijde christendom en charismatische representanten daarvan. Sociale media brengen die dichterbij dan ooit.

Community light

De kansen voor godsdienstige vorming van een nieuwe generatie moeten dan ook in toenemende mate gezocht worden in dit type gemeenschappen, die vaak losjes of niet verbonden zijn met het instituut kerk en haar geprogrammeerde activiteiten voor kinderen en jongeren. Al deze – soms tijdelijke – gemeenschappen zijn niet iets extra’s, iets leuks ‘voor erbij’; het zijn de nieuwe ruimten waarin de kerk aan haar godsdienstige vorming gestalte kan en moet geven. En die belangrijke voorbeeldfiguren zijn in die gemeenschappen te vinden. Dat is dus niet alleen moeder, de clubleiding of de catecheet, maar is soms de leraar, dan weer een leeftijdgenoot, een artiest, een auteur, een voorganger van een andere gemeente, enzovoort.

Kansen creëren

De plaatselijke gemeente is op zichzelf vaak niet meer te beschouwen als de leergemeenschap, maar is als gemeente een deelnemer aan een veel grotere pedagogische ruimte. De kunst voor de kerk is: durf gemeenschappen van kinderen en jongeren te ondersteunen of op te zetten die met de plaatselijke gemeente of het instituut misschien niet veel meer te maken hebben. En wees daarin dienend aanwezig. Maak ook daarin de rijkdom van de kerk vruchtbaar. Maar wat betekent dat praktisch voor kerkenraden die dienstbaar willen zijn voor een nieuwe generatie kinderen en jongeren?

► In de eerste plaats: vanuit de gedachte dat de plaatselijke gemeente niet dé leergemeenschap maar deelnemer aan een grotere pedagogische ruimte is, vraagt kerkelijk kinder- en jongerenwerk principieel om doordenking en leiding vanuit allianties van verschillende gemeenten in dezelfde plaats of regio. De ontmoeting van kerkenraden, jongerenwerkers en andere betrokkenen bij kinder- en jongerenwerk die breder is dan de eigen gemeente doet de ogen gemakkelijker openen voor mogelijkheden om kinderen en jongeren te ondersteunen.

► In de tweede plaats: In dat bredere verband kan nagedacht worden over: wie zijn (potentieel) belangrijke voorbeeldfiguren voor verschillende kinderen en jongeren waarmee wij te maken hebben? Zijn dat vooral de ouders, of zijn dat vooral leeftijdgenoten, of…. In de kerk zijn we gewend geraakt om jeugdactiviteiten en zeker catecheseprogramma’s op te bouwen vanuit de inhoud: waar moet het over gaan? De uitdaging lijkt mij om activiteiten en programma’s te ontwikkelen vanuit de vraag: wie zijn aansprekend en aanspreekbaar voor onze kinderen en jongeren en hoe kunnen wij deze ‘geloofsvoorbeelden’ ondersteunen bij hun samen oplopen met een nieuwe generatie?

► In de derde plaats: waar en hoe kunnen we als kerk vormen van geloofsgemeenschap voor kinderen en jongeren ondersteunen? Vaak hoef je overigens niet bij nul te beginnen. Er zijn al veel praktijken aanwijsbaar waarin die gemeenschap gezocht wordt door jongeren: denk aan een (internationale) diaconale werkvakantie waarin hands-on ervaringen met recht en gerechtigheid opgedaan worden; of filmavonden, waar jongeren hun kijkervaringen delen en waar met wat begeleiding de grote vragen over God en mens op tafel komen. Het gaat erom concrete plekken en vormen op het spoor te komen die niet noodzakelijkerwijs besloten liggen binnen de grenzen van de eigen plaatselijke gemeente: zijn het vriendengroepen, zijn het festivals, zijn het online communities of eerder hele lokale gemeenschappen in de straat?

Bij al dit denkwerk als plaatselijke gemeenten geldt natuurlijk ook: betrek hierin de nieuwe generatie zélf! Laat een aantal jongeren zelf de analyse doen van de plaatselijke situatie. Dat leidt tot eerlijke plaatjes en daagt uit om ideaal en werkelijkheid bij elkaar te houden.

Dr. A. (Jos) de Kock is godsdienstpedagoog en als universitair docent praktische theologie werkzaam voor de Protestantse Theologische Universiteit. Hij is tevens medewerker van het Onderzoekscentrum voor Jeugd, Kerk en Cultuur en Editor-in-chief van Journal of Youth and Theology.

Raarheid

Column, verschenen in Jente, nr. 18, oktober/november 2015, p. 45.

Geloofsopvoeding draait om de Raarheid.

Raar maar waar: het is het thema van de afgelopen kinderboekenweek [7-18 oktober]. Kinderen voor kinderen maakte onder dezelfde titel een erg leuk lied en geweldige videoclip. Check www.kvk.vara.nl en zing en dans lekker mee:

Het is raar maar waar, dat een vliegtuig vliegen kan, dat een boot ook drijven kan, dat een auto rijden kan. Het is raar maar waar, dat de wind hard waaien kan, water bevriezen kan. Ik word er zo nieuwsgierig van, het is raar maar waar.

Het Kinderen voor kinderen lied gaat over verwondering (‘raar’), vertrouwen (‘waar’) en nieuwsgierigheid. Ik zie er een ritme van geloofsopvoeding in. Het kind verwondert zich over de werkelijkheid om zich heen. De opvoeder laat het kind er vragen bij stellen, zoekt samen met het kind naar antwoorden en probeert te laten zien waar God en waarheid in die wondere wereld is te ontdekken. Die gezamenlijke ontdekkingstocht wakkert nieuwsgierigheid aan: hoe begrijp ik die werkelijkheid en hoe God daarin aanwezig is? Dit is wat ik noem het raar maar waar ritme. Omdat het inzet bij de Raarheid.

Er is nog een ander ritme van geloofsopvoeding, wat ik dan maar noem het waar maar raar ritme. Dat zet in bij de Waarheid. Je kent dit ritme ook vast wel. Het start niet bij de verwondering, maar bij het vertrouwen. De opvoeder laat het kind kennisnemen van wie God is en wat geloven is. Verhalen en in het bijzonder Bijbelverhalen spelen een belangrijke rol. Met deze verhalen en inzichten treedt het kind de wijde wereld in, kijkt om zich heen en verwondert zich: spoort de wereld om mij heen wel met al die verhalen en inzichten? Het kind ontmoet de Raarheid. Die ontmoeting wakkert nieuwsgierigheid aan: hoe kan ik God eigenlijk begrijpen?

Beide ritmen van geloofsopvoeding leiden tot wezenlijke vragen over God en de werkelijkheid om ons heen. Geloofsopvoeding danst nu eens op het raar maar waar ritme, en dan eens op het waar maar raar ritme. Voor beide ritmen geldt: het draait altijd om de Raarheid. Soms is dat lastig, vaak is dat mooi. Kinderen en opvoeders lezen, leven en ontdekken samen in een werkelijkheid die groter is dan zij zelf zijn. Zij verwonderen zich over de dingen om zich heen en over de dingen die zij lezen en horen. Opvoeden is leren verwonderen over het rare maar ware van de werkelijkheid van God.

Linksom, of rechtsom: geloofsopvoeding draait om de Raarheid. Ik zou zeggen: Dansen maar, zodat de wind hard waaien kan…

 
Jos de Kock (37) is getrouwd met Belianne (33) en vader van twee dochters; samen zijn zij pleeggezin. Jos loopt hard, drinkt koffie en is godsdienstpedagoog aan de Protestantse Theologische Universiteit.

Laat aandacht voor inwijding niet verslappen

Afbeelding1Deze tekst verscheen als opiniebijdrage in het Nederlands Dagblad van 30 september 2015 en is geschreven naar aanleiding van het publiekscollege dat ik op 30 september hield in de serie colleges ‘Jong en Geloven’ georganiseerd door AKZ+ in samenwerking met Innov8, PraktijkCentrum en Onderzoekscentrum voor Jeugd, Kerk en Cultuur.

Kerken moeten de aandacht voor inwijding in de geloofsgemeenschap niet laten verslappen. Anders heft de kerk zichzelf op, langzaam maar zeker.

In het internationale debat over christelijk jeugdwerk is het een zorg die meer dan eens naar voren wordt gebracht: ‘Er is nog maar weinig aandacht voor de inwijding van een nieuwe generatie in de geloofsgemeenschap’. Ik deel die zorg. Die zorg betreft niet per se alle praktijken van jeugdwerk in Nederland, want er is veel diversiteit; mijn zorg betreft een algemene tendens die ik in kerken en jeugdwerk bespeur.

Met inwijding bedoel ik dat kinderen en jongeren deelgenoot worden gemaakt van het evangelie én deelgenoot van een geloofsgemeenschap die dat evangelie bewaart en doorgeeft. Die geloofsgemeenschap is een voortdurende ontmoeting van mensen rond de verkondiging van het Woord, in praktijken van gebeden, sacramenten, onderling dienstbetoon en dienstbaarheid aan de wereld om haar heen. Inwijding in de geloofsgemeenschap gaat dus verder dan met kinderen en jongeren van gedachten wisselen over God en geloven. Jeugdwerk in de kerk beoogt dan ook niet alleen dat jongeren persoonlijk betrokken raken op het geloof, maar ook dat zij zich verbinden aan een geloofsgemeenschap van waaruit zij op hun beurt weer gestalte geven aan de inwijding van een volgende generatie.

vitale bron
Op verschillende manieren wordt het verslappen van aandacht voor inwijding in kerken en kerkelijk jeugdwerk naar voren gebracht. Er zijn auteurs die beweren dat modern jongerenwerk totaal is vergeten om de geloofsgemeenschap, als vitale bron voor geloven, aan te bieden aan jongeren. Andere auteurs wijzen vooral op het gebrek aan gemeenschap in de kerk en een sterke gerichtheid op individuele navolging van Christus. Zelf constateerde ik onlangs in gesprek met iemand dat het soms als vloeken in de kerk wordt ervaren als je uitspreekt dat je jongeren wil binden aan de lokale gemeente. Het gaat er toch vooral om dat je het contact niet met ze verliest, dan mag je al heel tevreden zijn.

Een aantal ontwikkelingen dragen bij aan het verslappen van aandacht voor inwijding in jeugdwerk in kerken. Deze ontwikkelingen op zichzelf zijn overigens in het geheel niet zorgelijk wat mij betreft. De combinatie ervan vraagt echter wel om een extra inspanning van kerken om aan inwijding van een nieuwe generatie gestalte te geven.

vastzitten
Een eerste ontwikkeling die je ziet, is dat wordt ingezet op vloeibare gemeenschappen rond jongeren, in plaats van op samenzijn in meer institutionele kerkstructuren. Jongeren hebben nog steeds behoefte aan gemeenschap, maar willen er niet voor altijd aan vast zitten en deze gemeenschappen komen op en gaan weer. Door in het jeugdwerk sterker deze tijdelijke groepen en tijdelijke activiteiten te ondersteunen, verschuift het accent van kerkopbouw naar jongerenopbouw. Het gaat mij er niet om dat er te kiezen zou zijn vóór het ene accent en tegen het andere. Punt is dat met deze accentverschuiving het inwijdingsideaal onder druk kan komen te staan.

ouders
Een tweede ontwikkeling is het in toenemende mate inzetten op ouders als primair verantwoordelijken voor het geloofsonderricht in de kerk en het jeugdwerk. Niet de gespecialiseerde jongerenwerker of catecheet, maar vader en moeder dienen in de gemeente het voortouw te nemen. Ouders worden de nieuwe jeugdwerkers zogezegd. En predikanten en jeugdleiders zullen de aandacht moeten verdelen over enerzijds het direct werken met kinderen en jongeren en anderzijds de toerusting van ouders in de geloofsopvoeding. Het is echter de vraag of het ideaal van inwijding vanzelfsprekend hoog gehouden wordt door alle ouders. Veel ouders zijn zich zelf al losser gaan opstellen ten opzichte van de eigen kerk als geloofsgemeenschap. Veel ouders vinden het, begrijpelijk, al heel wat als er met hun kinderen en jongeren over het evangelie van gedachten gewisseld wordt. En wat te denken van de groep ouders die zelf het geloven vaarwel aan het zeggen zijn? Kortom: ook hier zou inwijding om begrijpelijke redenen zomaar buiten het vizier kunnen raken.

missionaire praktijk
Een derde ontwikkeling is de toegenomen aandacht voor missionaire dienstbaarheid in het kerkelijk jeugdwerk. In het missionaire jongerenwerk wordt dikwijls niet een inwijding in een bestaande geloofsgemeenschap beoogd, wel het delen of belichamen van het evangelie temidden van allerlei levensvragen en -ervaringen van individuele jongeren. Ook hier geldt: binding aan een bestaande geloofsgemeenschap bevindt zich veelal buiten het vizier. Wel ontstaan in de missionaire praktijk meer dan eens nieuwe vormen van geloofsgemeenschap buiten bestaande kerkstructuren om. Maar ook hier is de vraag in hoeverre inwijding van weer een volgende generatie tot het DNA van die nieuwe, soms tijdelijke, gemeenschappen zal behoren.

Wil de aandacht voor inwijding van kinderen en jongeren niet verslappen, dan zullen kerken meer dan ooit een extra inspanning moeten leveren. Ik pleit voor een breed gesprek in Nederland van jongerenwerkers en leidinggevenden in kerken rond de vraag hoe inwijding van een nieuwe generatie op de agenda blijft van geloofsgemeenschappen. Er is geen ‘one size fits all-recept’. Dat is zeker. Wel een paar ingrediënten: een voortdurende ontmoeting van jongeren rond de verkondiging van het Woord, in praktijken van gebeden, sacramenten, onderling dienstbetoon en dienstbaarheid aan de wereld om hen heen.

dr. A. (Jos) de Kock is godsdienstpedagoog en als universitair docent verbonden aan de Protestantse Theologische Universiteit en het ­Onderzoekscentrum voor Jeugd, Kerk en Cultuur

Het goede voorbeeld? Laat maar lopen!

In het tijdschrift Jente schrijf ik regelmatig columns. Onderstaande column schreef ik in het themanummer “Voorbeeldig”. JosdeKock-700x210

 

 

 

Stippen aan de horizon
Column, verschenen in Jente, nr. 17, augustus/september 2015, p. 45. Zie ook online op de website van Jente.

Het goede voorbeeld volgen, pakt niet altijd goed uit.
Daar werd ik kort geleden nog mee geconfronteerd tijdens het lopen van een halve marathon. Ik ben een fanatieke hardloper, maar de beste tijden loop ik tijdens wedstrijden. Dat komt door de adrenaline wellicht, maar ook doordat ik me aan andere lopers kan optrekken. Je rent niet in je eentje, maar je loopt achter goede voorbeelden aan.
Sommige van die goede voorbeelden blijken na verloop van tijd toch iets te rap te lopen. Als dat besef tot je doordringt, kun je twee dingen doen. Optie één: blijven aanklampen en maar doorharken, met als resultaat dat je jezelf opblaast. Dat overkwam me dus een tijdje terug. Wat baal je dan, en wat is de eindstreep dan nog ver. Optie twee: je eigen ritme kiezen, je eigen tempo gaan lopen en je goede voorbeeld laten gaan. Die tweede optie − en stom genoeg had ik die ervaring natuurlijk al veel langer − leidt doorgaans tot de beste resultaten. Het goede voorbeeld moet je gewoon laten lopen.
Het belang van goede voorbeelden in de opvoeding van kinderen wordt alom onderstreept. De vraag is alleen: wat moet een kind met een goed voorbeeld? Erachteraan gaan of laten lopen? Als vader betrap ik me er weleens op: ik verwacht dat mijn dochter mijn instructie nauwgezet opvolgt, precies doet wat ik heb gezegd, op mijn manier: hoe je netjes je limonade opdrinkt, hoe je het beste kunt gaan zitten. Niet zelden leidt dat tot frustratie. Bij mij, omdat de imitatie niet geslaagd is. Bij haar, omdat het te veel gevraagd is.
Goed voorbeeld doet goed volgen. Maar dat is iets anders dan imiteren. Het betekent eerder: laten lopen. Net als in die halve marathon. Je klampt een tijdje aan, je geniet van de snelheid, je proeft het succes, kijkt de techniek af en laat je inspireren door die prachtige outfit. Maar dan komt het moment dat je dat laat lopen, totdat je goede voorbeeld is veranderd in een stipje aan de horizon.
Kinderen doen dat ook. Ze klampen even aan, maar doen het vervolgens net even anders. Ze kiezen hun eigen cadans en eigen tempo. Ze kiezen andere kleding, houden van een andere sport, kiezen voor een andere houding in de kerkbank. Het heeft iets weg van wat je als vader of moeder laat zien, maar tegelijkertijd is het helemaal anders. Opvoeders worden al snel als stippen aan de horizon.
Vaders en moeders zijn ook gebaat bij goede voorbeelden. Christelijke opvoeders noemen hen geloofshelden: van die authentieke voorbeeldfiguren met hun hoofden in de bladen. Ik zeg: je blaast jezelf op als je ze imiteert. Laat ze lopen! Zoek de eigen cadans, dan kunnen je kinderen misschien ook nog volgen.

Jos de Kock (37) is getrouwd met Belianne (33) en vader van twee dochters; samen zijn zij pleeggezin. Jos loopt hard, drinkt koffie en is godsdienstpedagoog aan de Protestantse Theologische Universiteit.