Hoe krijg je jongeren meer betrokken bij het avondmaal?

Na eerdere bijdragen over kinderen en het vieren van het avondmaal (zie Laat kinderen het avondmaal vieren en Getuigen en leren getuigen: het hele verhaal), nu een bijdrage over jongeren en het vieren van het avondmaal. Deze bijdrage verscheen vorige week onder de titel “Hoe krijg je jongeren meer betrokken bij het avondmaal?” op de website van JOP, jongerenorganisatie van de protestantse kerk. Zij vatten op de website het onderzoek naar de participatie van jongeren aan avondmaalspraktijken van collega Ronelle Sonnenberg en mij netjes samen. Het is te lezen via deze link.

Advertenties

Bevrijd de catechese uit haar isolement

Het septembernummer van CW Opinie is een themanummer over opvoeding. Daarin verscheen onderstaand interview waarin ik word bevraagd over het verschijnsel catechese.

Bevrijd de catechese uit haar isolement
Interview door Nels Fahner met Jos de Kock.

Wordt er überhaupt nog veel catechese gegeven in de klassieke zin van het woord: overdracht van geloofskennis?
“Klassieke catechese zou je kunnen zien als: catecheseavonden waarbij een groep leeftijdsgenoten bij elkaar komt onder leiding van een catecheet. Dat hoeft trouwens niet perse kennisoverdracht te zijn, want catechese is een veel breder begrip. Er is op dit punt veel ongelijktijdigheid. Je kunt zo de kerken aanwijzen waarbij dit helemaal niet meer op het programma staat. Maar bij andere kerken is catechese, weliswaar niet op de klassieke manier, wel in beeld en worden niet alleen kinderen, maar ook volwassenen op die manier gevormd. Er is dus veel catechese in de kerk, maar het gebeurt niet op geplande momenten. In die zin is catechese niet aan het verdwijnen, er is juist veel in beweging. Maar klassieke catechese, dat wil zeggen op basis van een methode en met een strak uitgelijnd curriculum, dat komt inderdaad lang niet overal meer voor.”

Wat is het belangrijkste dat kinderen moeten leren via catechese?
“Dat is een goede vraag, die ik mijn studenten en de predikanten met wie ik werk ook veel voorleg. Er is niet één antwoord op te geven. Er zijn veel antwoorden mogelijk. Mijn ervaring is dat die antwoorden niet zo zeer per kerkgenootschap of denominatie verschillen. Het is juist erg verschillend per catecheet, dus per persoon die de catechese geeft, welk antwoord er gegeven wordt.” Persoonlijk vind ik het bijvoorbeeld waardevol dat een kind of jongere door catechese God en zichzelf leert kennen en leert om te leven en vieren in gemeenschap met andere gelovigen.

Als ik het goed begrijp geeft u als tip om voordat je een bepaalde methode kiest, vooral stil te staan bij het doel van catechese. Wordt catechese dan niet heel erg individueel bepaald?
“Wat het eerste betreft: de doelstelling is het meest sturende element in de catechese. Als je daar heel expliciet over bent, kun je ook scherpe keuzes maken. Dat bepaalt hoe de catechisanten zich kunnen bewegen binnen de gegeven ruimte. Het bepaalt ook hoe je een methode gebruikt. Je kunt wel blind een methode volgen, maar dan lever je je ook uit aan de doelstelling van die methode. Wil je dat wel, is dan de vraag.
Het is niet zo dat het daardoor heel individueel wordt. Dat valt wel mee, is mijn ervaring. Catechese moet wel passend zijn bij de groep waarmee je werkt, bij de geloofsgemeenschap, bij de catecheet zelf. Zo is er ook altijd een verbinding met de traditie.”

‘Vieren is leren’ is een uitspraak die u in een eerder artikel deed. Kunt u dat eens toelichten? Op welke manier leren kinderen door te vieren?
“Je kunt eigenlijk van alles in de plek van ‘vieren’ zetten, want kinderen zijn continu aan het leren. Maar als het gaat om de kerkdienst als viering, het bidden, het samenkomen is dat ook zeker het geval. Wat zo bijzonder is aan kerkdiensten, is dat het momenten zijn waarbij heel veel zintuigen worden aangesproken. Je kunt leren zien als een kwestie van informatie tot je nemen, maar leren heeft ook heel veel te maken met emotie, met fysieke ervaringen, met ruiken en voelen. Als een kind leert fietsen, is het vallen en de pijn die daarbij gevoeld wordt, onderdeel van het leerproces. En er komt ook vreugde bij kijken als het lukt.
Voor kerken zie ik daarom twee belangrijke punten. Allereerst: ga ervanuit dat er heel veel geleerd wordt in vieringen. Dan is het de vraag: hoe vieren wij? Hoe vindt dat leren plaats? Ten tweede kun je dat besef dat er op deze manier geleerd wordt ook omzetten in actie. Je kunt dan de pragmatische vraag stellen hoe er in de catechese winst te boeken valt. Je kunt met elkaar een boek openslaan, maar je kunt catechese ook zo vormgeven dat er meer zintuigen bij betrokken zijn.
In een bepaalde gemeente ging het bijvoorbeeld om de zorg voor gevangenen. Een predikant kan daar dan over spreken met jongeren. Maar in dit geval besloot de predikant om met catechisanten op bezoek te gaan bij gevangenen. Precies dat is catechese. Je kunt natuurlijk ook andere labels erop plakken. Dit heeft ook alles met je doelstelling te maken, om terug te komen op wat ik net zei. Als je doel is om jongeren te leren voor gevangenen te zorgen, ze daar ervaring mee te laten opdoen, dan voel je al aan dat je er niet bent door er alleen aan tafel over te praten. Dat praten is niet verkeerd, er hoort alleen een andere categorie doelstelling bij. In dit geval leidt die niet tot datgene waar je het voor doet.”

U hebt dus eigenlijk een heel breed catechese-begrip.
“Ja. Maar historisch is het ook zo dat catechese nooit los stond van het leven van een geloofsgemeenschap. Het is een ontwikkeling geweest in de afgelopen eeuw in de protestantse kerken dat we met elkaar in een lokaal gaan zitten, waarbij er ofwel een referaat van de catecheet volgt of er veel discussie is en gesprek. In beide gevallen is dat een heel verbale manier van bezig zijn met geloofsinhouden. Ik zou zeggen: vooral het leven is uitgangspunt, en soms is daarbij uitleg nodig: waarom doen we het zoals we het doen? Dan ga je met elkaar aan tafel zitten om dat te bespreken.
Maar wat heeft het dan nog voor zin om op dinsdagavond een uurtje bij elkaar te komen, vragen mensen mij weleens. Het is zeker belangrijk om regelmatig even de zaken met een zekere afstand te bekijken: waar zijn we eigenlijk mee bezig als gemeenschap? En ja, dan helpt het om de bronnen te raadplegen, Bijbelpassages te lezen en te overdenken met elkaar. Dan is het niet een geïsoleerd gebeuren.”

In een groep heb je vaak kinderen met verschillende interesses en verschillende intelligentie. Hoe ondervang je die verschillen?
“Dat is een veel gehoorde vraag van catecheten die daarmee worstelen. Vaak wordt dan als voorbeeld gegeven het jongetje op het gymnasium en het vmbo-meisje die samen catechisatie volgen waarbij het jongetje verbaal sterk is en het meisje het eng vindt om überhaupt te praten. Dat is natuurlijk vooral lastig als het om het verbale gaat. Wat dat betreft moet je in doelstellingen breed denken. Dat meisje kan bepaalde dingen heel goed. Je moet dus krachten bij verschillende mensen aanboren en hen bedienen in je doelstelling.”

Klopt het dat kennisoverdracht tegenwoordig wordt gehinderd door het idee dat het vooral allemaal leuk moet zijn? Kan dat wel? Soms zij dingen niet ‘leuk’.
“Dat kan natuurlijk zo zijn. Maar het is volgens mij niet zo dat het overal zo leuk moet zijn dat er daarom geen kennisoverdracht plaats vindt. ‘Leuk’ is ook belangrijk. Leren heeft te maken met emotie. Die herinnering heeft iedereen wel, dat leren iets was dat gemak en plezier verschafte omdat je er interesse in had.
Het is wel zo dat er andere doelstellingen centraal zijn komen te staan in de catechese. Het is meer een doel geworden om met elkaar in gesprek te zijn over thema’s in geloof, en kinderen hebben daarbij meer zelf in te brengen. Dat is een verschuiving die heeft plaatsgehad. Het gaat ook meer over het doen, over samen dingen ondernemen. Er is daar doorheen nog steeds sprake van ontwikkeling van meer kennis. Dat is alleen van de buitenkant niet altijd zichtbaar. Het gaat inderdaad minder om de inhoud van de catechismus of feiten uit de kerkgeschiedenis. Maar het is de vraag of dat erg is.”

Het lijkt mij toch van wel? Ik ben zelf nu 31 jaar en ik kom er nu wel achter dat er een verschil van leven volgt uit de ideeën over hoe dat leven in elkaar zit.
“Natuurlijk. We moeten de kennisontwikkeling als doelstelling ook scherp houden. Daarom wordt er in methodes voor kinder- en basiscatechese ook veel aan feitenkennis gedaan voor kinderen van een jaar of tien, elf. Veel kinderen op die leeftijd vinden het leuk om die informatie tot zich te nemen. Het is ook een heen-en-weerbeweging: op het moment dat kennisoverdracht naar de achtergrond verdwijnt, zijn er ook weer initiatieven die dat element terugbrengen.”

Mogelijkheid onderzoekssamenwerking kinderen/jongeren & geloof

Er is een interessante mogelijkheid tot onderzoekssamenwerking op het gebied van kinderen/jongeren & geloof:

Gepromoveerde predikanten en andere gepromoveerde theologen hebben nu de mogelijkheid om aan de PThU als geassocieerd onderzoeker te werken aan wetenschappelijk onderzoek en een wetenschappelijke publicatie.

Diverse collega’s uit de verschillende onderzoeksgroepen zijn bereid om daarin met je samen te werken. Dat geldt natuurlijk ook voor mij. Dus: ben jij gepromoveerd predikant/theoloog en geinteresseerd in verder empirisch praktisch theologisch onderzoek op het gebied van kinderen/jongeren & geloof? Neem dan gerust contact met me op. Meer informatie is hier te vinden.

Jos de Kock doet onderzoek op het terrein van kinderen/jongeren & geloof; het snijvlak van leren en vieren; vormgeving van en resultaten van catechesepraktijken; begeleiden van leerprocessen in de christelijke gemeente;  en godsdienstige vorming in geloofsgemeenschappen, waaronder scholen. Het onderzoek betreft praktisch theologisch onderzoek met een sterke empirische component en de discipline van de godsdienstpedagogiek is het specialisme van De Kock.

Three new publications: Ritual, Apprenticeship & Youth Ministry research

I would like to share with you the publication of the following three research articles that might be interesting for some of you. These articles are for an important part product of reflections within our IASYM community in the past years and are (to be) published in high ranked journals. I am really happy with that. The first one on ritual, worship and learning (together with Ronelle Sonnenberg) has just been published in Studia Liturgica. The second one on apprenticeship learning is to be published in the coming months in Religious Education, where the third one which is a reflection on the empirical as starting point for youth ministry research (together with Bård Eirik Hallesby Norheim) is to be published later this year in International Journal of Practical Theology.
– De Kock, A., & Sonnenberg, P.M. (2016). Ritual links worship and learning. An empirical and theoretical contribution from the perspective of young people participating in the Lord’s Supper. Studia Liturgica, 46(1-2), 68-84
– De Kock, A. (2017). Challenges to apprenticeship learning in religious education: narrow use of the apprenticeship model and current developments in youth ministry. Accepted for publication in Religious Education.
– De Kock, A., & Norheim, B.E.H. (2017). Youth ministry research and the empirical. Accepted for publication in International Journal of Practical Theology.

 

 

Meer onderzoek naar catechesepraktijken wenselijk


Onderstaande tekst is ook gepubliceerd in De Waarheidsvriend van 22 januari 2016 (nummer 3, 2016):
http://dewaarheidsvriend.nl/artikelen/ontwikkelingen-in-de-catechese 

Steeds meer zeggen catecheten dat ze niet met slechts één catechesemethode uit de voeten kunnen. Vaak wordt het nut van een methode bevraagd. Op een bepaalde manier is dit een goede ontwikkeling. Daarmee komt meer dan ooit de vraag op catecheten zelf af: wat beoog ik met de catechese?
Het is de vraag die professionals in de catechese, dus predikanten opgeleide kerkelijk werkers en jongerenwerkers, zichzelf nadrukkelijk moeten stellen. Deze bijdrage richt zich vooral op de ‘professionals’, op hen die in de gemeente aangesteld en werkzaam zijn als catecheet. Wat natuurlijk onverlet laat dat veel goede catechesepraktijken ondenkbaar zijn zonder de inzet van vrijwilligers uit de gemeente.

Methode
Een catechesemethode op zichzelf is heel nuttig. In de eerste plaats biedt een methode een belangrijk houvast: het reikt een logische opbouw van een programma per jaar, en over verschillende jaren heen aan. In de tweede plaats biedt een methode het materiaal, de verwerkingsopdrachten en ideeën aan, waar je als catecheet anders maar moeilijk en met te veel inspanning op zou komen. In de derde plaats geeft een methode continuïteit in het geval dat er een (af)wisseling van catecheten optreedt En zo zijn er nog wel een aantal andere punten te noemen.
Een catechesemethode biedt dus houvast bij het geven van catechese. Het is alleen al daarom goed om te blijven investeren in goede methoden. Het is echter niet voldoende slechts een catechesemethode als uitgangspunt te nemen voor het nadenken over en ontwerpen van catechesepraktijken. De kans is groot dat de catecheet zelf en wat uiteindelijk beoogd wordt, buiten beeld raken in de catechese.
Wat is het doel van de catechese? Dit blijkt steeds weer de meest prikkelende en tegelijk leerzame vraag te zijn tijdens de colleges of nascholing over catechese. Deze vraag is ook een goed startpunt voor het vormgeven van catechesepraktijken. Het voorkomt dat het doel met het oog op catechisanten, uit beeld raakt bij het volgen van een vaststaand programma. In plaats van het programma, komt wat je beoogt in de godsdienstige ontwikkeling van jongeren meer centraal te staan.
De catechese, die in de praktijk veelal jongerencatechese is, staat niet los van de gemeente maar hoort een plaats te krijgen in het geheel van de christelijke gemeente als lerende gemeenschap. Het geloofsleren laat zich niet opsluiten in een programma en een wekelijks uur catechese maar voltrekt zich te midden van de geloofsgemeenschap en het leven van alledag.

Maatwerk
De vraag naar wat beoogd wordt, maakt ook het gesprek los over de inspiratie in de catechese: ‘Welke Bijbelse lijnen, Bijbelse personages of passages zijn voor mij en voor mijn collega’s inspirerend of richtinggevend voor het ontwerpen en verzorgen van catechese? En hoe zorg ik ervoor dat ik daarin niet afgeleid word door uitgangspunten van een methode die de mijne niet zijn? De ervaring van de beperktheid van methodes, hoeveel houvast ze ook geven, heeft alles te maken met ontwikkelingen in lokale kerken die enorm divers en ongelijktijdig zijn. Er wordt veel gevraagd van de individuele catecheet. Hij wordt veelal geacht maatwerk te leveren op een specifieke plaats en in een specifieke context. Naast een goede methodeontwikkeling is vooral de ontwikkeling van goede catecheten van belang. Dit geldt niet alleen voor de opleiding van predikanten, maar ook voor de toerusting van vrijwilligers, jongerenwerkers en voor de permanente educatie van predikanten en kerkelijk werkers.
De voortdurende ontwikkeling van catechese en catecheten is gediend met goed onderzoek en onderwijs op het gebied van de catechese. In De Waarheidsvriend 2015, nummer 39 is inzichtelijk gemaakt hoe het onderwijsprogramma van de Protestantse Theologische Universiteit daarin voorziet (zie ook het kader onderaan dit artikel). En wat gebeurt er op het gebied van onderzoek?

Onderzoek
De afgelopen jaren heb ik samen met collega’s intensief gewerkt aan een godsdienstpedagogisch kader voor het ontwerpen en onderzoeken van catechesepraktijken. Over dat kader is internationaal gepubliceerd. Het bevat een doordenking van doelen van catechese, rollen van catecheten en catechisanten, de verhouding van catechese tot de lerende gemeente en de geloofsopvoeding door ouders, en de verhouding tot de godsdienstige vorming in andere contexten zoals de school en het (digitale) leven van alledag.
Voor het ontwikkelen van dit godsdienstpedagogisch kader wordt empirisch onderzoek gedaan. Zo wordt op dit moment een promotieonderzoek verricht waarin een onderzoeksinstrument is ontwikkeld waarmee inzichtelijk kan worden gemaakt wat de verbanden zijn tussen enerzijds de wijze waarop catechese wordt vormgegeven en anderzijds wat catechisanten ervan leren. Dit is een unieke bijdrage aan het (internationale) onderzoek naar catechesepraktijken.
De ambitie is om voor de toekomst het onderzoek te verdiepen en uit te breiden. Zowel binnen de Nederlandse context als in internationaal perspectief. We kunnen inmiddels de stap zetten naar meer empirische onderzoek omtrent catechesepraktijken. Zo ontstaat er meer inzicht in het optimaliseren van de begeleiding van geloofsleren.
Dit is belangrijk voor de scholing en ondersteuning van catecheten maar ook nodig als input voor goede methodeontwikkeling. Verder draagt dit onderzoek bij aan de bezinning op catechese in kerk en opleiding. De essentiële vragen die terugkeren zijn: Wat en hoe en waartoe dient er geleerd te worden in de christelijke gemeente van nu. Bij elke verandering worden die vragen weer actueel. Zo besprak ik onlangs met studenten bijvoorbeeld de godsdienstpedagogische consequenties van de nota Kerk2025. Wat betekent het adagium ‘back to the basics’ uit de nota voor het vormgeven aan geloofsleren? En hoe kan bijvoorbeeld het ideaal van inwijding in de geloofsgemeenschap functioneren in leerprocessen binnen nieuwe vormen van geloofsgemeenschappen vergeleken met meer klassieke kerkgemeenschappen?

Wereldwijd
Onderzoek moet nooit op zichzelf staan. In samenwerking met jeugdorganisaties, klankbordgroepen, en andere netwerken rond catechese, moeten in het onderzoek de juiste vragen geagendeerd worden en resultaten vruchtbaar worden gemaakt. Een aantal jaren geleden verscheen ons boek Altijd Leerling: basisboek catechese. Dit boek vraagt bijvoorbeeld ook om een grondige update en een andere vorm, dan een boek om inzichten te delen.
In het nadenken over catechese in Nederland is het goed dat er verbondenheid is met het internationale discours over catechese en geloofsleren. De kerk in de westerse wereld krimpt. De zichtbaarheid van en verbondenheid met de wereldwijde kerk neemt toe. Bij de bestudering van catechesepraktijken is een internationaal perspectief geboden en leerzaam. Dat is een belangrijke drijfveer voor mij om te participeren in het wereldwijde academische netwerk rond jongerenwerk en catechese.
Er is veel in beweging in de catechese. Diverse professionals, netwerken en organisaties werken met elkaar aan verbetering en vernieuwing van de praktijk van catechese. Meer structureel (academisch) onderzoek naar catechesepraktijken is wenselijk. Dit kan samengaan met de academische vorming van toekomstige predikanten en kerkelijk werkers en de toerusting van zowel professionals als vrijwilligers die zich willen specialiseren in deze thematiek. En de ultieme vraag die daarbij als een refrein steeds terugkeert is: Wat beoog ik eigenlijk met de catechese?

Dr. A. de Kock is godsdienstpedagoog en als Universitair Docent Praktische Theologie (Educatie & Catechetiek) werkzaam aan de Protestantse Theologische Universiteit. Hij is bovendien vaste gastdocent catechetiek in de bacheloropleiding van de TU Kampen.

 

============================================================

PThU – onderwijs op het gebied van de catechese

Voor predikanten is het van wezenlijk belang om voldoende oog te hebben voor de godsdienstpedagogische en pedagogisch-didactische dimensies van de catechese. Aan de PThU schenk ik hier in een aantal modules dan ook aandacht aan.
In het master onderwijs in zowel Amsterdam als Groningen verzorg ik de module Leren Geloven. Studenten werken in deze module aan hun didactische én godsdienstpedagogische bekwaamheid. Het verzorgen van catechese is een van de belangrijke aandachtsvelden, zowel in colleges als in de stageactiviteiten.
Daarnaast verzorg ik in de masteropleiding de specialisatiecursus Worship & Formation: studenten worden uitgedaagd de wisselwerking tussen liturgie, vieren en leren te onderzoeken. Ook hierin komen implicaties voor de catechese aan de orde.
In het eerste jaar van het masteronderwijs in Amsterdam bieden we studenten bovendien een basiscursus didactiek.
In de joint bachelor Theologie in Amsterdam verzorg ik samen met collega’s onderwijs in de Praktische Theologie. In die modules worden studenten onder andere ingeleid in de discipline van de godsdienstpedagogiek en in dat kader zijn vormen van catechese al onderwerp van reflectie.
In het kader van de Permanente Educatie verzorg ik de module Leren: leuk en pijnlijk tegelijk: een hele praktische nascholing waarin predikanten zich (didactisch) verder kunnen bekwamen in de eigen catechesepraktijken. Daarnaast participeer ik als PThU docent in de nascholingscursus van Driestar educatief De predikant als leraar.

============================================================

Kinder- en jongerenwerk. Wat staat de kerk te doen?

Ouderlingenblad-1062-september-2015-266x300Voor kerkenraden schreef ik in het septembernummer van het Ouderlingenblad een artikel over hoe je als kerk dienstbaar kunt zijn aan kinderen en jongeren op weg naar 2025:

De Kock, A. (2015). Kinder- en jongerenwerk. Wat staat de kerk te doen? Ouderlingenblad, 63(1062), 25-27.

Hieronder volgt de tekst van het artikel.

Hoe kun je als kerk dienstbaar zijn aan kinderen en jongeren op weg naar 2025 en daarna? Dat is een bezinningsvraag, ook voor kerkenraden, die hard nodig onder ogen gezien moet worden.

Grote verschillen

De situatie van plaatselijke gemeenten is zeer divers. Zo zijn er gemeenten met goed lopend jeugdwerk en bloeiende catechesegroepen. Maar er zijn ook gemeenten waar het kinderwerk en jongerenwerk steeds minder bezoekers trekt en waar het steeds moeilijker wordt om mensen te vinden die er leiding aan willen geven. En er zijn gemeenten voor wie geldt dat de groep van kinderen en tieners zelfs helemaal ontbreekt.
Daarnaast is er ook veel diversiteit onder de groep kinderen en jongeren waar we het over hebben. Voor de een geldt dat hij trouw meedoet aan activiteiten van de kerk maar tegelijkertijd fundamentele twijfels heeft over het geloof. Voor een ander geldt dat zij overtuigd in haar geloof staat maar zich tegelijkertijd maar moeilijk verbindt met de plaatselijke kerkgemeenschap. En er zijn natuurlijk de kinderen en jongeren die zich aan of over de ‘rand van de kerk’ bevinden, en voor wie de kerk in missionaire zin graag iets betekent.
Deze verschillende vormen van diversiteit en ongelijktijdigheid maakt het niet eenvoudig om een eenduidig antwoord te geven op de vraag hoe de kerk dienstbaar moet zijn aan kinderen en jongeren. Tenminste, een ‘one size fits all’ antwoord is niet te geven. Maar er zijn wel twee belangrijke ingrediënten te noemen voor het beleid van een kerkenraad ten aanzien van kinderen en jongeren in de kerk. De eerste is: zorg ervoor dat een opgroeiende generatie in contact is met (inspirerende) voorbeelden, mensen die in de praktijk laten zien wat het betekent te geloven. De tweede is: zorg ervoor dat een nieuwe generatie in gemeenschappen kan opgroeien waarin geloven een belangrijke plek heeft.

Inspirerende voorbeelden

Voorbeelden om kinderen en jongeren heen zijn belangrijk voor de ontwikkeling van geloven. Afkijken, aflezen, nadoen zijn belangrijke manieren waarop kinderen leren. Ook als het om geloven gaat. Het is daarom belangrijk dat een kerk erop uit is om kinderen en jongeren zo veel mogelijk in contact te laten komen met deze ‘geloofsvoorbeelden’. Meer dan een programma, een activiteit of een catecheseavond zijn zíj degenen die een nieuwe generatie in de kerk vormen. Jongeren zijn op zoek naar ankerpunten voor hun (godsdienstige) ontwikkeling: wat is waar, wat is waardevol, wat is zin in het leven? Daarin kunnen voorbeelden– mensen aan wie je in hun leven kunt zien wat waar, waardevol en zin is – een belangrijke rol vervullen.

Geloofsgemeenschap

Naast voorbeelden vormen gemeenschappen een belangrijk ingrediënt voor het dienen van kinderen en jongeren in de kerk. Nu lijkt dat een ‘open deur’. Is de kerk op zichzelf niet dé gemeenschap waarin geloven een plek heeft en waarbinnen kinderen en jongeren het geloof kunnen ontdekken en leren? Dat is natuurlijk zo, maar tegelijkertijd zien we dat een nieuwe generatie zich maar moeilijk verbindt met die kerk en dat de groep van kinderen en jongeren soms helemaal afwezig is in de kerkgemeenschap. Dat betekent dat op een andere manier dan via ‘reguliere’ programmaonderdelen op de agenda van de plaatselijke gemeente die gemeenschap moet worden gezocht. Want jongeren hebben net zo veel als vroeger behoefte aan gemeenschap om zich heen: zij komen graag samen, zoeken graag de ontmoeting met anderen om samen wat te beleven en te vieren. Maar zij vinden die ruimte kennelijk niet ‘automatisch’ meer in de plaatselijke gemeente als geloofsgemeenschap.
Jongeren, ‘in’ of ‘buiten’ de kerk, lijken zich van het instituut kerk af te bewegen. Zij blijven echter wel verlangen naar samenzijn. De beweging kan gaan in de richting van het zoeken en delen van geloof in een vriendengroep, op speciale avonden of weekenden (denk aan festivals en concerten) of gewoon in de huiselijke omgeving; op streetlevel, zo gezegd. Niet voor niets wordt het belang van de geloofsopvoeding door ouders thuis de laatste tijd breed benadrukt. Het kan ook een beweging zijn in de richting van digitale gemeenschappen, in verbinding met het wereldwijde christendom en charismatische representanten daarvan. Sociale media brengen die dichterbij dan ooit.

Community light

De kansen voor godsdienstige vorming van een nieuwe generatie moeten dan ook in toenemende mate gezocht worden in dit type gemeenschappen, die vaak losjes of niet verbonden zijn met het instituut kerk en haar geprogrammeerde activiteiten voor kinderen en jongeren. Al deze – soms tijdelijke – gemeenschappen zijn niet iets extra’s, iets leuks ‘voor erbij’; het zijn de nieuwe ruimten waarin de kerk aan haar godsdienstige vorming gestalte kan en moet geven. En die belangrijke voorbeeldfiguren zijn in die gemeenschappen te vinden. Dat is dus niet alleen moeder, de clubleiding of de catecheet, maar is soms de leraar, dan weer een leeftijdgenoot, een artiest, een auteur, een voorganger van een andere gemeente, enzovoort.

Kansen creëren

De plaatselijke gemeente is op zichzelf vaak niet meer te beschouwen als de leergemeenschap, maar is als gemeente een deelnemer aan een veel grotere pedagogische ruimte. De kunst voor de kerk is: durf gemeenschappen van kinderen en jongeren te ondersteunen of op te zetten die met de plaatselijke gemeente of het instituut misschien niet veel meer te maken hebben. En wees daarin dienend aanwezig. Maak ook daarin de rijkdom van de kerk vruchtbaar. Maar wat betekent dat praktisch voor kerkenraden die dienstbaar willen zijn voor een nieuwe generatie kinderen en jongeren?

► In de eerste plaats: vanuit de gedachte dat de plaatselijke gemeente niet dé leergemeenschap maar deelnemer aan een grotere pedagogische ruimte is, vraagt kerkelijk kinder- en jongerenwerk principieel om doordenking en leiding vanuit allianties van verschillende gemeenten in dezelfde plaats of regio. De ontmoeting van kerkenraden, jongerenwerkers en andere betrokkenen bij kinder- en jongerenwerk die breder is dan de eigen gemeente doet de ogen gemakkelijker openen voor mogelijkheden om kinderen en jongeren te ondersteunen.

► In de tweede plaats: In dat bredere verband kan nagedacht worden over: wie zijn (potentieel) belangrijke voorbeeldfiguren voor verschillende kinderen en jongeren waarmee wij te maken hebben? Zijn dat vooral de ouders, of zijn dat vooral leeftijdgenoten, of…. In de kerk zijn we gewend geraakt om jeugdactiviteiten en zeker catecheseprogramma’s op te bouwen vanuit de inhoud: waar moet het over gaan? De uitdaging lijkt mij om activiteiten en programma’s te ontwikkelen vanuit de vraag: wie zijn aansprekend en aanspreekbaar voor onze kinderen en jongeren en hoe kunnen wij deze ‘geloofsvoorbeelden’ ondersteunen bij hun samen oplopen met een nieuwe generatie?

► In de derde plaats: waar en hoe kunnen we als kerk vormen van geloofsgemeenschap voor kinderen en jongeren ondersteunen? Vaak hoef je overigens niet bij nul te beginnen. Er zijn al veel praktijken aanwijsbaar waarin die gemeenschap gezocht wordt door jongeren: denk aan een (internationale) diaconale werkvakantie waarin hands-on ervaringen met recht en gerechtigheid opgedaan worden; of filmavonden, waar jongeren hun kijkervaringen delen en waar met wat begeleiding de grote vragen over God en mens op tafel komen. Het gaat erom concrete plekken en vormen op het spoor te komen die niet noodzakelijkerwijs besloten liggen binnen de grenzen van de eigen plaatselijke gemeente: zijn het vriendengroepen, zijn het festivals, zijn het online communities of eerder hele lokale gemeenschappen in de straat?

Bij al dit denkwerk als plaatselijke gemeenten geldt natuurlijk ook: betrek hierin de nieuwe generatie zélf! Laat een aantal jongeren zelf de analyse doen van de plaatselijke situatie. Dat leidt tot eerlijke plaatjes en daagt uit om ideaal en werkelijkheid bij elkaar te houden.

Dr. A. (Jos) de Kock is godsdienstpedagoog en als universitair docent praktische theologie werkzaam voor de Protestantse Theologische Universiteit. Hij is tevens medewerker van het Onderzoekscentrum voor Jeugd, Kerk en Cultuur en Editor-in-chief van Journal of Youth and Theology.

Laat aandacht voor inwijding niet verslappen

Afbeelding1Deze tekst verscheen als opiniebijdrage in het Nederlands Dagblad van 30 september 2015 en is geschreven naar aanleiding van het publiekscollege dat ik op 30 september hield in de serie colleges ‘Jong en Geloven’ georganiseerd door AKZ+ in samenwerking met Innov8, PraktijkCentrum en Onderzoekscentrum voor Jeugd, Kerk en Cultuur.

Kerken moeten de aandacht voor inwijding in de geloofsgemeenschap niet laten verslappen. Anders heft de kerk zichzelf op, langzaam maar zeker.

In het internationale debat over christelijk jeugdwerk is het een zorg die meer dan eens naar voren wordt gebracht: ‘Er is nog maar weinig aandacht voor de inwijding van een nieuwe generatie in de geloofsgemeenschap’. Ik deel die zorg. Die zorg betreft niet per se alle praktijken van jeugdwerk in Nederland, want er is veel diversiteit; mijn zorg betreft een algemene tendens die ik in kerken en jeugdwerk bespeur.

Met inwijding bedoel ik dat kinderen en jongeren deelgenoot worden gemaakt van het evangelie én deelgenoot van een geloofsgemeenschap die dat evangelie bewaart en doorgeeft. Die geloofsgemeenschap is een voortdurende ontmoeting van mensen rond de verkondiging van het Woord, in praktijken van gebeden, sacramenten, onderling dienstbetoon en dienstbaarheid aan de wereld om haar heen. Inwijding in de geloofsgemeenschap gaat dus verder dan met kinderen en jongeren van gedachten wisselen over God en geloven. Jeugdwerk in de kerk beoogt dan ook niet alleen dat jongeren persoonlijk betrokken raken op het geloof, maar ook dat zij zich verbinden aan een geloofsgemeenschap van waaruit zij op hun beurt weer gestalte geven aan de inwijding van een volgende generatie.

vitale bron
Op verschillende manieren wordt het verslappen van aandacht voor inwijding in kerken en kerkelijk jeugdwerk naar voren gebracht. Er zijn auteurs die beweren dat modern jongerenwerk totaal is vergeten om de geloofsgemeenschap, als vitale bron voor geloven, aan te bieden aan jongeren. Andere auteurs wijzen vooral op het gebrek aan gemeenschap in de kerk en een sterke gerichtheid op individuele navolging van Christus. Zelf constateerde ik onlangs in gesprek met iemand dat het soms als vloeken in de kerk wordt ervaren als je uitspreekt dat je jongeren wil binden aan de lokale gemeente. Het gaat er toch vooral om dat je het contact niet met ze verliest, dan mag je al heel tevreden zijn.

Een aantal ontwikkelingen dragen bij aan het verslappen van aandacht voor inwijding in jeugdwerk in kerken. Deze ontwikkelingen op zichzelf zijn overigens in het geheel niet zorgelijk wat mij betreft. De combinatie ervan vraagt echter wel om een extra inspanning van kerken om aan inwijding van een nieuwe generatie gestalte te geven.

vastzitten
Een eerste ontwikkeling die je ziet, is dat wordt ingezet op vloeibare gemeenschappen rond jongeren, in plaats van op samenzijn in meer institutionele kerkstructuren. Jongeren hebben nog steeds behoefte aan gemeenschap, maar willen er niet voor altijd aan vast zitten en deze gemeenschappen komen op en gaan weer. Door in het jeugdwerk sterker deze tijdelijke groepen en tijdelijke activiteiten te ondersteunen, verschuift het accent van kerkopbouw naar jongerenopbouw. Het gaat mij er niet om dat er te kiezen zou zijn vóór het ene accent en tegen het andere. Punt is dat met deze accentverschuiving het inwijdingsideaal onder druk kan komen te staan.

ouders
Een tweede ontwikkeling is het in toenemende mate inzetten op ouders als primair verantwoordelijken voor het geloofsonderricht in de kerk en het jeugdwerk. Niet de gespecialiseerde jongerenwerker of catecheet, maar vader en moeder dienen in de gemeente het voortouw te nemen. Ouders worden de nieuwe jeugdwerkers zogezegd. En predikanten en jeugdleiders zullen de aandacht moeten verdelen over enerzijds het direct werken met kinderen en jongeren en anderzijds de toerusting van ouders in de geloofsopvoeding. Het is echter de vraag of het ideaal van inwijding vanzelfsprekend hoog gehouden wordt door alle ouders. Veel ouders zijn zich zelf al losser gaan opstellen ten opzichte van de eigen kerk als geloofsgemeenschap. Veel ouders vinden het, begrijpelijk, al heel wat als er met hun kinderen en jongeren over het evangelie van gedachten gewisseld wordt. En wat te denken van de groep ouders die zelf het geloven vaarwel aan het zeggen zijn? Kortom: ook hier zou inwijding om begrijpelijke redenen zomaar buiten het vizier kunnen raken.

missionaire praktijk
Een derde ontwikkeling is de toegenomen aandacht voor missionaire dienstbaarheid in het kerkelijk jeugdwerk. In het missionaire jongerenwerk wordt dikwijls niet een inwijding in een bestaande geloofsgemeenschap beoogd, wel het delen of belichamen van het evangelie temidden van allerlei levensvragen en -ervaringen van individuele jongeren. Ook hier geldt: binding aan een bestaande geloofsgemeenschap bevindt zich veelal buiten het vizier. Wel ontstaan in de missionaire praktijk meer dan eens nieuwe vormen van geloofsgemeenschap buiten bestaande kerkstructuren om. Maar ook hier is de vraag in hoeverre inwijding van weer een volgende generatie tot het DNA van die nieuwe, soms tijdelijke, gemeenschappen zal behoren.

Wil de aandacht voor inwijding van kinderen en jongeren niet verslappen, dan zullen kerken meer dan ooit een extra inspanning moeten leveren. Ik pleit voor een breed gesprek in Nederland van jongerenwerkers en leidinggevenden in kerken rond de vraag hoe inwijding van een nieuwe generatie op de agenda blijft van geloofsgemeenschappen. Er is geen ‘one size fits all-recept’. Dat is zeker. Wel een paar ingrediënten: een voortdurende ontmoeting van jongeren rond de verkondiging van het Woord, in praktijken van gebeden, sacramenten, onderling dienstbetoon en dienstbaarheid aan de wereld om hen heen.

dr. A. (Jos) de Kock is godsdienstpedagoog en als universitair docent verbonden aan de Protestantse Theologische Universiteit en het ­Onderzoekscentrum voor Jeugd, Kerk en Cultuur

Getuigen en leren getuigen: het hele verhaal

avondmaal“Wat hoorde ik, heb je een steen in de vijver gegooid?!”
“Ik hoorde dat jij het avondmaal wilt openstellen voor kinderen?”
“ik hoorde….

De afgelopen twee weken overkwam me dit een aantal keer. Dat ik mensen ontmoette die ‘hadden gehoord’. Ik had in een korte bijdrage op een HGJB symposium iets over kinderen en avondmaalsviering gezegd en dat blijkt vervolgens aardig doorverteld te zijn. En dat doorvertellen is een logische keuze als het oorspronkelijke verhaal, de tekst van de bijdrage, niet beschikbaar is. Die kon niet gedeeld worden, want die had ik de afgelopen weken netjes bij me gehouden.

Maar ik merk nu dat dat de goede zaak niet dient. Daarom geef ik het hieronder alsnog in zijn geheel vrij. En dat doe ik, zoals altijd, in de hoop dat het een goed gesprek, een goede vraag, een goede gedachte of wat dan ook voor goeds oplevert.

 

Getuigen en leren getuigen in relatie tot avondmaalsviering en belijdenis doen.
Gedachten met het oog op kinderen en jongeren in de gemeente.

Jos de Kock

Bijdrage tijdens HGJB symposium ‘te jong om ja te zeggen?’, 4 juni 2015, Huizen.

 
0. Drie ervaringen.
Ik wil starten met het delen van drie ervaringen. En ik heb daarvoor wat spullen meegebracht.

De eerste ervaring is er eentje van elke zondag. Ik zit dan met mijn vrouw en dochters trouw in de kerk. Dit is mijn bijbel. Herziene statenvertaling. Psalmen oude berijming. Dit is het tasje van Ruth, zij is zeven jaar, groep 3. Met psalmboekje. Leren lezen dus ook leren psalmversjes lezen. Elke week oefent ze in de kerk met het zingen van de psalmen, terwijl ze de woorden mee leest. Psalm 121 was een tijd terug favoriet: ’s Sla d’ogen naar ’t gebergte heen, vanwaar ik dag en nacht des Hoogsten bijstand wacht. Ze zong het zomaar spontaan een keer in een afgeladen sporthal op de tribune toen we naar een bloedstollende partij korfbal aan het kijken waren.

De tweede ervaring is er eentje van eens per jaar. Het traditionele pinksterkamp van de jeugdvereniging. Jaarlijks hoogtepunt. Niet alleen vanwege sport en spel en de corvee; of omdat ik meega. Maar ook vanwege tijd voor samen zingen, bijbelstudie en stille tijd. Dit jaar met het thema “meer dan genoeg – geloven in afhankelijkheid”. Hier het kampboekje. Een van de bijbelstudies had duidelijk impact op de jongeren. Voor de een bleek de lange stilte voor het persoonlijk stil bijbellezen confronterend en maakte het nodige los. Voor weer een ander was er een herkenning en bemoediging in het gezongen lied: “De hemel zal niet wachten en de aarde gaat voorbij”.

De derde ervaring heeft geen vaste frequentie. Maar gisteren deden we het nog: dansen door de kamer met heel hard Marcel en Lydia Zimmer op. Dit is het CD hoesje. De verzameling breidt de afgelopen jaren uit. Dit is het kadootje voor de doopverjaardag eerder deze week van Esra, mijn andere dochter. En zo trakteerden mijn dochters en ik de buren gisteren op een hartstochtelijk zingen “Ik zal U loven met heel mijn hart, Ik zal U eren met heel mijn verstand… “ enzovoorts.

1. Te jong? Belijden en getuigen.
“Te jong om ja te zeggen?” De vraag hoe het komt dat een jonge generatie, van wie je het wel hoopt of verwacht, al dan niet overgaat tot het doen van belijdenis vind ik eerlijk gezegd interessanter dan de vraag waarom ze dat op steeds latere leeftijd zouden doen. Maar het een heeft natuurlijk te maken met het ander. Vaak wordt betoogd dat de afnemende betrokkenheid van jongeren bij instituten als de kerk de oorzaak is van de terugloop in het aantal belijdenissen. Ongebondenheid, individualiteit en lossere vormen van gemeenschap passen meer bij jongeren van nu. Dat is een fenomeen dat ook opgaat voor politieke partijen en vakbonden. Ik denk dat dat een belangrijk punt is, maar het is niet het hele verhaal. Het afzien van belijdenis doen zegt namelijk ook iets over de betekenis die jongeren geven aan geloven en aan geloofspraktijken in de kerk.

Ik denk dat lang niet alle jongeren die afzien van de openbare belijdenis, niet zouden willen of kunnen belijden. Mijn indruk is in de eerste plaats dat voor een deel van de jongeren geldt dat zij best kunnen en willen belijden, en dat ook al in praktijk brengen, in de betekenis van getuigen. Getuigen van de Heer is een van de vier motieven van openbare belijdenis: de andere drie zijn: doop-beaming, medeverantwoordelijkheid willen dragen in de gemeente van Christus en trouw te blijven bij de gemeenschap van Woord en sacramenten. Jongeren die willen getuigen ervaren tegelijkertijd schroom of moeite op het vlak van die andere drie motieven: zij hebben vragen en twijfels rond doop, verantwoordelijkheid, trouw en bestaande geloofspraktijken.

In de tweede plaats is mijn indruk dat veel jongeren schroom hebben om ongetwijfeld te getuigen. Zij geloven wel, of misschien wel, soms ook niet misschien, of vragen zich af of ze geloven, of hoe ze dat moeten weten, wat dat eigenlijk is, etcetera. Voor deze groep geldt dat vragen rond trouw en verantwoordelijkheid gewoonweg worden overschaduwd door geloofsvragen.

2. Getuigen en leren getuigen. Met speciale aandacht voor avondmaalsviering.
Deze indrukken roepen bij mij twee vragen op: (1) hoe kunnen we kinderen en jongeren in de christelijke gemeente dienen bij het getuigen van de Heer en het leren getuigen van de Heer (incluis alle twijfels en vragen daaromheen)? En (2) welke consequenties heeft dat voor de praktijk van de (openbare) belijdenis in het midden van de gemeente?

Zonder mensen in hokjes te willen stoppen, is het zinvol om onderscheid te maken in verschillende groepen. In de eerste plaats is daar de groep jongeren die wel kunnen en willen getuigen maar die schroom of moeite hebben om verantwoordelijkheid te dragen en zich te verbinden met de geloofsgemeenschap. Met het oog op deze groep is het belangrijk om te bedenken dat verantwoordelijkheid iets is dat je moet leren: in de tiener- en jongvolwassene leeftijd. Geef deze jongeren dus verantwoordelijkheid in de gemeente. Denk bijvoorbeeld aan die pinksterkamp ervaring: geef jongeren verantwoordelijkheid om samen een bijbelstudie vorm te geven en om samen een kamp te organiseren. Daarnaast denk ik aan vormen van catechese waar jongeren zelf zaken mogen voorbereiden. Ook het samenwerken met volwassen gemeenteleden, bij het uitvoeren van activiteiten in de gemeente kan helpen..

In de tweede plaats is daar de groep jongeren die zich soms wel of soms niet verbinden met de geloofsgemeenschap maar geloofsvragen hebben die de zin in het dragen van verantwoordelijkheid overschaduwen. Met het oog op deze groep is het belangrijk dat zij plekken en ontmoetingen hebben waarin die vragen gesteld kunnen worden. Dat vraagt om goede geloofsopvoeding thuis waarin twijfel en vragen serieus genomen worden, en dus vraagt het ook om ondersteuning van ouders (opvoedkringen etcetera) om hieraan vorm te geven. Het vraagt om goede getuigende voorbeelden waaraan jongeren zich kunnen optrekken. En deze jongeren zijn gedien met vormen van catechese waar dit soort twijfel serieus genomen wordt en onderwerp van gesprek zijn.

En dan is daar, in de derde plaats, nog de groep van hele jonge jongeren: de kinderen in de gemeente, die heel wel getuigen van de Heer of daar op hun manier in aan het zoeken zijn, en waarvan redelijkerwijs geen grote verantwoordelijkheid mag verwacht worden. Zij getuigen en leren getuigen op de manier zoals met dat psalmboekje en in de sporthal. Of in de huiskamer met een cdtje opgezet. Samen psalmen (leren!) zingen, en samen dansen met de familie Zimmer. Kijken naar mooie platen in de kinderbijbel en meedoen met actie schoenendoos.

Al deze antwoorden komen u bekend voor. Er wordt veelvuldig over geschreven en gesproken: een goede geloofsopvoeding thuis, goede voorbeelden in de gemeente waar je je aan op kunt trekken, het zogenaamde ‘gesprek tussen de generaties’, goede vormen van catechese die aansluiten bij de leeftijdsgroep, opvoedingskringen voor ouders, goede aandacht in het gezin etcetera. En ik vind dat ook allemaal belangrijk.

Een ander, mijns inziens belangrijk, antwoord, dat veel minder vaak wordt gegeven is deze: de christelijke gemeente kan kinderen en jongeren dienen met de praktijk van het avondmaal. Dit antwoord mag mijns inziens niet ontbreken. In de drie ervaringen die ik schetste, psalmen zingen in de kerkbank, dansen door de kamer, en samen zijn op pinksterkamp, speelt vieren een belangrijke rol. Vieren door te zingen, door te dansen, door samen te zijn. Dat vieren beperkt zich niet tot het bijwonen van een kerkdienst of het horen van een preek. In het vieren wordt getuigd van de Heer en op hetzelfde moment wordt het geloof gezocht en opnieuw gevonden, het wordt geleerd. Ook, of beter gezegd, juist, het avondmaal is een uitgelezen plek om te getuigen van de Heer en de uitgelezen plek om dat getuigen steeds opnieuw te leren. Het avondmaal dient of helpt (a) het zien op Jezus en (b) de verkondiging , het getuigen van Zijn dood.

Leren getuigen in de avondmaalsviering gebeurt niet door in jezelf te kijken, maar door te zien op Jezus: dat is de kijkrichting van het leerproces. Dít belijden, opgevat als het getuigen van de Heer, is nooit een toestand waarin iemand zich bevindt, maar altijd een leerproces. Oftewel: leren door te participeren, deel te nemen aan de geloofsgemeenschap. Dat is wat er bij de avondmaalsviering gebeurt. En dat is wat de christelijke gemeente, denk ik, moet gunnen aan alle leeftijden, dus ook aan kinderen en jongeren.

Wij komen overigens in kleinere en grotere onderzoeken, uitgevoerd door studenten of binnen ons Onderzoekscentrum voor Jeugd, Kerk & Cultuur, ook steeds weer op het spoor van de nauwe verwevenheid van geloofsleren en vieringen. Vieren = leren. En wel op een hele rijke manier: niet alleen leren door cognitief bezig te zijn, maar ook door actief te handelen, deel te nemen, door samen te zijn met anderen en door onderdeel te zijn van een geloofsgemeenschap. En precies al deze elementen zitten vervat in die avondmaalsviering. Bovendien: In het vieren van het avondmaal doen alle zintuigen mee; het is niet slechts verstandelijk wat informatie uitwisselen met elkaar. En in de avondmaalsviering ben je niet aan het geven maar aan het ontvangen. Ook dit multisensorische en ontvangende van de deelname aan deze viering sluit nauw aan bij waar opgroeiende kinderen en jongeren gebaat bij zijn.

Ik besef dat avondmaalspraktijken doorgaans voor kinderen en jongeren niet zo aantrekkelijk zijn. Veel jongeren zien er weinig in. Zitten erbij te kijken. En dat is ontzettend jammer. De potentie is zoveel groter. Je zult op dit punt dus ook kritisch moeten kijken naar huidige avondmaalspraktijken. En natuurlijk kun je niet zomaar alle kinderen op het avondmaal afsturen en hoort er wel uitleg en voorbereiding bij. Die avondmaalsviering moet ingebed zijn in dit: die bijbel, het psalmboekje, de cd het pinksterkampboekje etcetera: een voortdurend proces van uitleg en voorbereiding, van geloofsopvoeding en inwijding: thuis en in de gemeente. Belijdenis doen heeft alles te maken met getuigen en inwijding in de geloofsgemeenschap. Die Inwijding gaat niet vooraf aan de avondmaalsviering, maar avondmaalsviering ís inwijding, ís getuigen én léren getuigen. En nóg een belangrijke kanttekening: met kinderen en jongeren aan het avondmaal ziet de belijdenispraktijk er niet automatisch beter uit. Maar het mag wat mij betreft niet onbenut blijven.

3. Consequenties voor de praktijk van (openbare) belijdenis.
Goed. Nu naar die tweede vraag: de consequenties voor de praktijk van de openbare belijdenis. In de eerste plaats: Daar waar de gemeente aan kinderen en jongeren gelegenheid biedt om te getuigen en te leren getuigen kan dat een goede voedingsbodem zijn voor het ontwikkelen van verantwoordelijkheid en trouw in de gemeente. En dat is weer belangrijk voor het afleggen van belijdenis. Dat kan op verschillende manieren: De een geef je verantwoordelijkheid, de ander moet geloofstwijfels op tafel kunnen leggen; Weer anderen, zoals ik, gaan zingen en dansen. Maar ook geldt: het kan door het samen vieren van de maaltijd van de Heer.

In de tweede plaats: als jongeren zich niet klaar voelen voor het dragen van verantwoordelijkheid in de kerk kan dat gewoon een legitieme reden zijn om geen belijdenis te doen. Maar als de reden gezocht moet worden in de gebruiken en praktijken van de gemeente die in de ogen van jongeren niet passen bij de roeping van de christelijke gemeente, dan is er huiswerk voor de hele gemeente. Jongeren zijn een belangrijke spiegel voor de gemeente. Zijn geloofspraktijken in de gemeente werkelijk vieringen, zijn ze getuigend van de Heer? Kunnen kinderen en jongeren echt mee vieren in de gemeente? De praktijk van belijdenis doen moet niet verworden tot een inwijding in de status quo maar moet ruimte bieden aan persoonlijke en soms kritische geloofsgetuigenissen.

Tot slot, in de derde plaats: een belijdenis in termen van commitment, trouw en verantwoordelijkheid mag verwacht worden op de weg naar volwassenheid: voor de een als jongvolwassene, voor de ander als adolescent, voor weer een ander veel later. Die vorm van belijdenis, die we kennen als openbare belijdenis in het midden van de gemeente, ligt mijns inziens wel verankerd in het getuigen van de Heer. Het is prachtig als getuigen leidt tot openbare belijdenis. Dat mag je ook hopen en verwachten. Maar: meer dan over het aantal belijdenissen, meer dan over de leeftijd waarop dat gedaan wordt, zou de christelijke gemeente zich moeten bekommeren over het getuigen en leren getuigen. Met dit dus: de bijbel, het psalmboekje, een cdtje, een kampboekje, met twijfel, met kritiek, met verantwoordelijkheid en goede voorbeelden om jongeren heen, maar ook met een tafel, met brood en wijn.

===

(Noot: Binnen de Protstantse Kerk is in veel gemeenten uiteraard al de praktijk dat kinderen/jongeren aan het avondmaal (mogen) gaan, maar dat geldt niet voor het overgrote deel van de gemeenten in het achterland van de HGJB.)

veel te doen om belijdenis doen

Op donderdag 4 juni 2015 houdt de HGJB een symposium over belijdenis doen onder de titel “Te jong om ja te zeggen?”. Ik mag daar als een van de sprekers een bijdrage aan leveren. Achtergrond voor mijn bijdrage vormt het artikel in Onderweg van een aantal weken terug: Belijdenis doen: waarvoor, waarover, voor wie? In EO Visie en in ND verschijnen deze week interviews over het thema belijdenis doen. De vraag naar de ‘ideale leeftijd’ komt in beide aan bod. Hieronder het interview in EO Visie. En via deze link is het interview in ND te lezen.eo visie

Belijdenis doen: waarvoor, waarover, voor wie?

OnderWeg-mockup-nummer-4Dit artikel is gepubliceerd in OnderWeg, 2015, jaargang 1, nummer 4, pp. 8-11. OnderWeg is een tweewekelijks kerkelijk magazine voor gemeenteleden binnen de Nederlands Gereformeerde Kerken (NGK) en de Gereformeerde Kerken (vrijgemaakt) (GKv).

Het artikel is onderdeel van een themanummer van OnderWeg dat geheel is gewijd aan de thematiek van belijdenis doen. Bij het artikel in OnderWeg zijn tevens cijfers gepubliceerd over de ontwikkeling in het aantal mensen dat belijdenis deed in de NGK en GKv tussen 1984 en 2013. Verder wordt een aantal webtips en leestips gegeven. Voor het lezen van het hele nummer en toegang tot het cijfermateriaal: zie http://www.onderwegonline.nl

Waar is het goed voor, belijdenis doen? Waar gaat het eigenlijk over? En voor wie is het bedoeld? Een praktische analyse van deze vragen.

De vragen die ik hierboven stelde, weerspiegelen uiteenlopende ervaringen met de praktijk van belijdenis doen. Wat ik bijvoorbeeld meer dan eens van predikanten hoor, is dat het animo voor belijdenis doen afneemt. Dat heeft natuurlijk te maken met de terugloop van het aantal kerkgangers in het algemeen en jonge kerkgangers in het bijzonder, maar los daarvan is de indruk van predikanten dat er ook minder belang wordt gehecht aan de openbare belijdenis van het geloof. Belijdenis doen: waar is het goed voor?
Een andere ervaring die ik tegenkom, is dat zich soms geheel onverwacht een hele groep jonge mensen aanmeldt voor het doen van belijdenis. De predikant denkt: jullie?! En bekomen van de eerste verbazing wordt de belijdeniscatechese opgestart. Belijdenis doen: voor wie is het eigenlijk?
Tot slot kom ik predikanten tegen die geconfronteerd worden met vragen als: Waar moet ik het over hebben in de belijdeniscatechese? Welke onderwerpen breng ik ter sprake? Wat mag niet gemist worden? Wat zijn de wezenlijke vragen die ik moet agenderen? Oftewel: belijdenis doen: waar gaat het over?

Waar is het goed voor?
In 2011 organiseerden de jongerenorganisaties HGJB en JOP een symposium over belijdenis doen. De achtergrond was de terugloop van het aantal belijdenissen in de protestantse kerken. Centraal stond de vraag of de openbare geloofsbelijdenis een achterhaald fenomeen is.
Die vraag is sindsdien niet minder actueel geworden. Vaak wordt daarbij genoemd dat jongeren zich tegenwoordig maar moeilijk verbinden aan een geloofsgemeenschap. Maar is dat inderdaad waar belijdenis doen over gaat en waar het goed voor is?
De kerkorde van de Protestantse Kerk in Nederland noemt vier motieven om belijdenis te doen. Je doet het om de doop te ontvangen of te beamen, om van de Heer te getuigen, om medeverantwoordelijkheid te dragen in de gemeente van Christus en om te blijven bij de gemeenschap van Woord en sacramenten.
Dat is dus meer dan een persoonlijke geloofsbelijdenis van de Drie-enige God en een belofte om van Hem te getuigen. Je spreekt ook de intentie uit om verantwoordelijkheid te dragen in Gods koninkrijk en de christelijke gemeente en je doet een belofte van trouw aan de persoonlijke en gezamenlijke godsdienstoefening. Verder herinnert het mensen die als kind gedoopt zijn aan hun doop en daagt het hen uit om die te beamen. Je bent niet in de eerste plaats een individu, maar onderdeel van het lichaam van Christus, delend in het verbond. Ons geloof is een gemeenschappelijk geloof en een geloof dat in de gemeenschap betekenis krijgt en zeggingskracht heeft. De beaming van de doop geeft daar uitdrukking aan.
De vraag waar openbare geloofsbelijdenis goed voor is, kan dus beantwoord worden met vier kernwoorden: doop (ontvangen of beamen), getuigenis, verantwoordelijkheid en trouw. Overigens speelt in een deel van de kerkelijke praktijk ook de toelating tot het heilig avondmaal als motief mee.

Deze vier kernwoorden zijn terug te horen in de persoonlijke motivaties van belijdeniscatechisanten. Hieronder geef ik er vier die meer dan eens te horen zijn:
• ‘Ik wil belijdenis doen omdat ik mijn doop als kind wil beantwoorden. Mijn ouders kozen ervoor om mij bij God te brengen en in de doop koos God ervoor om mijn Vader te zijn. Nu is het moment dat ik zelf graag ja wil zeggen tegen God, zodat het echt mijn eigen keuze is.’
• ‘Ik wil belijdenis doen om aan de gemeente en iedereen die het maar wil horen te laten zien dat ik geloof in God. Ik wil het niet voor mezelf houden, maar er openlijk voor uitkomen.’
• ‘Ik wil belijdenis doen omdat ik zo dankbaar ben voor wat ik allemaal heb ontvangen in onze kerk. Natuurlijk mijn ouders, maar ook de mensen van de crèche, de leiding van de club. Ze hebben altijd zo veel gedaan voor ons als jongeren. Ik wil nu graag zelf verantwoordelijkheid nemen in de kerk, omdat ik heb ervaren hoe belangrijk dat voor me is geweest.’
• ‘Ik wil belijdenis doen omdat ik het gevoel heb ik dat ik echt niets anders wil dan te geloven en bij de kerk te horen. Ik heb best vaak momenten gehad dat ik er niets van wilde weten of dat het op een laag pitje stond. Maar nu wil ik ervoor gaan.’

Waar gaat het over?
De woorden doop, getuigenis, verantwoordelijkheid en trouw geven direct ook een antwoord op de vraag waar belijdenis doen en belijdeniscatechese over gaan. Welke inhouden zouden centraal moeten staan in de belijdeniscatechese?
• De doop: Welke kracht gaat uit van de doop in mijn leven? Wat betekent het om te leven uit Gods beloften? En om te leven naar zijn geboden?
• Getuigen: Wat is dat? Waarom zou ik het doen? Hoe doe ik dat al en hoe kan ik dat gaan doen?
• Verantwoordelijkheid dragen: Wat zijn mijn gaven die betekenis hebben voor de opbouw van de gemeente van Christus? Hoe kunnen deze ingezet worden en hoe doe ik dat al? Wat heeft mijn gemeente nodig?
• Trouw zijn: Hoe kan ik een nieuwe schakel zijn in de geloofstraditie van mijn gemeente? Wat betekent trouw concreet voor mij? Waarom is dat belangrijk? Hoe houd ik dat vol?

Hieruit blijkt wel dat de verbinding aan de geloofsgemeenschap inderdaad een belangrijk aspect van belijdenis doen is. Daarbij kan het gaan om een verbinding aan het geloof van de geloofsgemeenschap (dat houdt verband met doop en getuigenis) en een verbinding aan de geloofspraktijken van de geloofsgemeenschap (dat houdt verband met verantwoordelijkheid en trouw). Hoe kan in dat licht de moeite die vooral jongeren hebben om zich te verbinden aan de geloofsgemeenschap begrepen worden?
Vaak wordt gezegd dat de afnemende betrokkenheid van jongeren bij instituten als de kerk de oorzaak is van de terugloop in het aantal belijdenissen. Ongebondenheid, individualiteit en lossere vormen van gemeenschap passen meer bij jongeren van nu. Dat is een fenomeen dat ook opgaat voor politieke partijen en vakbonden. Ik denk dat dat een belangrijk punt is, maar het is niet het hele verhaal. Het afzien van belijdenis doen zegt namelijk ook iets over de betekenis die jongeren geven aan geloven en geloofspraktijken.
Moeite of schroom om je te verbinden aan een geloofsgemeenschap kan te maken hebben met de doop: de dooppraktijken in de gemeente, de geldende dooptheologie, de wijze waarop in de geloofsgemeenschap wordt aangekeken tegen geloven als gave en geloven als persoonlijke keuze enzovoort. Iemand zegt bijvoorbeeld: ‘Officieel belijdenis doen is toch niet iets wat in de Bijbel staat? Dopen wel, maar dat word je bij ons al als kind. Ik vind het allemaal ingewikkeld, ik heb er niet veel mee.’
De moeite of schroom kan ook te maken hebben met het getuigenis. Wat is eigenlijk het getuigenis in de plaatselijke gemeente waartoe ik behoor? Is dat wel een getuigenis? Is dat ook mijn getuigenis? En hoe radicaal mag of moet het zijn? Jongeren hebben een goede antenne als het gaat om integriteit. ‘Moet je eens kijken wat een rommeltje de mensen er hier van maken. Ik weet niet of ik in deze kerk wel verder wil.’
Moeite of schroom kan tot slot ook betrekking hebben op de geloofspraktijken van de gemeenschap. Wil ik wel verantwoordelijkheid dragen voor praktijken waar ik niet helemaal achter kan staan? Wordt er in de gemeente eigenlijk wel een beroep gedaan op mijn gaven of doet men dat liever niet? Kan ik het wel waarmaken om trouw te beloven? Of nog een gedachte: belijdenis doen als toegangspoortje tot het avondmaal, dat is toch te zot voor woorden? Is het geloof niet voldoende om avondmaal te vieren? Moet je eerst verplicht belijdenis doen?
Dit zijn een heleboel vragen. Maar die komen niet zozeer op uit een streven naar ongebondenheid. Ze komen juist voort uit het actieve zoeken van jongeren naar de betekenis van het geloof en de geloofspraktijken in hun kerken. Zo bezien is de kritische vraag aan kerken: biedt belijdenis doen voldoende ruimte voor persoonlijke en soms kritische geloofsgetuigenissen? Of is belijdenis doen vooral een inwijding in de status quo? Want zo kan het gaan functioneren. Het wordt dan een fase waar aan de ene kant je loyaliteit aan de geloofsgemeenschap nog eens extra wordt gevraagd en aan de andere kant alle kritische vragen ten aanzien van kerk en geloven op zijn best netjes worden aangehoord en op zijn slechtst worden genegeerd.
Dat brengt ons bij de vraag: voor wie is het eigenlijk, belijdenis doen? Is het voor de (jonge) gemeenteleden die netjes in de pas lopen? Of is het voor de ‘out of the box’-types? Voor wie?

Voor wie is het eigenlijk?
Soms meldt zich een hele groep jonge mensen aan voor het doen van belijdenis. Jongeren van wie je denkt: Hoe kan dat nou? Zij waren toch niet allemaal zo serieus bezig met het geloof? En ze lieten zich toch niet al te vaak zien in de kerkdiensten?
Toch komen ze. Om belijdenis te doen. Omdat ze kennelijk ruimte ervaren om er te zijn, met hun vragen en hun overtuigingen, en vooral met elkaar. Want deze jongeren voelen zich als vriendengroep zeer verbonden met elkaar. Ze vormen met elkaar een gemeenschap, die hun veiligheid biedt om persoonlijke, soms kritische vragen en getuigenissen in te brengen. Met deze groep staan zij in de grotere geloofsgemeenschap, waar van alles van te denken en op aan te merken is. Alleen zo, als groep, kan kennelijk de stap naar belijdeniscatechese gemaakt worden.
Het lijkt mij hierom de belangrijkste uitdaging voor kerken om rondom belijdenis doen het idee van ‘inwijding’ in balans te houden met de individuele zoektocht en het individuele getuigenis van (jonge) mensen. Belijdenis doen heeft aan de ene kant alles te maken met het onderdeel worden van een kerk, een geloofsgemeenschap, inclusief het kennisnemen van de gebruiken en de verwachtingen. Aan de andere kant heeft belijdenis doen ook alles te maken met een persoonlijke weg en een persoonlijk getuigenis, inclusief de ‘aanklacht’ tegen gebruiken en praktijken die niet passen bij de roeping van de christelijke gemeente en inclusief andere, soms conflicterende verwachtingen ten aanzien van de geloofsgemeenschap. De uitdaging is om ook die laatste kant voluit te honoreren bij belijdenis doen. Belijdeniscatechisanten zijn een belangrijke spiegel voor de gemeente. Wordt er ook op deze manier uitgezien naar hen die belijdenis willen doen?
Om die spiegelfunctie een kans te bieden, kunnen vriendengroepen of andere kleine groepen binnen de geloofsgemeenschap behulpzaam zijn. Het stimuleren, aanmoedigen en ondersteunen van kleine gemeenschappen binnen de kerk is dus van vitaal belang. Het kan de veiligheid bieden die mensen nodig hebben voor hun persoonlijke zoektocht.
Belijdenis doen is zowel een inwijding als een persoonlijke zoektocht. En in die combinatie is belijdenis doen altijd een praktijk waarbij het geloven en de geloofspraktijken van de gemeente niet alleen worden uitgelegd en doorgegeven, maar ook worden vernieuwd en gerevitaliseerd door de kritische inbreng van individuele belijdeniscatechisanten serieus te nemen.

Jos de Kock is godsdienstpedagoog en werkzaam als universitair docent educatie en catechetiek aan de Protestantse Theologische Universiteit.